In de week dat scholierenplatform LAKS ervoor pleitte leerlingen niet langer als ‘jongens en meisjes’ aan te spreken vanwege gendergevoeligheden, gevolgd door de voorspelbare woeste reacties op de sociale media, vlamde in de culturele wereld de discussie op over de rol die diversiteit moet spelen in het verdelen van subsidies.
Volgens het jongste advies van de Raad voor Cultuur moeten culturele instellingen voor het eerst afgerekend gaan worden op diversiteit en inclusie bij hun subsidieaanvraag, evenals bij de beoordeling van de artistieke kwaliteit. En dan gaat het niet alleen om culturele diversiteit, maar om alle diversiteit, ‘niet verengd tot kleur’, zoals voorzitter Kristel Baele het uitdrukte.
Op zichzelf is het al bijzonder glad ijs om artistieke kwaliteit op diversiteit en inclusie te willen beoordelen. Bij jonge toneelgezelschappen in de Randstad zou je je daar misschien nog iets bij kunnen voorstellen, maar wat moet een symfonieorkest ermee, of een museum voor Middeleeuwse kunst, of een folkloristisch toneelgezelschap in de provincie? De Raad voelt de bui zelf kennelijk ook hangen, door alvast verschil te maken tussen verschillende regio’s. In de woorden van de voorzitter: ‘De raad realiseert zich goed dat diversiteit anders is in Arnhem, Rotterdam of Leeuwarden.’ Zo kunnen ook sociaaleconomische tegenstellingen en culturele verschillen binnen de bevolkingssamenstelling van de regio van de betreffende instelling meewegen. Maar ook dan is de vraag: hoe werkt dat in de praktijk?
Wie zegt alle vormen van diversiteit te willen beoordelen, zegt eigenlijk helemaal niets.
Tegen de achtergrond van de overwinning van BoerBurgerBeweging bij de Statenverkiezingen en de opvlammende discussie over de kloof tussen stad en platteland krijgt het advies van de Raad voor Cultuur een nog zwaardere lading. Worden culturele instellingen in de provincie straks inderdaad anders gewogen dan in de Randstad? Hoeven toneelgezelschappen en musea in de regio dan geen aandacht te besteden aan Randstedelijke discussies over gender en dekolonisatie, maar moeten ze zich wel richten op sociale achterstelling in de Veenkoloniën of culturele gebruiken als carbidschieten en Paasvuren in Salland, die ook een rol spelen in diversiteit? En zo ja: wie zegt dat het publiek in de provincie niet geïnteresseerd zou zijn in Randstedelijke discussies?
Precies dat is het probleem: wie zegt alle vormen van diversiteit te willen beoordelen, zegt eigenlijk helemaal niets. Dat culturele instellingen zich eraan committeren een breder publiek aan te spreken, lijkt me vanzelfsprekend: dat is op termijn ook in hun eigen belang, in het veranderende Nederland. Maar artistieke kwaliteit gaan toetsen aan vage diversiteitscriteria leidt alleen maar tot nodeloze verwarring.
Zo dreigt de culturele wereld door toedoen van goedbedoelende bestuurders dezelfde kant op te gaan als de universiteiten, waar subsidieaanvragen in toenemende mate worden beoordeeld op aandacht voor diversiteit – op zichzelf een belangrijk maatschappelijk thema, maar een onzinnig criterium voor de beoordeling van de vrije wetenschap.
Staatssecretaris Gunay Uslu verklaarde in oktober dat de nieuwe subsidieronde in 2025-28 ‘rust en vereenvoudiging’ moest brengen. Het advies van de Raad voor Cultuur leidt tot het tegenovergestelde. Voor je het weet, wordt artistieke vrijheid geofferd aan de politiek van de goede bedoelingen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.