Gerben Meynen, Hoogleraar forensische psychiatrie (UU) en hoogleraar ethiek (VU)

‘Vanuit de forensische psychiatrie ben ik vooral geïnteresseerd in het omgekeerde van verantwoordelijkheid: ontoerekeningsvatbaarheid. Het strafrecht gaat ervan uit dat verdachten in principe verantwoordelijk zijn voor hun gedrag. Maar het kan voorkomen dat iemand strafbaar gedrag heeft vertoond maar geen schuld heeft, omdat hij ontoerekeningsvatbaar is. Om te weten of een verdachte ontoerekeningsvatbaar is, kan een rechter of officier van justitie vragen om een rapportage van een forensisch psychiater of psycholoog. Die stelt de vraagt: “Was er sprake van een stoornis op het moment van de daad die ten laste wordt gelegd?”

Als dat zo is, is de vervolgvraag: “In hoeverre was die stoornis van invloed op het delict?” Een stoornis als smetvrees hoeft bijvoorbeeld geen doorwerking te hebben in een bankoverval. Maar het kan bij een mishandeling zo zijn dat een verdachte in een psychose dacht dat hij of zij bijna werd aangevallen, en meende uit zelfverdediging te handelen. Soms worden hersenscans gemaakt als aanvullende methode om bijvoorbeeld een stoornis als dementie vast te stellen.

Het bijzondere aan het Nederlandse strafrecht is dat er ook verminderde toerekeningsvatbaarheid kan worden vastgesteld. Maar de criteria voor wat geldt als ontoerekeningsvatbaarheid zijn in Nederland niet vastgelegd. Veel andere landen hebben wel zulke criteria, zoals: “Door een stoornis wist een persoon niet dat hij/zij verkeerd handelde.” Toen ons Wetboek van Strafrecht werd ingevoerd, lang geleden, was het idee dat criteria te beperkend zijn. In de praktijk zie je dat regelmatig de terminologie uit het buitenland wordt gebruikt. Maar voor de rechtsgelijkheid, duidelijkheid en transparantie denk ik dat het goed is om ook in Nederland vast te stellen: zó bepalen we ontoerekeningsvatbaarheid.

Je hebt hersenwetenschappers die zeggen dat het strafrecht niet op verantwoordelijkheid gebaseerd moet zijn, omdat vrije wil niet bestaat. Dat zou onder meer blijken uit het beroemde Libet-experiment, waarbij een paar honderd milliseconden voor iemand een handeling verrichtte, in de hersenen al een karakteristiek signaal werd gemeten. “Het brein is eerst, het bewustzijn hobbelt erachteraan.” In plaats van op “verantwoordelijkheid” en “straf”, stellen sommigen, zou in het strafrecht ingezet moeten worden op “veiligheid” en “risicomanagement”. Dan kun je iemand wel vastzetten, maar uit veiligheidsredenen – om een nieuw misdrijf te voorkomen – in plaats van om te straffen. Zoals quarantaine in het ziekenhuis. Maar deze visie wordt niet breed gedeeld.’

Lisbeth Verharen, Lector Versterken van Sociale Kwaliteit (Hogeschool Arnhem en Nijmegen)

‘Waarom hebben we het begrip “eigen verantwoordelijkheid” eigenlijk nodig? Het kan heel positief zijn, dat je zelf keuzes kan maken en zelf verantwoordelijk bent voor de gevolgen. Maar we zijn het steeds meer gaan gebruiken om mensen op zichzelf terug te werpen: “Je bent er zélf verantwoordelijk voor.” Voor mij is het een begrip met een negatieve connotatie geworden. De mogelijkheden voor het kunnen dragen van eigen verantwoordelijkheid zijn nogal verschillend verdeeld. En de omstandigheden waarbinnen mensen leven, zijn ook heel verschillend. Genoeg inkomen is belangrijk, maar ook of je gezondheid goed is of niet. En of je verantwoordelijkheden met een partner kunt delen. Onder het mom “de zorgkosten rijzen de pan uit” doet de overheid steeds meer appèl op de verantwoordelijkheid van mensen zelf en hun eigen netwerk. Terwijl “eigen netwerken” heel sterk verschillen, niet alleen in kwantiteit maar ook in kwaliteit.

‘Gezien de ontwikkelingen die op ons afkomen, is aandacht voor hoe we dingen eenvoudiger kunnen maken ontzettend belangrijk.’

Juist voor mensen die het toch al niet makkelijk hebben, is het leven ingewikkelder geworden. Het is je eigen verantwoordelijkheid welk zorgverzekeringspakket je kiest, of welke energieleverancier. Je eigen verantwoordelijkheid om informatie op te zoeken – terwijl een groot deel van Nederland laaggeletterd is. Om het leven voor mensen te versimpelen, is het allereerst belangrijk dat ze voldoende inkomen hebben. Daarnaast moeten de regelingen en voorzieningen waar mensen aanspraak op kunnen maken toegankelijker worden. Gezien de ontwikkelingen die op ons afkomen, zoals vergrijzing en toenemende eigen verantwoordelijkheden rond het ouder worden, is aandacht voor hoe we dingen eenvoudiger kunnen maken ontzettend belangrijk.’

Noémi Prent, Hoofdredacteur van Opzij

‘Mijn oma zei vaak: “Waarom moet ik een lampje minder branden, als in wolkenkrabbers van Philips alles de hele nacht aanstaat?” Als tiener vond ik dat irritant, ik was van de school “een betere wereld begint bij jezelf” en “alle beetjes helpen”. Maar ik ben hierop teruggekomen. Om zoden aan de dijk te zetten, moet het systeem op de schop.

Als in discussies over gendergelijkheid wordt gewezen naar vrouwen die deeltijdwerken, vind ik dat lastig. Er zijn altijd voortrekkers geweest in het feminisme; individuen op de barricaden. Juist persoonlijke verhalen kunnen leiden tot een collectieve beweging. Maar echt grote stappen krijg je vaak niet voor elkaar door “zelf eigen keuzes te maken”. Neem de focus op mannenlichamen in medische onderzoeken. Ik kan tegen mijn dokter zeggen: “Let hier en hier op, bij vrouwen zit dit net anders.” Maar ik wil niet dat die verantwoordelijkheid hoofdzakelijk bij mij ligt. Voor de echt grote stappen moet de overheid haar verantwoordelijkheid nemen.

In tijden van oorlog is individuele verantwoordelijkheid wél extra belangrijk, merkte ik toen ik het verzetsverleden van mijn overgrootouders onderzocht voor een podcast over Italianen in het Nederlands verzet. Al voor de oorlog zetten mijn overgrootouders hun huis open voor Italiaanse politieke vluchtelingen, die voor het fascisme waren gevlucht. En tijdens de oorlog ook voor Joden, met alle risico’s van dien. Ze hebben door die individuele verantwoordelijkheid te nemen honderden levens gered – net als talloze anderen, als deel van een eigen systeem.’

Elbert de Jong, Hoogleraar Privaatrecht (UU)

‘Overheden en grote uitstoters worden steeds vaker aangesproken op hun juridische verantwoordelijkheid om klimaatverandering tegen te gaan. Ik denk dat staten en bedrijven inderdaad die deelverantwoordelijkheid kunnen hebben. De vraag is natuurlijk: hoever reikt die verantwoordelijkheid? Daar wordt over geprocedeerd. Je kunt als staat of bedrijf zeggen: “Mijn uitstoot is in absolute zin zo beperkt dat het wegnemen van die uitstoot geen effect heeft op de klimaatverandering.”

In de zaak van Urgenda tegen de Nederlandse staat accepteerde de Hoge Raad deze redenering niet. De gedachte daarachter: als we het verweer van de staat accepteren dat de Nederlandse bijdrage beperkt is, dan kan in wezen iederéén dat verweer naar voren brengen. Het gevolg zou zijn dat rechtsbescherming tegen zoiets gevaarlijks als klimaatverandering bij voorbaat wordt uitgesloten. Ook in de uitspraak van de Rechtbank Den Haag in de Shell-zaak, die nu bij het gerechtshof ligt, zie je de gedachte van de Urgenda-uitspraak doorsijpelen. Als een grote uitstoter geen deelverantwoordelijkheid heeft, wie dan wel?

Lees ookKlimaatadvocaat Roger Cox: ‘Een klimaatrechtszaak is een filter voor bullshit’30 maart 2023

Dat neemt niet weg dat de omvang van de verantwoordelijkheid onderwerp is van debat. Dat zullen we ook zien in Shells hoger beroep. Volgens de uitspraak heeft Shell ook de verplichting om de uitstoten van “eindgebruikers” te verminderen: individuele consumenten of bijvoorbeeld bedrijven. Daarover is discussie. In Nieuw-Zeeland oordeelde de rechter in een soortgelijke zaak dat de uitstoot van een hele groep vervuilers tegelijkertijd aangepakt moet worden – en dat het niet aan de rechter is om de verantwoordelijkheid van een beperkte groep vast te leggen. De Nederlandse redenering spreekt mij meer aan, ondanks alle haken en ogen. Sommige wetenschappers en belangenorganisaties vinden zo’n procedure tegen Shell contraproductief, omdat concurrenten vervuilender of net zo vervuilend kunnen zijn: “Als je mij dwingt om mijn uitstoot te reduceren, springen anderen in dat gat.” Het gaat niet één-op-één op, maar je kunt de vergelijking maken met een drugsdealer die wordt opgepakt en zegt: “Morgen staat er weer iemand anders op de hoek van de straat.” Dat argument accepteren we ook niet.’

Lieke Asma, Filosoof en schrijver van Mijn intenties en ik. Filosofie van de vrije wil

‘Hoe maken we onderscheid tussen dingen die iemand doet uit vrije wil en dingen die iemand overkomen? Dat is een belangrijke vraag in het filosofische debat over morele verantwoordelijkheid en vrije wil. Mijn favoriete manier om dit onderscheid te maken, is het volgende uitgangspunt: om een vrije wil te hebben, moet je omwille van redenen kunnen handelen. Daarvoor moet je, naast reflecteren op je intenties en verlangens, ook de wereld kunnen begrijpen. Je moet weten wat diefstal is en welke consequenties diefstal heeft om te weten dat je niet moet stelen. Om een marathon te kunnen lopen, moet je weten dat je moet trainen. In de filosofische discussie over vrije wil blijft de rol van de omstandigheden waarin iemand leeft nog vaak onderbelicht.

‘We hebben zelf de verantwoordelijkheid om de wereld om ons heen te veranderen – misschien in het klein, misschien in het groot.’

Als maatschappij moeten we meer nadenken over hoe we elkaar verantwoordelijk willen houden. Wanneer je iemand aanspreekt, schiet diegene snel in de verdediging – een normale reactie. Maar hoe kunnen we leren om minder defensief te zijn en minder aanvallend? In relaties gaat dit denk ik vaker goed dan op sociale media of in het publieke debat. Enerzijds is woede als reactie soms passend, ook als het niet effectief is. Anderzijds schrijven mensen elkaar intenties toe – ook een normale reactie – maar soms krijg je een intentie toegeschreven die niet klopt: “Je ontkent het koloniale verleden van Nederland.” Terwijl je denkt: “Shit, ik wist dit gewoon niet.” Je moet elkaar de kans geven om te zeggen: “Dat was niet mijn bedoeling, ook al zie jij dat wel zo.”’

Sahand Sahebdivani, Verhalenverteller en oprichter van cultureel centrum Mezrab

‘Ik ben opgevoed door ouders die politiek gezien altijd op de voorgrond traden om de omstandigheden te veranderen. Ze zijn als vluchteling uit Iran hierheen gekomen, toen hier nog heel weinig Iraanse restaurants of ander plekken waren. Mijn vader begon direct met het oprichten van een plek waar de mensen die hij liefhad qua cultuur konden samenkomen en dingen konden initiëren. Voor mij was het duidelijk: dit is groter dan hijzelf. We hebben zelf de verantwoordelijkheid om de wereld om ons heen te veranderen – misschien in het klein, misschien in het groot.

In Mezrab zijn al onze voorstellingen in het Engels. Niet omdat ik niet van het Nederlands houd, maar om een plek te creëren die echt open is, ook voor mensen die hier net zijn. Met dit soort specifieke keuzes wil ik mijn gedrag in lijn brengen met mijn normen en waarden: voor een gezonde samenleving moeten mensen het gevoel hebben dat ze erbij horen, dat ze gezien worden en dat ze gehoord worden. Op een podium waar je verhalen kunt delen.
Toen mijn familie hier veertig jaar geleden naartoe kwam, leken mensen opener te zijn naar andere culturen en leek de samenleving minder op geld georiënteerd. Nederland heeft nog altijd een enorme vrijwilligerscultuur: mensen werken zich niet dood en steken een deel van de tijd die ze over hebben in de samenleving. Die kant, die niet met geld te maken heeft, wil ik benadrukken. Mijn vader is nog steeds betrokken bij het centrum. Hij maakt de soep.’