Dit verhaal is ook te beluisteren.

Het verorberen van thrillers en detectives die niet al te beroerd geschreven zijn, is een bevredigende bezigheid. Dat komt door de ordening die ze aanbrengen. Eerst wordt er verwarring gezaaid, maar aan het eind van het boek is er helderheid en overzicht. Mysteries zijn opgelost, geheimen onthuld en complotten blootgelegd.

Wat misdaadverhalen ook ordenen, is de verhouding tussen goed en kwaad. Per definitie is er sprake van onmiskenbare slechteriken: moordenaars en verkrachters, terroristen, hun handlangers of opdrachtgevers, corrupte machthebbers en misdaadverdoezelaars. En er zijn slimme, heldhaftige figuren die ervoor zorgen dat de slechteriken worden opgespoord en ontmaskerd, opgepakt en berecht. Dat kunnen beroepsspeurders zijn, zoals rechercheurs, privédetectives, advocaten en misdaadjournalisten. Of amateuronderzoekers die bij een criminele zaak betrokken zijn geraakt.

Variatie komt van de manier waarop de twee partijen tegen elkaar worden uitgespeeld. Hoe dichter ze elkaar naderen, hoe spannender het wordt. De misdaadbestrijder achtervolgt de dader, komt steeds dichter in de buurt, en soms draaien de rollen om en achtervolgt de dader degene die haar/hem op de hielen zit. Die toenadering is ook een mentaal proces. De speurder probeert in het hoofd van de slechten te kruipen. Om net als de onbekende of verdwenen misdaadplegers te gaan denken: motieven achterhalen, drijfveren doorgronden, gedrag voorspellen.

Dit interview komt uit onze 42ste Detective en Thrillergids. Daar recenseerden maar liefst 335 nieuw verschenen thrillers voor. Bestel ‘m hier of blader door de recensies online.

Vergelding

De speurder moet de dader wórden. Daarbij kan de grens tussen goed en kwaad verschuiven. ‘Ik ga je doodschieten,’ zegt rechercheur Bennie Griessel als hij tegen het eind van Donkerdrif tegenover de man staat die hij het hele boek lang heeft gezocht.

De nieuwste thriller van de Zuid-Afrikaanse successchrijver Deon Meyer begint met de koelbloedige moord op een politieman. Bennie Griessel en Vaughn Cupido, het rechercheursduo uit Meyers ijzersterke serie, komen erachter wie hun collega heeft omgebracht. Bij een politie-inval is de man ontwapend en kan hij geweldloos worden gearresteerd. Maar voor Griessel is dat niet voldoende. Hij is uit op vergelding, en met het getrokken pistool neemt hij ook het recht in eigen hand. Het gevaar dat dan dreigt, komt niet van de slechterik. Het komt uit onze held.

Het komt neer op een morele kwestie: hoeveel kwaad is gerechtvaardigd om het kwaad te bestrijden?

Die was na zijn vorige avontuur al door zijn meerderen gestraft wegens het frustreren van een lopend onderzoek. Een weerloze verdachte doodschieten zou het einde van zijn carrière betekenen, en het einde van Meyers fijne serie. De lezer heeft, als machteloze getuige, tegenstrijdige verlangens. Je wilt Griessel behoeden voor een misstap. Als een van staatswege aangestelde misdaadbestrijder hoort hij een systeem te dienen dat verdachten pas veroordeeld na een berechting. Maar ergens wil je ook dat hij de trekker overhaalt. Om de vertegenwoordiger van het kwaad voorgoed uit te schakelen. Om verlichting te brengen in Griessels getergde gemoed.

Dat de held daarmee verandert in de moordenaar is minder van belang. Daar wordt het interessant. In misdaadverhalen is het geweld van de slechteriken gewetenloos. Als hun achtervolgers geweld gebruiken, is dat gemotiveerd. Het dient een hoger doel, en met de dieners daarvan leeft de lezer doorgaans mee. Die inleving omvat een morele kwestie: hoeveel kwaad is gerechtvaardigd om het kwaad te bestrijden?

Lees ookDe VN-Thriller van het Jaar: ‘Een boek vol doodenge, onverschillige portretten’31 mei 2021
De lijdende held

De held die dit dilemma teweegbrengt, is tekenend voor de modernisering van het misdaadgenre. Sherlock Holmes en Hercule Poirot stonden niet opgefokt met pistolen te zwaaien. Zij waren uitermate afstandelijke speurders die moorden oplosten door superieur denkwerk en observatievermogen. Hun eigen biografie deed er niet toe, en als er iets opspeelde uit hun binnenste, dan was dat speurdersintuïtie. Tegenwoordig is de onbewogen, blanco misdaadbestrijder een uitzondering.

De Britse schrijfster S.J. Bennett voert een topexemplaar op in het dit jaar uitgekomen Moord op Windsor Castle: de oude koningin Elizabeth, het ultieme voorbeeld van discretie en onbewogenheid, blijkt in dit geestige moordmysterie in het geheim een soort Miss Marple. Een James Bond-achtige distantie vind je ook onder de helden van hard boiled-actiethrillers. Maar sinds de intrede van de crime noir is de lichtvoetigheid van zo’n onaantastbare sjabloonfiguur verdrongen door de zwaarte van de lijdende held.

In zijn of haar binnenwereld resoneert chaos en duisternis. De misdaadbestrijder heeft niet alleen de daders tegenover zich, maar bevecht ook innerlijke tegenstanders: vertwijfeling, traumatische ervaringen in de jeugd of op het werk, moedeloosheid vanwege een getroebleerd liefdesleven en/of de eenzaamheid die gepaard gaat met een excentrieke persoonlijkheid. Slechte karaktereigenschappen leiden tot botsingen met naasten en collega’s, verslavingen liggen op de loer. Spanningsopbouw komt in misdaadverhalen van externe factoren: de tijdsdruk van een aangekondigde aanslag, een seriemoordenaar die in de versnelling zit, meerderen die ontploffen als er geen voortgang wordt geboekt in een zaak waar de media lucht van hebben gekregen. Nu de held een gevoelsmens is geworden, loopt de spanning ook op in diens gemoed.

Een veelgebruikte, soms nogal voorspelbare strategie om die interne spanning op te voeren, is dat de naasten van de held door de slechterik van dienst op de korrel worden genomen. Geliefden, familieleden of collega’s worden bedreigd, ontvoerd of omgebracht. Dat maakt de op te lossen zaak een persoonlijke kwestie. Het vergroot de noodzaak van de speurder om de dader te pakken te krijgen, en het begrip van de lezer voor de momenten dat deze de controle verliest.

‘Hij herkende zijn eigen stem niet,’ schrijft Wim Bax in zijn recente debuutthriller Hou het stil als hoofdpersoon Jacob zijn opgebouwde razernij uitleeft op een man die hem bedreigt. ‘Je vermoordt hem!’ roept iemand die het ziet gebeuren. ‘Nou en, dacht Jacob. Alle woede over wat hem en zijn familie was aangedaan balde samen in zijn handen. Grommend drukte hij zijn vingers dieper in de kloppende hals.’

Strikt verboden

Vreemd eigenlijk. In het echte leven wordt geweld als uitlaatklep ten strengste afgekeurd. De wandaden van een ander bieden geen enkele rechtvaardiging voor een fysieke afstraffing. De omstanders die afgelopen april in Amsterdam de auto vernielden van een oplichter die een bedrogen vrouw overreed toen ze verhaal bij hem kwam halen, zijn opgepakt wegens vernieling van een eigendom. In detectives en thrillers is eigenrichting, mits uitgevoerd door de goeden, best geoorloofd als het een zaak vooruit kan helpen of afronden. Liegen en bedriegen mag. Het ontvoeren en een beetje martelen van een onwillige getuige ook.

In De moordclub (op donderdag) van Richard Osman introduceert de Britse schrijver een viertal bewoners van een woongemeenschap voor ouderen die moorden oplossen door politiedossiers te ontvreemden, bedrijfsgegevens te stelen en illegaal lijken op te graven. ‘Na een bepaalde leeftijd kun je je praktisch alles permitteren wat er in je hoofd opkomt,’ is de bevrijdende ervaring van de pensionado’s. Opperspeurder Elizabeth sluit rustig een verdachte pater op in een kapel om hem via een gelogen biecht onder druk te zetten. Zo had ze al veel mensen ‘tot een soort rechtvaardigheid gebracht’, schrijft Osman. ‘Waren er advocaten? Was er een procedure? Zeker niet. Nooit iets fysieks, dat was niet Elizabeths stijl. Psychologie was het sleutelwoord.’

Het is alsof wetsdienders in detectives en thrillers uitleven wat zij in de werkelijkheid niet mogen.

Groot is het contrast met de beperkte handelingsruimte van échte misdaadbestrijders. Uitlokking door rechercheteams die drugsbendes of pedofielennetwerken proberen te ontmantelen, is in werkelijkheid strikt verboden. Een verhoor is alleen bruikbaar als er geen druk is uitgeoefend op verdachten. Elke stap in een onderzoek moet minutieus worden geadministreerd. Voor een politieoptreden waar geweld aan te pas komt, moet de sterke arm der wet zich in een democratische samenleving uitputtend verantwoorden. Als daar doden bij vallen, zit de politie in de publieke opinie altijd verkeerd.

Uitwassen in de Verenigde Staten (George Floyd) en in Nederland (Mitch Henriquez) tonen aan hoe belangrijk het is dat een handhavende macht met een geweldsmonopolie streng wordt gecontroleerd. Fysiek geweld en geschiet met wapens is alleen gerechtvaardigd in extreme omstandigheden, en ook dan kan er een aanklacht volgen van burgers of justitie. Handhavers worden uitgerust met bodycams om hun daden achteraf te kunnen analyseren. Omgekeerd proberen filmende burgers via sociale media optredende agenten of ME’ers te ‘framen’ als geweldenaren, met persoonlijke bedreigingen tot gevolg.

De handelingsvrijheid van fictieve misdaadbestrijders lijkt hier wel omgekeerd evenredig aan. Het gebruiken van de vuisten bij een ondervraging onderstreept in een misdaadverhaal dat de held lekker fanatiek is. Een extra trap in de ballen van een geboeide crimineel heeft diegene steevast verdiend. Schiet de held van het verhaal een langgezochte moordenaar bij de uiteindelijke confrontatie morsdood, dan is dat doorgaans niet het begin van een gerechtelijke lijdensweg voor de gebruiker van het dienstwapen. Het is alsof wetsdienders in detectives en thrillers uitleven wat zij in de werkelijkheid niet mogen. En wat gewone burgers ook niet is toegestaan: de inbreker in je woning tot moes slaan, en de viezerik die aan je kind heeft gezeten naar de andere wereld helpen.

Omnipotentie

Deon Meyer weet de frustratie van Bennie Griessel die hem tot eigenrichting drijft inzichtelijk te verwoorden. In Donkerdrif – de titel verwijst niet alleen naar een landgoed dat centraal staat in de politiethriller, maar ook naar de donkere driften van de held – wil Griessel per se meedoen aan de zwaarbewapende inval bij de politiemoordenaar. Dat is niet alleen om recht te doen aan de omgebrachte collega. De verdachte houdt een student in gijzeling die net zo oud is als Griessels studerende zoon met wie hij een slechte relatie heeft. En hij weet bij voorbaat al wat zijn psychiater daarover zal zeggen. Zijn behoefte om in eigen persoon de student te redden, gaat eigenlijk over die zoon. En als Griessel flipt bij de confrontatie met de ontvoerder, is dat een omkering van zijn eigen onmacht.

‘Je ziet moord en doodslag om je heen, je weet dat het jouw verantwoordelijkheid is om je vrouw en kinderen te beschermen. En dan besef je dat je dat niet kunt.’ De psychiater noemt dit ‘omnipotente verantwoordelijksschuld’. Omnipotent omdat Griessel ‘het gevoel heeft dat hij de macht heeft om alles te doen, iedereen te beschermen. Dat komt vaak voor bij politiemensen, want ze raken gewend aan de macht om te beschermen, om het recht te laten zegevieren.’

Omnipotentie is een goed woord voor de positie die fictieve misdaadbestrijders innemen. En voor de bijzondere vermogens die hun worden toebedeeld. Ze ontwaren sporen die niemand anders ziet, doorzien leugens, ontcijferen geheime codes. Ze horen de doden fluisteren. Hun ziel en zaligheid stellen ze in dienst van hun opdracht: recht doen aan de slachtoffers. En daardoor mogen ze nét iets meer dan gewone stervelingen.

Een morrend gevoel in zijn lijf

‘De kartonnen dozen stonden in de kledingkast,’ luidt de beginzin van De Katharinacode van de Noorse bestsellerauteur Jørn Lier Horst. ‘Het waren er drie en Wisting pakte de grootste.’ Vierentwintig jaar al piekert rechercheur William Wisting over de onopgeloste verdwijning van ene Katharina. ‘In de dozen zat alles wat er in de zaak Katharina was geschreven en gedaan. Strikt genomen zou hij deze documenten niet in huis mogen hebben, maar ze verdienden het niet om in een archief opgeborgen te liggen. Nu ze in zijn kledingkast stonden, moest hij elke keer dat hij een schoon overhemd pakte weer aan de zaak denken.’

Meteen is duidelijk dat voor deze speurder de verdwenen en waarschijnlijk vermoorde vrouw, die hij niet kende, een persoonlijke kwestie is. Een ‘morrend gevoel in zijn lijf’ brengt hem er regelmatig toe opnieuw in de zaak te duiken, om tegenspel te leveren aan zijn machteloosheid als leider van het toenmalige onderzoek. Duidelijk is ook dat hij daarbij de opbergingsvoorschriften, die de onderzoeksresultaten veiligstellen en toegankelijk maken voor anderen, aan zijn laars lapt. Een beetje heroïsche misdaadbestrijder heeft namelijk een grondige hekel aan regelarij die zijn actiebereidheid stremt.

Thrillers en detectives spiegelen de behoefte van de gewone burger om zich te verzetten tegen ambtenaarsgeneuzel, starre voorschriften en de belastingmaffia.

Functioneert de moderne held binnen een organisatie, dan eist hij of zij daarbinnen een vrije rol op. Razend worden Bennie Griessel en Vaughn Cupido in Donkerdrif als de kantonrechter bij wie ze een huiszoekingsbevel moeten aanvragen het duo confronteert met het wetsartikel waarin staat dat daar ‘gegronde redenen’ voor moeten zijn. Blijkbaar weet de vrouw niet dat de intuïtie van een speurdersheld onfeilbaar is. ‘Ze is niet in een goede bui. En ze is erg arrogant. Ze zegt nee.’

De meerderen van de hoofdpersonen leveren steevast tegenwerking. Ze geven de zaak waar de helden zich in vastbijten geen prioriteit. Of ze halen de speurneuzen ervan af, waarop die er in het geheim toch mee doorgaan.

Dat misdaadbestrijders karakterologisch vaak niet in staat zijn om zich te voegen naar alle regels die hun werk nou eenmaal met zich meebrengt, is in thrillers en detectives een kwaliteit. En ook daarin weerspiegelen ze de behoefte van de gewone burger om zich te verzetten tegen ambtenaarsgeneuzel, overheidsvoorschriften, starre werkgevers en de belastingmaffia.

Volksgericht

Jake Brigance, de bevlogen advocaat die John Grisham laat terugkeren in zijn nieuwste rechtbankthriller Een tijd voor genade, zoekt de grens op van het toelaatbare bij zijn verdediging van een jongen die zijn stiefvader heeft omgebracht. Het is 1990, in Kansas staat op moord de doodstraf en met zestien jaar wordt de dader berecht als een volwassene. Een truc die Brigance toepast in de aanloop naar de zitting is het verstoppen van een belangrijke getuige zodat de advocaten van de tegenpartij haar niet kunnen ondervragen. Zijn jonge assistente vindt dat vuil spel: ‘Gaat het om het winnen, Jake, of om waarheid en gerechtigheid?’

De held van het verhaal en de lezers staan in Grishams ijzersterke vertelling aan de kant van de moordenaar. Wij weten hoe verschrikkelijk de jongen, zijn zus en zijn moeder door de stiefvader werden mishandeld. De jongen schoot hem door z’n hoofd toen zijn moeder na de zoveelste afranseling bewusteloos was en haar zoon dacht dat zijn stiefvader haar had doodgeslagen. Maar Brigance staat alleen in zijn overtuiging dat de dode hier de slechterik is. Hij was een politieman, en hoewel hij bekend stond als een explosieve alcoholist, keren de plaatselijke politiemacht en de publieke opinie zich tegen de advocaat die deze politiemoordenaar verdedigt. Het volksgericht dat Brigance over zich heen krijgt, treft hem en zijn naasten.

Onbegrepen buitenstaander

Eigenrichting door de massa draagt in eigentijdse misdaadverhalen wel vaker bij aan de druk die op de hoofdpersonen wordt uitgeoefend. Schrijver Wim Bax keert daarvoor terug naar de jaren zestig, en naar het benepen plattelandsdorp dat Jacob Wesseldijk was ontvlucht. Zijn zwaar autistische broer heeft hun liefhebbende moeder vermoord, en voor de geloofshysterische dorpsbewoners is de rare snuiter de verpersoonlijking van het kwaad. Bax voert in Hou het stil wraakzuchtige geesten op, maar de echte horror schuilt in de volkswoede die zich richt op de onbegrepen buitenstaander.

Zoiets gebeurt ook in Valentijn, het geweldige debuut van de Amerikaanse Elizabeth Wetmore. Het veertienjarige meisje dat in het Texas van 1979 bruut is verkracht door een lokale dronken jongeman, is de dochter van een illegaal in Amerika werkende Mexicaanse. Een vrouw die in de mozaïekvertelling tegen de verkrachter wil getuigen, wordt via telefoontjes bedreigd omdat ze haar eigen volk verraadt. ‘Ik neem op en luister. Ik wil hun stemmen horen, voor het geval ik ze op straat hoor, bij de buurtsuper, tijdens het proces. Man of vrouw, jong of oud, ze zeggen allemaal hetzelfde. Kies jij partij voor dat Mexicaanse uitschot? Geloof je haar eerder dan hem?’

De macht van een veroordelende volksmassa wordt door de schrijvers geschaard onder het kwaad. De eenling die deze tegenkracht moet weerstaan, mag de grens van het goede overschrijden.

Het verleden wordt in deze misdaadverhalen gebruikt als een voorbode van het volksgericht dat tegenwoordig via sociale media wordt voltrokken. In De overlevenden van de Australische auteur Jane Harper komt de dreiging van de internethub die bewoners van een stranddorp op het eiland Tasmanië uitnodigt om met elkaar bij te kletsen. Als er een jonge vrouw wordt vermoord, roepen anonieme bijkletsers op om de strandtent waar ze werkte te boycotten. De dader moet volgens de plaatselijke forumbezoekers gezocht worden onder ‘toeristen, vastelandsbewoners en schimmige vreemdelingen’, constateert hoofdpersoon Kieran. ‘Schijnbaar was alles beter dan dat het een van hen zou zijn.’

Kieran is terug op zijn geboorteplek om zijn ouders te helpen verhuizen vanwege de dementie van zijn vader. Zijn grootste angst is dat zijn vader, die zich uiterst vreemd gedraagt, door de reagurende bewoners als verdachte wordt gezien. Kilmakend is het moment dat hij, scrollend door de forumbijdragen, de naam van zijn vader tegenkomt: die dwaalde rond op het strand in de nacht dat de moord werd gepleegd.

De macht van een veroordelende volksmassa wordt door de schrijvers ondubbelzinnig geschaard onder het kwaad. De eenling die deze tegenkracht moet weerstaan, mag in het bestrijden van het kwaad de grens van het goede overschrijden. Dat is in misdaadverhalen nou eenmaal het voorrecht van de held. Het is aan de lezer om uit te zoeken of de porties eigenrichting die de moderne misdaadbestrijder noodzakelijk acht onze eindeloze bewondering verdienen.