Dit verhaal is ook te beluisteren.
Goed wonen is zoveel meer dan vier muren en een dak boven je hoofd. Als je opgroeit op een plek waar je op straat gevraagd wordt om een pakketje ergens heen te brengen voor 100 euro handje contantje, of waar de buurvrouw je vraagt om even te helpen in de gemeenschappelijke moestuin is een wereld van verschil. Of je veilig bent op straat, of je de buren kan vragen om boodschappen te doen als je ongelukkig gevallen bent, of je een bibliotheek in de buurt hebt en of er groen is om in te ontspannen en bewegen. Het zijn allemaal aspecten die helpen bij een gezond, veilig en kansrijk leven. De ongelijkheid tussen wijken is niet toevallig en is ook weer op te lossen. Het ís maakbaar.
‘Het is wel mooi, maar het is niet voor mij.’ De man wijst naar de schitterende nieuwbouwwoningen in Rotterdam-Zuid in de buurt verderop en kijkt daarna om zich heen naar zijn eigen straat, waar de woningen en straten er zichtbaar slecht en vergeten bij staan. Dit horen we niet voor het eerst. We hebben overal in het land met gemeenten, bewoners en woningcorporaties in kwetsbare buurten gewerkt. In opdracht van Aedes – de koepel van woningcorporaties – deden we daarnaast grootschalig onderzoek naar leefbaarheid alle buurten in Nederland en hoe je die kunt verbeteren.
Om wijken te verbeteren zijn af en aan wijkaanpakken uitgeprobeerd, met als bekendste voorbeelden de Vogelaarwijken en het Nationaal Programma Rotterdam Zuid. Die wijkaanpakken zijn hard nodig als je naar de cijfers kijkt, want waar je opgroeit en woont, bepaalt steeds meer je kansen in het leven. De trends in volkshuisvesting in de afgelopen decennia hebben daar grote invloed op gehad.
Alleen maar nette mensen
Nederland kent een sterke traditie van volkshuisvesting, die niet alleen heeft gezorgd voor woningen, maar ook voor leefbare wijken. Woningcorporaties werden ruim honderdtwintig jaar geleden opgericht om de krotten en ziekmakende woonomstandigheden in de grote steden op te lossen – met succes. Internationale delegaties kwamen lange tijd op bezoek in Nederland om te ontdekken hoe het kan dat we hier geen onveilige buitenwijken hebben.
Het marktdenken werd ook voor het wonen omarmd. De sociale huursector moest kleiner worden.
Tot de jaren 80 woonden mensen van alle rangen en standen in sociale huurwoningen die overal in de stad te vinden waren. Woningcorporaties zorgden voor gezonde betaalbare woningen. Inkomensgrenzen waren er nog niet. Wie wilde huren moest lid zijn van een vereniging. Onder de leden werden de woningen toegewezen aan mensen die zich wisten te gedragen naar de normen van die tijd: ‘nette mensen’. Wie afwijkend was of op een andere manier niet aan de norm wist te voldoen woonde bij moeder thuis, het gemeentelijk woonbedrijf, in een instelling, een goedkoop pension of een particuliere huur- of koopwoning. Er waren destijds net zo goed mensen in een kwetsbare situatie, maar bij de woningcorporaties kwamen ze er simpelweg niet in. Dat werd toen nog heel gewoon gevonden.
Marginalisering van de sociale huur
Sindsdien is de volkshuisvesting drastisch veranderd. Het marktdenken werd ook voor het wonen omarmd. De sociale huursector moest kleiner worden. Wie geld had, werd gestimuleerd een woning te kopen. De sociale huurwoning was alleen nog bedoeld als vangnet voor mensen met de laagste inkomens.
Het aandeel mensen met een middeninkomen dat in een sociale huurwoning woonde liep daardoor snel terug. Waar er eerst een mix van middeninkomens en lage inkomens woonden, wordt tegenwoordig ruim driekwart van de sociale huurwoningen bewoond door mensen met een laag inkomen. 43 procent van de sociale huurders heeft tegenwoordig slechts een inkomen op bijstandsniveau. Onder hen zijn veel mensen die eerder in instellingen of onder begeleiding woonden.
Tegelijkertijd werden woningcorporaties gestimuleerd om woningen te verkopen. De markt moest meer ruimte krijgen en de sociale huur moest zichzelf kunnen bedruipen zonder staatssteun. Vanuit dit marktdenken werden woningen in populaire wijken verkocht of sterk in huur verhoogd. Sociale huurwoningen bleven over in de minder populaire wijken. Hier ontstond een tweedeling tussen wijken: de sociale huurwoningen concentreerden zich steeds meer in de minder goede wijken en de bewoners van die woningen waren steeds vaker arm en in een kwetsbare situatie.
Lange tijd leek de nieuwe inzet van sociale huur als vangnet goed te gaan. Maar in 2012 gaat het mis. Als we alle Nederlandse buurten vergelijken, dan valt op dat de leefbaarheid van de meeste buurten een stijgende lijn heeft: de verbetering loopt in alle buurten redelijk gelijk. In 2012 zien we een kentering. De wijken die tegenwoordig een dikke onvoldoende scoren, zijn vanaf dan achtergebleven en zelfs verslechterd, terwijl veruit de meeste goede wijken alleen maar beter werden. De verschillen tussen goede en slechte wijken zijn sterk toegenomen. Dit zien we terug in alles: op kaarten die leefbaarheid, veerkracht, ondermijnende criminaliteit, kansenongelijkheid en zelfs vertrouwen weergeven komen telkens dezelfde gebieden naar voren.
Nu wonen maar liefst 1,5 miljoen Nederlanders in een wijk waar het steeds slechter gaat terwijl het in de rest van het land wel steeds beter gaat.
Bezuinigingen treffen de zwakste wijken
Wat gebeurde er in 2012? De nasleep van de financiële crisis trof zo ongeveer alles wat invloed heeft op leefbare wijken. De Eurocrisis zette begrotingen van het Rijk, de gemeenten en ook semipublieke organisaties zoals woningcorporaties onder druk.
Bij de grootste woningcorporatie, Ymere, ging een streep door twee derde van alle investeringen. Eind 2011 werd besloten dat woningcorporaties zich niet meer mochten inzetten voor de leefbaarheid. Ze mochten alleen nog sociale huurwoningen bouwen, verhuren aan de laagste inkomens en jaarlijks een verhuurderheffing betalen aan het Rijk. Het was de definitieve doodsteek voor de wijkaanpak.
De herkenbare en aanspreekbare personen in de wijk – van zorg, welzijn, woningcorporatie en politie – maakten plaats voor digitale loketten en verzakelijking.
Het beroep op zelfredzaamheid van mensen en de roep om verzakelijking van het sociaal domein werd luider door de financiële noodzaak om te bezuinigen. In de jaren ervoor was al bezuinigd op gesubsidieerde arbeidsplaatsen en was de begeleiding van veel mensen met een (zorg)indicatie verdwenen.
Daar bleef het niet bij. In 2012 werden de verzorgingshuizen afgebouwd en in 2015 de sociale werkplaatsen. Vanaf 2013 werd de Nationale Politie opgericht. Er werden drieduizend banen geschrapt, met als gevolg minder blauw op straat. In 2015 werd de kostendelersnorm ingevoerd, die mensen die afhankelijk zijn van een uitkering ontmoedigde om samen te wonen en werd de toegang tot (zorg)voorzieningen beperkt. Kortom: het hele sociale domein werd gedecentraliseerd.
De herkenbare en aanspreekbare personen in de wijk – van zorg, welzijn, woningcorporatie en politie – maakten plaats voor digitale loketten en verzakelijking. Mensen moesten zich zelfredzaam tonen. Ook als je dat niet bent of kunt zijn en ook als je in een buurt woont waar iedereen de handen vol heeft aan zijn eigen problemen. Het zijn vooral de mensen die al kwetsbaar waren die de tol betalen, en zij wonen nou net door eerder beleid veelal in dezelfde wijken bij elkaar.
De weg vooruit
In 2016 werd het wonen nog verder geliberaliseerd. De toenmalige regering besloot dat de woningmarkt af was en dat de markt het verder kon oplossen. Het ministerie werd opgeheven. Recentelijk is er, mede dankzij een golf aan woonprotesten, weer hernieuwde interesse in volkshuisvesting. Het gaat tot nu toe vooral over zo veel mogelijk bouwen en het betaalbaarder maken van woningen. Gelukkig komt door een noodkreet van vijftien burgemeesters de aandacht voor leefbaarheid en ongelijkheid tussen wijken weer terug en heeft ook de rijksoverheid weer aandacht voor wijkaanpak.
Het goede nieuws is dat we goed weten wat we kunnen doen om de leefbaarheid te verbeteren. Deels zijn dat relatief simpele ingrepen: geen vervallen gebouwen met donkere portieken en onderdoorgangen, wel groene plekken om te spelen en te ontmoeten. Geen straat met alleen maar garageboxen op ooghoogte, wel lokale winkeltjes op de hoek.
Samen leven is een keuze
Een goede indicator van leefbaarheid is sociale cohesie. Loop maar eens rond in een wijk: zie je leven op straat, groeten mensen elkaar? Grote kans dat de mensen zich daar veilig en prettig voelen en bewoners tevreden zijn over de leefbaarheid. Dat ligt niet alleen aan hoe sociaal mensen zijn, maar zeker ook aan of de gebouwen en openbare ruimte uitnodigen tot ontmoeten. Of er dingen worden georganiseerd en of mensen die het moeilijk hebben steun krijgen zodat ze meer kunnen in hun leven dan alleen van dag tot dag overleven.
We kunnen ervoor kiezen om middenhuur en -koop juist te bouwen in buurten die meer draagkrachtige bewoners kunnen gebruiken. Andersom kan bij nieuwbouw in sterke wijken juist prioriteit worden gegeven aan goedkopere sociale huurwoningen.
Wie er samen in een buurt wonen maakt daarbij uit. Je hebt mensen nodig in een buurt die hun hoofd boven water kunnen houden en financiële en mentale ruimte hebben. Je hebt ze nodig voor sociale cohesie, het draaiende houden van voorzieningen in de buurt, het aan de bel trekken bij instanties als dat nodig is (en voor het doorzetten als er geen reactie komt). En als je wilt dat kinderen het goed doen op school dan laat onderzoek zien dat het belangrijk is dat er op die school kinderen met ouders met verschillende opleidingsniveaus zitten.
Tot slot is het meer morele argument van diversiteit in wijken dat we als samenleving elkaar toch ook gewoon willen tegenkomen en niet langs elkaar heen willen leven.
Keer de trend
Dit is geen pleidooi om mensen gedwongen te laten verhuizen, maar zoals de bevolkingssamenstelling in buurten beïnvloed werd door beleid in de afgelopen eeuw, wordt ze dat nog steeds. We kunnen ervoor kiezen om middenhuur en -koop juist te bouwen in buurten die meer draagkrachtige bewoners kunnen gebruiken. Andersom kan bij nieuwbouw in sterke wijken juist prioriteit worden gegeven aan goedkopere sociale huurwoningen. Zorg dat er in de nieuwbouw in buurten met veel sociale huur ook plek is voor sociale stijgers uit de buurt, vaak met middeninkomens. Zij zijn de bewoners met draagkracht die binding hebben en vaak iets willen betekenen in de buurt voor buren en verenigingen.
Ook zonder nieuwbouw zijn er mogelijkheden te sturen op wie waar woont. Door mensen met meer draagkracht ook in sociale huur te laten wonen in een kwetsbare buurt. En door in de sterkere buurten juist meer woningen te laten bewonen door mensen die kwetsbaarder zijn.
Waar we voor moeten oppassen is dat we met de urgentie om de woningnood op te lossen de leefbaarheid van wijken niet uit het oog verliezen. Met alle nieuwbouw die op stapel staat, is het misschien wel makkelijk om veel sociale huur te bouwen in buurten waar daar geen weerstand tegen is en de grond goedkoop te boek staat, en juist koopwoningen op de duurste locaties. Precies dit is een keuze die grote consequenties kan hebben voor de toekomst.
Een kwetsbare wijk is niet van vandaag op morgen veerkrachtig te maken. Als het gaat om volkshuisvesting is er meer dat om aandacht vraagt. Het woningtekort, de verduurzaming en de betaalbaarheid strijden om de prioriteit. Stuk voor stuk zaken die behalve belangrijk ook urgent zijn. Terwijl de leefbaarheid en veiligheid van wijken sluimerend verslechteren, en moeilijk zijn te herstellen als het eenmaal slecht is. Maar wat is ontstaan door beleidskeuzes kan ook weer veranderd worden met andere keuzes.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.