Een lentedag in 1943 in de Vondelstraat in Amsterdam Oud-West, tegen de avond. Bert van Eyk, scheikundeleraar op het Barlaeus Gymnasium en broer van schrijfster Henriëtte van Eyk, loopt via zijn voortuin op nummer 17 de straat op, in de richting van de Stadhouderskade. Verkleed als chique prostituee is hij op weg naar het Amstel Hotel om bij Duitse militairen informatie in te winnen over de chemische oorlogsindustrie van de nazi’s.
In het souterrain onder het huis van Van Eyk en zijn vrouw Sytske Bessem wonen altijd wel een paar onderduikers. Nu zitten Jaap en Loes van Amerongen er verscholen, een joods stel dat twee weken na de inval is getrouwd en samen naar Palestina wilde afreizen. Nadat de route naar het beloofde land was afgesneden, waren ze hier ondergedoken.
De buren, acteurs Ko van Dijk en Elly van Stekelenburg, organiseren op nummer 19 clandestiene theateravonden. Bezoekers betalen met drank en voedsel, of hout om te stoken. Een paar huizen verderop, op de hoek met de Stadhouderskade, wordt in het AMVJ-gebouw de ‘antisemitische paardensportfilm’ Reitet für Deutschland vertoond voor Duitse militairen van de Feldluftzeuggruppe.
En op nummer 4 kun je een nieuw uniformpje met muts aanschaffen voor je kinderen bij de Jeugdstorm. NSB-winkel ‘De karpoets’ beloofde in Het Nationale Dagblad uniformonderdelen steeds op voorraad te hebben ‘voor zover de huidige omstandigheden dit toelaten’.
Monument en aanklacht
Zesenzeventig jaar later in de Vondelstraat. Laag over de stad dreunende vliegtuigen, op weg naar Schiphol, versterken de dreiging die Bianca Stigter heeft opgeroepen met haar vuistdikke Atlas van een bezette stad, een gids voor Amsterdam 1940-1945 vol kaarten en foto’s. ‘Ik wilde een tijdmachine van papier bouwen, zodat je als je over straat loopt of erover leest een beetje weet hoe het toen was. Een illusie creëren op basis van harde feiten, dat was mijn doel.’
De afgelopen zes jaar heeft ze gewerkt aan een onderneming waaraan geen eind leek te komen – steeds was er wel een onderduikadres te checken, een verzetsverhaal te controleren, een archief uit te pluizen, een boek te lezen. Maar straks ligt hij er, de nieuwe editie van haar standaardwerk over de hoofdstad in oorlogstijd (in 2005 verscheen een eerdere editie onder de titel De bezette stad. Plattegrond van Amsterdam 1940-1945).
Het is een monument voor slachtoffers en verzetsmensen, inspiratiebron voor de organisatoren van Huizen van Verzet en Open Joodse Huizen, dat sinds 2013 levensgeschiedenissen en oorlogsverhalen van verzetsmensen en joodse oorlogsslachtoffers vertelt op de plaatsen waar ze woonden en werkten. Maar het is ook een aanklacht tegen daders en collaborateurs.
Het decor van de stad is grotendeels onveranderd. De meeste huizen, stille getuigen van grote en kleine misdaden maar ook van heldendaden, staan er nog steeds.
Het decor van de stad is grotendeels onveranderd. De meeste huizen, stille getuigen van grote en kleine misdaden maar ook van heldendaden, staan er nog steeds. Als je van schuldig landschap kunt spreken, zoals schrijver en kunstenaar Armando deed (‘De schoonheid van de plekken waar de vijand was, waar de vijand zich bevond, waar de vijand huisde en huishield’) dan is de Vondelstraat een schuldige straat en Amsterdam een schuldige stad, beaamt Stigter.
Driekwart van de joodse Amsterdammers werd onder de ogen van hun stadgenoten afgevoerd. Onder hen niet Jaap en Loes van Amerongen van Vondelstraat 17 sous. Zij overleefden de Shoah en bereikten drie jaar na de bevrijding alsnog Palestina, waar Jaap onder zijn nieuwe naam Ya’akov Arnon een belangrijke rol zou spelen, eerst als directeur-generaal van een ministerie en daarna als vredesactivist.
Schietpartij op de Dam
Het levenswerk van historicus en journalist Bianca Stigter (54) is tot haar grote opluchting bijna voltooid. ‘Ik zeg af en toe tegen de uitgever: moet ik niet stoppen, wordt het niet veel te dik? Maar eigenlijk is het project per definitie onvoltooid. De volgende stap zou een website kunnen zijn waar iedereen informatie kan delen.’
Haar project, het in kaart brengen van bezet Amsterdam, begon ooit met een simpele vraag van haar vader Gerard Stigter (1936), bekend onder zijn schrijversnaam K. Schippers. Hij groeide op in Amsterdam, maar had als jongen niet veel meegekregen van de bezetting. ‘Zelfs van de oorlog herinner ik me maar twee dingen,’ vertelde hij in een interview. ‘Dat ik een keer wijtingkoppen van de kat lag af te kluiven. En dat mijn broer met krijt “negenentwintig april negentienvierenveertig” op de veranda schreef.’ Maar ook: ‘Door de bevrijding heeft alles zich ineens ten goede gekeerd. En dát heb ik willen overbrengen op mijn dochters Diana en Bianca.’
De achtjarige Gerard was op 7 mei 1945 op weg naar de Dam toen Duitse militairen van de Kriegsmarine daar het vuur openden op de feestende menigte, waarbij tweeëndertig doden vielen. Hij beschreef die gebeurtenis in zijn 4 mei-lezing van 2010 in de Nieuwe Kerk – wrang genoeg kort voordat de herdenking, vijfenzestig jaar na de schietpartij op de Dam, zou worden verstoord door de zogenoemde Damschreeuwer. ‘We lopen de Paleisstraat in, plotseling wordt er geschoten, keihard, tàtàtàtàtàtà, achter elkaar,’ las K. Schippers voor. ‘We kunnen nog net terug, ellebogen ons door de massa, we rennen en rennen.’
Roze overhemd
Dat was dus het slotakkoord, maar hoe zat het nu met het begin van de bezetting, vroeg K. Schippers aan zijn dochter Bianca als jonge geschiedenisstudent. Hoe ging dat precies, na de inval van de nazi’s? De Duitse soldaten marcheerden op 15 mei 1940 Amsterdam binnen over de Berlagebrug, verwelkomd door NSB’ers en Duitsers. Een dag later werd de klok een uur en veertig minuten vooruitgezet: Duitse zomertijd.
En toen? Hoe wisten de soldaten en hun meerderen waar ze heen moesten? Belden ze her en der aan: we hebben uw land en uw stad bezet en nu vorderen we uw woning, werkplaats of kantoor?
‘Terechte vragen waarop ik het antwoord schuldig bleef,’ zegt Bianca Stigter. ‘Vervolgens ging ik me afvragen: waar zaten die Duitsers überhaupt in bezet Amsterdam en waar zat trouwens alles en iedereen? Het verzet, landverraders, onderduikers? Waar waren de gaarkeukens, waar kocht je zo’n gele ster, waar werd Vrij Nederland gemaakt, Het Parool gedistribueerd? Er waren allerlei Duitse kaarten, zoals de beruchte stippenkaart uit 1941 waarop elke stip staat voor tien joodse inwoners. Maar nergens een handzaam overzicht.’
Waar waren de gaarkeukens, waar kocht je zo’n gele ster, waar werd Vrij Nederland gemaakt, Het Parool gedistribueerd?
Er zat dus niets anders op dan zo’n atlas van de bezetting dan zelf maar samen te stellen. ‘Hier was een onderduikadres van jullie voormalige hoofdredacteur Henk van Randwijk,’ zegt ze terwijl ze stilstaat bij Hotel Vondel. Geen plaquette op de gevel die herinnert aan de Vrij Nederland-voorman, zelfs een huisnummer ontbreekt. ‘Van Randwijk ging ervan uit dat dit huis veilig was,’ zegt Stigter, ‘omdat er eerder een verzetsman was opgepakt en de Duitsers er volgens hem niet snel opnieuw zouden gaan zoeken.’
Vóór Henk van Randwijk in januari 1945 onderdook op Vondelstraat 24 huis – en er een verhouding kreeg met Aa van der Meer, die werkte voor de Persoonsbewijzencentrale – woonde hier modeontwerper en kleermaker Sjoerd Bakker. De twintiger naaide er de nep-uniformen van de Nederlandse politie die werden gebruikt bij de aanslag op het Bevolkingsregister op 27 maart 1943. ‘Sjoerd Bakker werd na verraad opgepakt en samen met elf anderen op 1 juli 1943 gefusilleerd in de duinen bij Overveen,’ zegt Stigter. ‘Bakker, die homoseksueel was, droeg tijdens zijn executie op eigen verzoek een roze overhemd.’
Onecht kind
Een paar panden verderop, op nummer 30, nu ook onderdeel van Hotel Vondel, was een advocatenkantoor dat probeerde joden op de ‘Calmeyerlijst’ te krijgen, wijst Bianca Stigter. Je kon op die beschermde lijst komen als je als jood kon bewijzen dat je niet of maar voor een deel van joodse afkomst was.
De advocaten Nino Kotting en Jaap van Proosdij probeerden hier Portugese joden te ‘ariseren’ – vaak met als argument dat ze helemaal niet van joodse maar van ‘mediterrane’ afkomst waren. ‘Ook als je kon aantonen dat je een onecht kind was, hielp dat bij het “Calmeyeren”,’ licht Stigter toe. ‘Maar je moest daar wel harde bewijzen voor kunnen overleggen: al of niet vervalste documenten die wezen op een niet-joodse afkomst, of iemand die overspel wilde toegeven.’
Als hoofd van de Abteilung Innere Verwaltung besliste Hans Calmeyer over je al dan niet joodse afstamming en daarmee over leven en dood. Hij keurde deze aanvragen vaak goed, waarmee hij duizenden joden van de dood redde. Zowel Calmeyer – al bleef hij een omstreden figuur – als de advocaten Kotting en Van Proosdij van Vondelstraat 30 kregen na de oorlog vanwege het redden van joden een Yad Vashem-onderscheiding als ‘rechtvaardigen onder de volkeren’.
Alleen Nederlandse landverraders
Na de bevrijding werd het Nederlandse verzet tegen de Duitsers aanvankelijk belangrijker ingeschat dan het werkelijk was, zegt Stigter terwijl ze de straat oversteekt. Later werd het nationale verzetsverleden overschaduwd door de verschrikkingen van de Holocaust en het besef dat er in Nederland relatief weinig was gedaan om joodse landgenoten te redden. Toen rees ook de vraag of al die verzetsgroepen en -groepjes het einde van de bezetting wel een stap dichterbij hadden gebracht: ‘“Zij vielen voor onze vrijheid,” zeg je dan. Ja echt? Is dat wel zo?’
Later werd het nationale verzetsverleden overschaduwd door de verschrikkingen van de Holocaust en het besef dat er in Nederland relatief weinig was gedaan om joodse landgenoten te redden.
Aanslagen zoals die op het bevolkingsregister waren wel goed voor de moraal van alles wat anti-Duits was: ‘Je zag die vlammen tot ver in de stad en dat was een teken van hoop.’ Maar vast staat dat verzetswerk steevast leidde tot represailles van de nazi’s: elke keer dat er een Duitser werd uitgeschakeld, kostte dat een aantal gevangenen het leven.
De verzetsgroep CS-6 – zo genoemd omdat op Corellistraat 6 in Amsterdam Zuid het hoofdkwartier was gevestigd – had daarom besloten alleen Nederlandse landverraders om te leggen. Een van de leden van CS6 was biologiestudent Hans Katan, die de oorzaak zou zijn van een ingrijpende gebeurtenis in de familiegeschiedenis van Bianca Stigter.

Avondje uit
Stigter wandelt verder door de Vondelstraat, en soms weer even terug omdat ze een onderduik- of verzetsadres heeft overgeslagen, wat kan gebeuren in deze straat met vijfentwintig oorlogsgerelateerde adressen. ‘Kijk, hier op nummer 44 was in de laatste oorlogsmaand het hoofdkwartier van de Knokploeg Amsterdam.’
De oorlog speelde zeker een rol in haar jeugd, zegt ze. Dat kwam vooral door haar moeder, vertaalster Erica Hoornik (1937), en haar grootvader, de dichter Ed. Hoornik (1910-1970), die na de bevrijding drie jaar lang cultuurredacteur was van weekblad Vrij Nederland. Hij was actief in verzetskringen en schreef al in 1938 het bekende gedicht Pogrom, met de onheilspellende slotregels:
De Jodenbreestraat is een diep ravijn;
ik zie mijn schaduw dansen op de wanden.
– Het is maar tien uur sporen naar Berlijn.
Het huis van de Hoornikjes op 25-tweehoog van de – nu niet meer bestaande – Stadionstraat, in Amsterdam Zuid, was tijdens de bezetting een zoete inval van ‘goede’ schrijvers, uitgevers en intellectuelen. Hans Katan, redacteur van het illegale blad De Vrije Katheder en staflid van CS-6, belde er op 19 augustus 1943 aan. Ed. Hoornik en zijn (van oorsprong Duitse) echtgenote Liesel Hoornik-Nussbaum waren niet thuis, de dochtertjes deden open. Toen hun ouders terugkwamen van een avondje uit, om het verschijnen te vieren van Hoorniks bundel Tweespalt bij de illegale Mansarde Pers, zetten ze het feestje thuis voort.
een kooi in een stikdonkere cel
Later die avond werd op de deur gebonsd: het was de beruchte SD’er Wouter Mollis – na de oorlog ter dood gebracht – met zijn mannen van de Sicherheitsdienst. De aanwezigen – Hoornik en zijn vrouw, uitgever Bert Bakker, dichter Gerard den Brabander, student Hans Katan (‘die moedige jonge vent’, in de woorden van Hoornik) en nog anderen – werden geboeid en in overvalwagens geladen.
De SD meende te weten dat de joodse verzetsman Hans Katan hier in de Stadionstraat een hoofdkwartier had en Katan werd verantwoordelijk gehouden voor verschillende liquidaties en aanslagen. Het adres van de Hoorniks had de SD waarschijnlijk gevonden in de tas van Katans vier dagen eerder opgepakte vriendin Mien Harmsen – zij werd opgesloten in het Huis van Bewaring aan de Havenstraat waar ze zes weken in een kooi doorbracht, die was opgehangen in een stikdonkere cel.
Zij zou als politiek gevangene een reeks Duitse kampen overleven. De drie jonge dochters van Ed. en Liesel – onder wie dus Bianca’s moeder Erica – werden opgevangen door de bovenburen. Ze zagen hun moeder pas zes weken later terug, toen ze was vrijgelaten uit gevangenschap. Ed. Hoornik werd als gastheer zwaar gestraft, hij werd afgevoerd naar het concentratiekamp Vught en kwam later in Dachau terecht. Hans Katan (24) werd op 30 september samen met nog achttien leden van CS6 ter dood veroordeeld en de volgende dag gefusilleerd in het duingebied bij Overveen.
Vorm van geschiedvervalsing
‘Met mijn opa heb ik natuurlijk nooit over de oorlog of over zijn tijd in Dachau kunnen spreken,’ zegt Bianca Stigter. ‘Hij overleed toen ik pas vijf jaar was. Ik vond dat trouwens maar niks en sprak de woorden: ik wil nu mijn opa terug of een broodje salami.’
Ze hoorde verhalen over de oorlog van haar ouders en hun vrienden, zoals uitgever Max de Metz, die bevriend was met Simon Wiesenthal en die Kanttekeningen bij Hitler van Sebastiaan Haffner had vertaald. ‘Max nam altijd boeken mee over de oorlog: getuigenissen, dagboeken, en die ging ik allemaal lezen als meisje van een jaar of elf, twaalf.’
Later, als geschiedenisstudente, bezocht ze met medestudenten Praag en ook het nabijgelegen concentratiekamp Theresienstadt. ‘Dat was nog voor de val van de Muur en ik was verbaasd dat er helemaal geen gedenksteen was geplaatst voor de vermoorde joden – alleen dode communisten werden er herdacht. Ik besloot om mijn doctoraalscriptie over de Amsterdamse oorlogsmonumenten te schrijven – in Theresienstadt begreep ik dat zo’n monument een subjectief beeld geeft of zelfs een vorm van geschiedvervalsing kan zijn.’
‘In Theresienstadt begreep ik dat een monument een subjectief beeld kan geven of zelfs een vorm van geschiedvervalsing kan zijn.’
Dat er in Amsterdam nog steeds strijd moet worden geleverd voor een monument in de voormalige Jodenbuurt voor de meer dan honderdduizend vermoorde Nederlandse joden is daar een voorbeeld van.
‘Dat is wrang, zeker als je je realiseert dat er nu een “dankbaarheidsmonument” staat dat de dank van de Joodse gemeenschap uitdrukt voor de in de Tweede Wereldoorlog gegeven hulp. En dat in de jaren vijftig een joods monument op het Jonas Daniel Meijerplein is tegengehouden door het gemeentebestuur met als argument dat de plek niet geschikt zou zijn. Later was daar wel plaats voor de Dokwerker.’
Gestolen huisraad
De wandeling door de Vondelstraat schiet ondertussen niet erg op. Voor ze de Van Baerlestraat oversteekt, wijst Stigter op de vrijmetselaarsloge op nummer 39-41. Al op 22 juni 1940 werd dit monumentale pand verzegeld door de SD. Vrijmetselaars waren door Hitler aangewezen ter vervolging en vernietiging.
De Grootmeester van Amsterdam, Hermannus van Tongeren, stierf op 29 maart 1941 in concentratiekamp Sachsenhausen. Kort daarna werd hier in de Vondelstraat een ‘Schandausstellung’ geopend, om te laten zien hoe gevaarlijk die internationale beweging was. De vrijmetselaars zouden als handlangers van de joden streven naar wereldheerschappij.
Vervolgens werd het gebouw door de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg, een rooforganisatie van nazi’s, en de Duitse roofbank Liro gebruikt als pakhuis, ‘Lager Vondelstraat’. In het kolossale pand werden van joden geroofde bezittingen opgeslagen voordat ze werden afgevoerd naar Duitsland. Maar ook Duitsers in Amsterdam konden er meubels en huisraad uitzoeken om hun – eveneens van gevluchte, ondergedoken of gedeporteerde joden gestolen – kantoren en woningen mee in te richten.
‘Ik heb van Duitse en Nederlandse instanties en functionarissen uitgezocht of ze verhuisd zijn in 1942 en 1943 en ja hoor, je ziet ze van een klein straatje in West of de Pijp verhuizen naar een mooie straat of brede laan in Zuid of de Rivierenbuurt. Je had ook particulieren die een brief schreven: “Ik ben Rijksduitser of NSB’er en ik woon heel klein, kunt u iets voor me betekenen?”’
Lokadres
Al vindt Stigter het hedendaagse Amsterdam zo mooi dat dat afleidt van het verleden, toch is ze zich altijd bewust van de geschiedenis, zegt Stigter op de brede stoep bij de Vondelkerk. ‘Doordat ik al zo lang aan de Atlas werk, realiseer ik me voortdurend wat er overal om ons heen is gebeurd. Er is geen ontkomen aan.’
De middelbare school van haar dochter bijvoorbeeld staat in de Gerrit van der Veenstraat, tijdens de bezetting de Euterpestraat, in het gebouw van het hoofdkwartier van de SD. ‘Waar toen de cellen waren, is nu de fietsenstalling.’
‘Doordat ik al zo lang aan de Atlas werk, realiseer ik me voortdurend wat er overal om ons heen is gebeurd. Er is geen ontkomen aan.’
Haar zoon zat op de crèche op het Cornelis Troostplein in het gebouw waar het Politiebataljon Amsterdam zat, een door de nazi’s opgeleide politie-eenheid, die aan razzia’s meewerkte. En nu zit hij op de 3e Daltonschool in de Van Ostadestraat. Daar, op nummer 203, zat in de jaren dertig de joodse Herman Elteschool, die in de oorlog als snel onder gezag kwam van de Joodse Raad. De meeste kinderen en leerkrachten zijn weggevoerd en vermoord.
‘Ik denk er altijd even aan als ik op die school ben. In dezelfde straat was een “lokadres” voor Joodse onderduikers.’
Verkleed als verpleegster
Een rondje om de kerk voert onder meer langs Vondelstraat 110, waar in de oorlog Mirte en Bob de Boer-Wijnsouw woonden. Bij hen dook eerst de Oostenrijks-Joodse fotografe Maria Austria onder en later ook verzetsman Henk Jonker. ‘Die verfde zijn haar zwart en ging verkleed als verpleegster de straat op,’ vertelt Stigter. ‘Soms flirtten Duitse soldaten met hem.’ Maria Austria en Henk Jonker maakten een fotoreportage over de Hongerwinter in Amsterdam, waarvan maar een paar foto’s bewaard zijn gebleven.
Ze loopt verder langs het huis – niet in de Atlas – waar P.C. Hooftprijswinnares Judith Herzberg (1934) nog onlangs het ontroerende toneelstuk Opgediept schreef (nog tot 3 mei opgevoerd door De Theatertroep) waarin ze laat zien hoe hartverscheurend moeilijk het voor ouders geweest moet zijn om hun kind af te staan aan vreemden. In de onderduik zou zo’n kind ‘geadopteerd’ door een niet-joods gezin meer kans maken om te overleven. Een paar huizen verder probeert musicus Han de Vries (1941) zijn onderduikverleden als jongetje en het kampverleden van zijn ouders van zich af te schilderen.
‘Er is materiaal voor wel duizend boeken en duizend films te vinden in mijn Atlas,’ zegt Stigter nadat ze heeft gewezen op nummer 140, destijds een van de twee illegale gokhuizen in de straat, ontruimd na een tip van collaborateur Dries Riphagen nadat de SD het eerst dagenlang had geobserveerd vanuit de Vondelkerk.
Een van die duizenden films zal worden gemaakt door haar echtgenoot Steve McQueen, beeldend kunstenaar en regisseur van de succesfilms Twelve Years a Slave en Widows. Ze wil er nu ‘echt helemaal niets’ over kwijt, behalve dat het absoluut geen speelfilm zal worden – ‘geen idee waarom dat zo in de publiciteit is gekomen’ – maar een documentaire. ‘Mijn boek is het scenario, just wait and see.’
Broodroof
Aan het eind van de Vondelstraat staat ze even stil bij een van de grote stadsvilla’s die hier aan het eind van de negentiende eeuw aan de rand van het Vondelpark zijn gebouwd. Het park zelf was verboden voor joden, maar hier, op nummer 99, woonde de bekende Duits-joodse filmregisseur Ludwig Berger, die al voor de oorlog onderdak bood aan joodse acteurs op de vlucht.
‘Er is materiaal voor wel duizend boeken en duizend films te vinden in mijn Atlas.’
‘Dankzij een vals paspoort zonder het stempel “J” werd hij ongemoeid gelaten,’ vertelt Stigter. ‘In zijn huis op nummer 99 organiseerde Berger in de lente van 1943 “zwarte voorstellingen”, de eerste was A Midsummer Night’s Dream, in het Engels, met beroepsacteurs als Kees Brusse en Guus Hermus, maar ook amateurs.’ Toen de Duitsers een keer een inval deden, vluchtte iedereen die geen papieren had weg via de achtertuin.
Het huistheater moest wegens succes al snel weer worden gesloten: acteurs die in tegenstelling tot Berger wél hadden getekend voor de door de nazi’s verplicht gestelde Kultuurkamer, zagen de illegale voorstellingen – nota bene in het Engels – als broodroof en protesteerden.
Onverteld verhaal
Als ze terugloopt naar de Vondelkerk wijst Bianca Stigter op de enige Struikelsteen in de Vondelstraat, daar geplaatst ter nagedachtenis aan Henri Drukker, die woonde op Vondelstraat 172. Hij had zich samen met andere familieleden deels Arisch laten verklaren, om via de Calmeyerlijst te ontkomen aan deportatie. Later dook hij onder, maar hij werd opgepakt en op 8 april 1944 vermoord in Auschwitz.
‘Die Stolpersteine vormen allemaal samen een van de grootste en mooiste monumenten van Europa,’ zegt Bianca Stigter. ‘Ik was eind vorig jaar met mijn ouders bij de plaatsing van zo’n gedenksteen voor uitgever Emanuel Querido, die in 1943 in het concentratiekamp Sobibor is vermoord. Kunstenaar Gunter Demnig heeft al honderden van die steentjes geplaatst in Amsterdam, deze ligt voor de deur van Keizersgracht 333 waar Querido in 1915 zijn uitgeverij begon. Heel indrukwekkend. Demnig doet dat werk helemaal zwijgend, in een soort stratenmakersoutfit. Zo legt hij een internationaal netwerk aan van inmiddels tienduizenden steentjes, heel afwezig en heel aanwezig tegelijkertijd.’
K. Schippers las bij die gelegenheid in zijn rol van stadsdichter zijn gedicht ‘Naam en adres’ voor, met de eerste regels:
Mensen die sneuvelen in mei 1940 of dan zelf
al niet meer willen leven, Joden, onderduikers,
verzetsmensen, hun namen en adressen vereeuwigd
op een muur bij het Roelof Hartplein. Ze wonen
in huizen van een coöperatie:
de Samenwerking. Toen ik werd geboren, leefden
ze nog allemaal.
Er woonden voor 1940 tachtigduizend joden in Amsterdam, zegt Bianca Stigter, en zestigduizend van hen werden in vijf jaar tijd vermoord door de nazi’s. ‘Van velen van hen blijft het verhaal ook in mijn Atlas onverteld. Vaak zijn het adres en geboorte- en sterfdata het enige wat rest. Je hoopt dan bijna dat ze nog iets hebben uitgehaald zodat ze in de politierapporten zijn terug te vinden. Verder zijn ze voorgoed verdwenen.’
Bianca Stigter, Atlas van een bezette stad. Amsterdam 1940-1945, verschijnt eind mei bij Atlas|Contact, 592 p., € 65,–.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.