Terwijl de grootstedelijke woningschaarste en de stijgende huizenprijzen huisvesting alweer enige tijd tot een prangend vraagstuk maken, neemt het aandeel van de sociale huursector steeds meer af. Volgens Marja Elsinga, hoogleraar wonen en beleid aan de TU Delft, is dat te wijten aan de door ‘Brussel’ aangezwengelde gedachte dat het subsidiëren van woningen voor mensen met een middeninkomen oneerlijke concurrentie zou zijn voor commerciële woningaanbieders. Woningcorporaties richten zich sinds 2012 op de laagste inkomensgroepen en bieden ‘betaalbare woningen voor mensen met een smalle beurs’. De rest van de mensen is aangewezen op de markt voor een woning. Sociale huur zijn we gaan zien als iets voor een kleine groep kwetsbare mensen.

Dageraad

Oorspronkelijk was dat anders. De corporaties werden aan het begin van de vorige eeuw in het leven geroepen om arbeiders, die in steden als Amsterdam in snel neergezette, slecht gebouwde huizen woonden, beter te huisvesten. Verenigingen en stichtingen konden goedkoop geld lenen van de landelijke overheid om zogeheten ‘sociale huurwoningen’ neer te zetten.

Aan de Dageraad, een sociaal woningbouwcomplex in Amsterdam-Zuid uit 1920, is goed te zien hoe mooi sociale huur ooit mocht zijn. ‘Er is goed over nagedacht,’ zegt Richard Claus (29), ‘dat zie je aan de indeling van mijn woning.’ Claus staat in zijn slaapkamer die grenst aan een kleine tuin. Aan de andere kant van een glazen pui ligt zijn woonkamer. Het licht uit de tuin stroomt zo zijn hele huis in.

Claus is sinds vier jaar bewoner van De Dageraad, een hoogtepunt van de Amsterdamse Schoolarchitectuur. Het complex is gebouwd voor arbeiders. Ook buiten het huis vallen de details op: het bijzondere lettertype van de huisnummers, de om de zoveel meter terugwijkende wand die de gevel laat golven.

Talmastraat in Amsterdam maakt deel uit van de Dageraad
Arbeiderspaleis

De volkshuisvesting van de twintigste eeuw was bereikbaar voor een veel bredere doelgroep dan nu. Aan sociale huurwoningen was geen inkomenseis verbonden, zoals tegenwoordig. ‘Ook “arbeider” was een heel ruim begrip,’ zegt Alice Roegholt, directeur van Amsterdamse School Museum Het Schip. Woningbouwcomplexen zoals De Dageraad en Het Schip, een ‘arbeiderspaleis’ in Amsterdam-West uit 1919, waren voor geschoolde arbeiders. De allerarmsten woonden niet in sociale huurwoningen – om de huur in De Dageraad te kunnen betalen, moest een arbeider zelfs relatief veel verdienen. De Gemeentelijke Woningdienst, opgericht in 1915, ving de armsten op.

‘Ik ben bang dat Nederland dezelfde kant opgaat als het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Spanje, waar weinig woningen als sociale huur zijn overgebleven voor een kleine marginale groep, vaak op de minst aantrekkelijke locaties.’

‘Nu is sociale huur een voorziening voor een steeds kleinere groep mensen, een laatste vangnet,’ zegt Wouter van Gent, universitair docent sociale geografie aan de Universiteit van Amsterdam. Het draagvlak ervoor neemt daardoor af. ‘Door de landelijke overheid wordt sociale huur steeds meer neergezet als iets voor niet-hardwerkende Nederlanders,’ zegt van Gent. ‘Ik ben bang dat Nederland dezelfde kant opgaat als het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Spanje, waar weinig woningen als sociale huur zijn overgebleven voor een kleine marginale groep, vaak op de minst aantrekkelijke locaties.’

Een groot gat

Vanaf de Tweede Wereldoorlog tot de jaren tachtig groeide het aantal sociale huurwoningen. Maar sinds eind jaren tachtig is het aandeel sociale huurwoningen steeds verder afgenomen en de toegang voor middengroepen beperkt, omdat het politieke accent sterk kwam te liggen op groei van de koopsector en in de sociale huursector op lage inkomens. Vanaf toen ontstond het woord ‘scheefwonen’.

‘Terwijl sociale huur juist in het leven is geroepen als belangrijke oplossing voor marktfalen,’ vertelt Van Gent. ‘We zijn daardoor zo gewend geraakt aan goede woningen, dat we zijn vergeten dat sociale woningbouw een oplossing is en geen probleem.’

Iedere huurder in een grote stad weet inmiddels precies hoe dit marktfalen eruitziet. Hoge huurprijzen, weinig ruimte en niet genoeg kunnen sparen voor een koopwoning. ‘Huren in de vrije sector in de stad is voor veel mensen te duur. Mensen met een laag inkomen die toch in de stad studeren en werken, zijn steeds meer aangewezen op slecht onderhouden kamers en kleine studiootjes,’ zegt Van Gent.

Begin 1900 was dit net zo. Welgestelden bezaten dure woningen in de stad en huisjesmelkers verhuurden kleine, vochtige woonruimtes aan arme gezinnen. Voor de middengroep, toen de geschoolde arbeiders, werd weinig gebouwd.

Nu zien we opnieuw een groot gat in het woningaanbod. De gemeente Amsterdam heeft dat inmiddels op de politieke agenda gezet. In haar Woonagenda 2018-2025 schrijft de gemeente dat ze 17.500 sociale huurwoningen door corporaties wil laten bouwen, gemiddeld 2.500 per jaar, maar ook 11.690 middeldure huurwoningen (gemiddeld 1.670 per jaar). De stad moet weer toegankelijk worden voor mensen met een gemiddeld inkomen.

Een reconstructie van een 19e eeuwse krotwoning in de Amsterdamse Jordaan
Verheffing

‘Nederlandse sociale huur is uniek,’ zegt Pepijn Bakker, strateeg bij woningcorporatie Rochdale. ‘Qua omvang, maar ook omdat je sociale woningen overal vindt, niet alleen aan de rand van de stad of op daarvoor aangewezen plekken buiten de stad.’

‘Bovendien mocht de arbeider zich omringen met schoonheid,’ zegt Alice Roegholt van Museum Het Schip. De golvende patronen in baksteen en de overdaad aan ornamenten laten inderdaad zien dat huisvesting voor het volk begin vorige eeuw mooi mocht zijn. Sociale huurwoningen brachten het verheffingsideaal met zich mee. Arbeiders die in De Dageraad woonden, moesten zich aan bepaalde regels houden. Zo mochten zij de was niet buiten aan een lijn hangen. Hun woning moest er netjes uitzien. Dat kwam een inspecteur controleren.

‘Wonen heeft invloed op het zorgdossier, het energiedossier, de opvang van behoeftige mensen en ouderen.’

‘Later, toen de marktwerking weer aan de beurt kwam, werd het “verheffen van het volk” ineens als paternalistisch gezien,’ zegt hoogleraar wonen en beleid Marja Elsinga. ‘Maar als we het anders noemen, bijvoorbeeld “empowerment” en het laten deelnemen van zoveel mogelijk mensen aan de samenleving, dan is dit iets dat alle politieke partijen willen. Wonen kan hierin een belangrijkere rol spelen. Het heeft invloed op het zorgdossier, het energiedossier, de opvang van behoeftige mensen en ouderen.’

Een investering in goed wonen kan op al deze gebieden geld besparen. ‘Dat hadden ze begin 1900 veel beter in de gaten,’ zegt Elsinga. ‘Woningbouwverenigingen hielden mensen gezond, en gezonde mensen kunnen beter werken en kosten de maatschappij minder geld.’

Pepijn Bakker van Rochdale noemt wonen een ‘emancipatiemachine’. Een veilige woning vergroot ieders basiswelzijn. De stad moet bovendien gemengd blijven, ‘anders krijgen we segregatie naar het Parijse model van banlieues – achtergestelde buitenwijken aan de rand van grote steden.’

Volgens Bakker is het sociale-woningbouwideaal tegenwoordig minder materieel en meer maatschappelijk. ‘Bij Rochdale zijn we nu minder gericht op de stenen en meer op de gemeenschap.’ De aandacht gaat naar de publieke ruimte om de woningen heen en het buurtnetwerk. Zijn er winkels in de buurt van de woningen? Komen buren elkaar tegen?

Vierkante meters inleveren

Het is logisch dat een ideaal met zijn tijd meegaat. Lange tijd streefden woningbouwcorporaties naar minimaal 80 vierkante meter per sociale huurwoning. Nu bouwt corporatie Ymere in de Watergraafsmeer in Amsterdam-Oost op een nog zanderige, winderige bouwplaats 330 ‘compacte’ sociale huurwoningen, vanaf 33 vierkante meter. Impressies van het project laten veel groen in een autovrije straat zien, om relatief lage woningblokken van vier en vijf verdiepingen heen. Een aantrekkelijke omgeving rond de woningen, minder vierkante meters binnen. Geen grote eigen eetkamer, wel een gezamenlijke buitenruimte om te eten met vrienden. Geen eigen wasmachine, wel een gezamenlijke wasruimte.

Het past bij onze tijd: er zijn meer kleine huishoudens, en in de stad woont een grote groep voor wie het traditionele huisje-boompje-beestje minder belangrijk is. ‘In het centrum wonen betekent vierkante meters inleveren,’ zegt Elsinga. Dat moet de stad toegankelijker maken voor jongeren of mensen met een lager inkomen.

Voor de middeninkomens heeft de vrije markt geen oplossing.

Volgens Bakker zijn er nog steeds genoeg idealen, maar is het vooral belangrijk dat overheid, gemeenten en corporaties weer gezámenlijke idealen vinden. ‘De eerste woningwet die sociale huur mogelijk maakte, was het product van het rechts-liberale kabinet Pierson. Toen beseften ook de grootste vrijemarktdenkers dat het belangrijk is om een gedeelte van de woningmarkt gezamenlijk te organiseren. Nu speelt ongeveer hetzelfde. Voor de middeninkomens heeft de vrije markt geen oplossing. Het wachten is op het moment dat ook het huidige rechtse kabinet hier de ernst van inziet en samen gaat werken aan een stad die weer voor iedereen is. Dat kan onder andere door de corporaties weer het middensegment te laten bedienen, dus met woningen met huren tussen de 720 en 1000 euro.’

Hoogleraar Elsinga wil kijken waar we elkaar kunnen vinden als het gaat om woonidealen, los van politieke dogma’s. ‘Ons sociale-woningbouwideaal mag dan veranderd zijn,’ aldus Elsinga, ‘idealen over een gemengde stad, een samenleving waar iedereen aan deelneemt en een buurtnetwerk bestaan nog wel.’