Het is 2005. De officiële vraag van de NAVO − doen jullie mee? − staat nog niet op papier maar hangt wel in de lucht. Chef operatie Pieter Cobelens en zijn Britse collega Robert Fry bespreken tijdens een rookpauze buiten een Brits militair hoofdkwartier hoe zo’n militaire missie eruit moet gaan zien. Hier zien de eerste contouren van de Uruzgan-missie het licht. Anticiperend op de politieke opdracht wordt er meteen nagedacht over de ‘hoe’-vraag. Het waarom, dat is er eentje voor de politiek. Althans: dat is wat we
onszelf graag wijsmaken. Het adagium van militair strateeg Carl von Clausewitz (1780-1831) wordt er op de militaire academies in Europa en de VS ingeramd: ‘Oorlog is het voortzetten van buitenlandse politiek met andere middelen.’ Defensie is immers − dat roepen generaals, beleidsmedewerkers en Defensieministers in het nauw graag − slechts een uitvoeringsorganisatie. De politiek geeft de opdracht. Het leger voert uit.
Maar bij het reconstrueren van de Nederlandse besluitvorming omtrent Uruzgan voor haar proefschrift kwam luitenant-kolonel Mirjam Grandia Mantas tot de conclusie dat de militaire inzet grotendeels een product was van onderop. Het startsein was het onderonsje tussen twee generaals, het ging over de praktische invulling. Het balletje rolde van beneden naar boven en weer terug. Het wheelen en dealen begon tijdens een rookpauze en vervolgde zijn weg naar landen, ministeries onderling om via politieke partijen in de Tweede Kamer weer terug op het bordje van de bondgenoten in de NAVO te landen. Dit werpt de vraag op: wie zit er eigenlijk aan het stuur? Vrij Nederland ging op onderzoek uit.
Een grove fout
De eerste voet op Afghaanse grond was een Amerikaanse, onder de vlag van Operation Enduring Freedom. De missie begon een maand na de aanslagen van 9/11 in 2001. Het doel: Al Qaida onder leiding van Osama Bin Laden en diens lokale collaborateurs, de Taliban, verdrijven. Er werden luchtaanvallen uitgevoerd op Taliban- en Al Qaida-doelwitten, terwijl Amerikaanse, Australische en Britse special forces op de grond samenwerkten met de lokale oppositie. Nederland wilde een trouwe bondgenoot zijn van de VS maar meevechten was – officieel – uit den boze. Als tussenoplossing werden er fregatten beschikbaar gesteld in het Caribische gebied om de Amerikaanse eenheden te vervangen die nu elders aan de slag waren.
De Taliban werden snel verdreven: binnen zes maanden kon de militaire overwinning worden geclaimd. Onder begeleiding van de VN werd in Bonn eind 2001 een vredesconferentie georganiseerd. De internationale gemeenschap koos voor de big tent-strategie: de belangrijkste Afghaanse stamhoofden werden uitgenodigd om te voorkomen dat bepaalde stammen zouden worden buitengesloten, met uitzondering van de Taliban. Achteraf gezien een grove fout, zegt Afghanistan-veteraan en hoogleraar aan de Defensie Academie Martijn Kitzen: ‘Je kunt de verliezer niet buitensluiten, na de Tweede Wereldoorlog gingen we ondanks alles ook met Duitsland om tafel.’
De ‘twee-blikjes-bier-regel’
Een van de besluiten was het opzetten van een NAVO-missie om de interim-regering in Kaboel te beveiligen: de International Security Assistance Force (ISAF). Er was een VN-mandaat en een NAVO-missie, een oplossing waar meerdere landen, waaronder Nederland, zich in konden vinden. Nederland stuurde 240 militairen en breidde dit een jaar later, toen ‘wij’ het bevel mochten voeren over de ISAF-missie, uit naar 400 voor op het hoofdkwartier in Kaboel.
Absolute voorwaarde vanuit Den Haag was dat de internationale ISAF-missie en de Amerikaanse Enduring Freedom missie strikt gescheiden bleven. Een vermenging van de twee was – vooral voor oppositiepartijen zoals GroenLinks – politiek taboe. ‘In de praktijk is dat natuurlijk totale onzin,’ zegt Afghanistan-veteraan en oud-commando Nick Zwaneveld. ‘Daar sta je naast een Amerikaanse collega die onder Enduring Freedom valt, en jij onder ISAF, terwijl je voor je neus hetzelfde acute probleem hebt.’ Daarnaast − en dit wisten de Kamerleden ook − waren Nederlandse troepen afhankelijk van Amerikaanse bescherming en logistieke ondersteuning. Maar andersom mochten Nederlandse piloten hun Amerikaanse collega’s niet te hulp schieten.
Hoewel Kamerleden met veel misbaar kritische vragen stelden over de vermenging van de twee operaties, stuitte de gewapende inzet van de F16’s later op weinig verzet.
Deze scheiding was naast kunstmatig vooral oncollegiaal en zorgde voor irritatie bij Nederlandse piloten. ‘Blijkbaar was het acceptabel om hulp te ontvangen, maar niet te geven,’ zegt Mirjam Grandia Mantas. ‘Ook al zaten we vanaf eind 2001 bij de coalition of the willing, een paar jaar later was Operation Enduring Freedom ineens niet meer oké en gingen we alleen nog maar wederopbouw doen. Dat was natuurlijk een totale ontkenning van de realiteit, maar vooral van je eigen aandeel in die realiteit.’
Het gebrek aan politieke realiteitszin ging zo ver dat minister Henk Kamp (VVD) van Defensie de Tweede Kamer gerust moest stellen dat de F16’s die Nederland naar Operation Enduring Freedom stuurde er alleen waren voor de ‘afschrikkende werking’ en er tijdens de eerste tweehonderd vluchten ‘geen wapens zijn afgeworpen’. Hoewel Kamerleden met veel misbaar kritische vragen stelden over de vermenging van de twee operaties, stuitte de gewapende inzet van de F16’s later op weinig verzet.
In het boek Je wordt bedankt, Bin Laden omschrijft Clingendael-onderzoeker Jorrit Kamminga de missie-evaluatie van de Tweede Kamer als een ‘mooi-weerverhaal’. ‘Alles “paste goed”, “liep goed” of “kwam goed uit de verf”,’ schrijft hij. De kritische noten waren voor de bühne. Zo was er volop ruimte voor een bespreking van de ‘cultuurverschillen’ met de Duitsers maar werd er met geen woord gerept over die met de Afghaanse collega’s. Regeringspartijen grepen de evaluatie ondertussen aan voor ditjes en datjes. Hans van Baalen (VVD) vroeg zich af of de ‘twee-blikjes-bier-regel’ die gold voor de Nederlandse militairen ook voor de andere deelnemende landen zou kunnen gelden. Zijn CDA-collega Bart van Winsen had graag een verklarende lijst van de afkortingen gezien in de evaluatie.
Gijs Tuinman, die als commando diende in Afghanistan en momenteel promoveert aan de Defensie Academie, noemt het gemopper vanuit de Kamer over NAVO-taal ‘typerend’. ‘Dan gaan Nederlandse politici klagen over het jargon van een andere politieke organisatie, namelijk de NAVO, en daar worden militairen dan op aangekeken. Terwijl dat jargon in lijn is met de convenanten die politici zelf onderling hebben afgesproken.’ De NAVO-taal, legt Tuinman uit, is feitelijk de interface tussen militaire strategie en politiek. ‘Dan mag je toch verwachten dat politici die zelf afgesproken taal een beetje beheersen.’
Spraakverwarring
De Babylonische spraakverwarring tussen politieke wenselijkheid en strategische realiteit bleek symptomatisch. Terwijl Den Haag mopperde over bierdrinkende coalitiegenoten en ‘jargon’, stuitte de missie zelf op weinig inhoudelijke weerstand. Uiteindelijk stemden alle partijen − op de SP na – voor de Nederlandse militaire bijdrage in Afghanistan. Ondertussen verlegden de Amerikanen hun militaire focus langzamerhand richting Irak en het regime van Saddam Hussein met zijn vermeende massavernietigingswapens. Volgens hoogleraar aan de Defensie Academie Martijn Kitzen was dit – naast het buitensluiten van de Taliban – een tweede kapitale fout. ‘Afghanistan was destijds met ongeveer tienduizend Amerikaanse troepen redelijk stabiel, maar het militaire zwaartepunt werd in 2002 al verlegd naar Irak. De Amerikanen hadden Europa nodig om het stokje in Afghanistan over te nemen.’
Tegen deze achtergrond werden NAVO-bondgenoten in 2005 gepolst in de wandelgangen. ‘Bij de VN kwam ik Condoleezza Rice tegen, destijds Amerikaans veiligheidsadviseur,’ herinnert toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot (CDA) zich. ‘Het zou toch wel geapprecieerd worden als we mee zouden doen met de missie in Zuid-Afghanistan, was de boodschap. De eerste reactie was: vraag maar iemand anders.’
Gespreid bedje
Het bleek de start van een onderhandeling. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell ging zich er, geflankeerd door enkele generaals, mee bemoeien. De bezoekjes werden gefaciliteerd door Bots partijgenoot Jaap de Hoop Scheffer, die eerder zijn ministerspost had verlaten voor een functie als secretaris-generaal van de NAVO. Nederland zou niet hoeven vechten, alleen de situatie stabiel houden voor wederopbouw.
Vanuit Kaboel werd Afghanistan tegen de wijzers van de klok in ‘schoongeveegd’ van Taliban en in 2006 − tegen de tijd dat Nederland zou gaan − was Uruzgan aan de beurt. Nederland zou in een gestabiliseerd en dus gespreid bedje terecht komen. ‘We hebben een aantal meetings en vergaderingen in de safe room onder de grond gehad hier in Den Haag met generaals, experts en ministers. Uiteindelijk is daar ook die knoop doorgehakt,’ vertelt Ben Bot, al ging dat volgens hem niet van harte. ‘Met name coalitiegenoot D66 spartelde tegen. Dat was een hele saga.’
Toen de rapporten van de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst (MIVD) een steeds kritischer toon aansloegen over de situatie in Zuid-Afghanistan, waren er twijfels ontstaan bij de Democraten. Zo had het verwijderen van de lokale corrupte leider Sher Mohammad Akhundzada ervoor gezorgd dat hij zijn drieduizend strijders meenam die eerder weerstand boden tegen de Taliban. Het verwijderen van de lokale gouverneur Jan Mohammad Khan, die het niet zo nauw nam met de mensenrechten maar wel veel invloed had in de provincie, was, zo analyseert Mirjam Grandia in haar proefschrift, een teken dat de Nederlanders en de Britten vooral bezig waren met stabiliseren vanuit hun eigen perspectief.
Overambitieus
In Den Haag moesten ondertussen de dwarsliggende Democraten aan boord gehouden worden, en dus werd de fractie ontboden voor een stuurs bezoekje bij de hoogste legerbaas, Dick Berlijn. ‘Ze hadden het allemaal mooi bedacht, maar de werkelijkheid voldeed niet,’ reflecteert Bert Bakker, destijds D66-Kamerlid. Kort daarvoor nog had Bakker een commissie voorgezeten die − mede naar aanleiding van Srebrenica − adviseerde om beter na te denken over de politieke opdracht die militairen wordt meegegeven. ‘Onze fractie vond dat deze missie onder valse vlag werd gevoerd. Er moest nog gevochten worden omdat het niet overal even stabiel was. Vechten en wederopbouw kan wel, maar daar moet je eerlijk over zijn met een bijbehorend tijdspad. Dus ze moesten echt met een ander verhaal komen dan meisjesschooltjes.’
Ambtelijk micro-managen en het aansturen van militairen in conflictgebied via een kapotvergaderde spreadsheet staat onder militairen bekend als de ‘Haagse schroevendraaier’.
De dwarse D66’ers stemden tegen, maar kregen hun gelijk veel later. Een studie van de Amerikaanse denktank RAND vergeleek in 2013 in totaal 71 insurgencies (opstanden) met elkaar. Wat bleek? Deelnemende landen moesten uitgaan van gemiddeld zes jaar hommeles voordat je een effectieve aanpak hebt gevonden en kunt beginnen met bouwen. De Nederlandse plannen waren − op zijn zachts gezegd − overambitieus: binnen twee jaar zouden er 23 doelstellingen moeten worden afgevinkt met behulp van maximaal 1200 militairen en een budget van 320 miljoen euro. Een horizon van minimaal zes jaar is ook niet te verkopen in Den Haag: er werd binnen een jaar al gesproken over de vraag of verlengen wel nodig was. Voortdurend werd er door het kabinet gelaveerd tussen enerzijds het tevreden stellen van Amerika als bondgenoot, zonder anderzijds de kiezer tegen zich in het harnas te jagen met woorden als ‘vechten’ en ‘oorlog’. Bot: ‘Het was een absolute vereiste om het in Nederland te verkopen als een wederopbouwmissie.’
De Haagse schroevendraaier
In tegenstelling tot de haalbaarheid van de doelstellingen, werden de bonnetjes wel nauwgezet bijgehouden. Zelfs over onbruikbaar materieel moest worden vergaderd. Zo herinnert oud-commando Zwaneveld zich een incident op een van zijn uitzendingen naar Afghanistan. ‘Een Patria-voertuig was total loss gereden en we moesten aan Den Haag toestemming vragen om vernietiging voordat we verder konden.’ Het antwoord liet even op zich wachten: Haagse ambtenaren moesten zeker weten of het voertuig niet meer was te redden. Misschien kon het met een helikopter worden geborgd? ‘Ondertussen zaten wij daar als statisch doelwit terwijl we via de communicatie hoorden dat vijandelijke troepen dichterbij kwamen. Na heel lang aandringen mocht het voertuig dan toch worden vernietigd.’
Ambtelijk micro-managen en het aansturen van militairen in conflictgebied via een kapotvergaderde spreadsheet staat onder militairen bekend als de ‘Haagse schroevendraaier’. Oud-commando Gijs Tuinman: ‘De vragen die je terugkrijgt vanuit Den Haag of van de minister zijn steevast technisch. Dus nog meer details, nog diepere vragen.’ Volgens Tuinman is dit een symptoom van een dieper probleem: ‘Is er wel een gelijkwaardige dialoog tussen politiek en militairen? Het gaat om de politieke afweging voor een bepaalde militaire actie enerzijds, en de implicaties van die actie anderzijds.’ Het doel kan zijn om de Taliban in gebied A uit te schakelen, maar dat heeft mogelijk weer gevolgen in een ander gebied. ‘Mijn hele carrière heb ik juist dat grotere plaatje gemist,’ zegt Tuinman. ‘Hoe verhoudt deze militaire actie zich tot het grotere plan voor de komende maanden of jaren? En dan verder kijken dan alleen die tactische vierkante kilometer waarbinnen je acties uitvoert, maar voorbij de vallei, voorbij Uruzgan en Afghanistan.’
Uit de opzet van de Uruzganmissie blijkt dat er nooit een politieke behoefte is geweest om verder te kijken. ‘Er is een verschil tussen aanwezig zijn en daadwerkelijk langdurig effect sorteren,’ constateert Mirjam Grandia. ‘De NAVO wilde “iets doen” maar er waren botweg niet genoeg geïnteresseerde landen dus werd dat opgelost met losse teams.’ Onvoldoende om iets duurzaams neer te zetten. ‘Symboolpolitiek dus,’ zegt Grandia.
Tastbare gevolgen
Maar ook symboolpolitieke keuzes hebben tastbare gevolgen. In de nacht van 15 juni omsingelden Talibanstrijders het district Chora in Uruzgan. Hiermee werd het gezag van de regering-Karzai en diens NAVO-bondgenoten direct uitgedaagd. Tijdens de Slag om Chora verjoegen de Nederlandse militairen de Taliban, waarbij twee van hen het leven lieten. ‘Jullie komen hier en vechten. Jullie winnen dan. Maar de overwinning duurt een uur, want daarna gaan jullie terug naar jullie kamp en komt de Taliban terug,’ aldus een bewoner, zo schreef diplomaat Emiel de Bont in zijn boek Onder Taliban en krijgsheren. De regering-Karzai hekelde de hoeveelheid burgerslachtoffers: ‘Afghan life is not cheap and it should not be treated as such. NATO must do better.’
Het veroorzaakte wat rimpelingen in de Haagse Hofvijver. Met name GroenLinks, PvdA en SP hekelden het feit dat er überhaupt burgerslachtoffers waren gevallen. VVD en SGP zagen het als een onfortuinlijke bijkomstigheid van militair ingrijpen. De bewindspersonen Bot (CDA), Kamp (VVD) en Koenders (PvdA) lieten in een Kamerbrief weten dat de stamoudsten desondanks ‘onveranderd positief’ waren tegenover ISAF en dat president Karzai – ondanks zijn kritische woorden – het Nederlands optreden juist had gewaardeerd. Hiermee was de kritische Kamerkous af.
Partijpolitiek bindmiddel
De vraag om missieverlenging kwam langzamerhand op tafel. Het woord ‘wederopbouw’ bleek een partijpolitiek bindmiddel. Hoewel de geplante saffraanboompjes, gebouwde scholen en geslagen waterputten werden gewaardeerd, zag de lokale bevolking niet per se toekomst in de regering-Karzai, die slechts 15% steun genoot. Uruzgan-veteraan Ralph Coenen noemde in officierenblad Carré het politieke ‘hearts and minds’-gehamer dan ook ‘een reclameslogan voor het promoten van de eigen club in de landelijke pers.’
‘Als je iets wilt neerzetten wat duurzaam is, dan moet dat passen bij de plaatselijke samenleving.’
De Amerikaans politicoloog D. Michael Shafer deed onderzoek naar de Amerikaanse interventie in onder meer Vietnam en zag in Afghanistan klassieke fouten herhaald worden. ‘Regeringen dealen met regeringen. Dus wat doen we: we zetten er een regering neer, zonder na te denken of die legitiem is, en versterken die in de valse veronderstelling dat we daarmee ook indirect de bevolking ondersteunen.’ Maar corrupte leiders worden met internationale militaire steun en hulpgelden geen liberale democraten, maar vooral sterker en nog corrupter.
Afghanistan-veteraan en hoogleraar aan de Defensie Academie Martijn Kitzen zet ook vraagtekens bij het steevast terugvallen op een centraal bestuur als de oplossing in wederopbouw, terwijl Afghanistan is opgebouwd uit decentrale netwerken van diverse stammen. ‘Als je iets wilt neerzetten wat duurzaam is, dan moet dat passen bij de plaatselijke samenleving. In Afghanistan zagen we dat Karzai aan de macht kwam en vooral ging regeren met zijn vriendjes. Dan zet je een oligarchie neer, geen democratie.’
Denkfout
Eind 2007 moest er weer geëvalueerd worden in de Tweede Kamer. Het publieke besef dat er daadwerkelijk werd gevochten in Uruzgan was inmiddels ingedaald. Uit de peilingen bleek dat bij alle partijen een meerderheid van de achterban zich uitsprak voor het beëindigen van de missie in Afghanistan. Volgens de regering was er wel degelijk
vooruitgang geboekt in termen van ‘aantal opgestarte projecten, uitrol nationale programma’s, acceptatie van ISAF bij de bevolking, aantal nieuwe NAVO-landen met troepen in Afghanistan’.
Maar dit soort maatstaven voor succes zijn problematisch, analyseert politicoloog Shafer. ‘Dit zag je in Vietnam ook. Hoeveel terrein hebben we bezet? Hoeveel terroristen hebben we opgepakt of uitgeschakeld? Hoeveel troepen hebben we er zitten?’ Het zijn volgens Shafer vooral militaire maatstaven die worden gebruikt om een politiek succes te duiden. ‘Als je wilt weten of je een stabiele democratische regering in Afghanistan hebt, dan heb je toch echt andere maatstaven nodig om dat succes te meten.’ Shafer verwijst naar het besluit van de Amerikaans president Obama om in 2009 17.000 extra troepen naar Afghanistan te sturen: ‘What the hell was the point? Het zegt helemaal niks anders dan: we zijn met meer.’
Dezelfde denkfout werd gemaakt bij het civiele deel. Het feit dát er verkiezingen werden gehouden (in 2004 en 2005) was belangrijker dan het democratische proces zelf. ‘Democratie werd een kwestie van stemmen kopen,’ schreef oud-Afghanistan correspondent en wetenschapper Deedee Derksen in de Volkskrant. ‘Of je in veiligheid kon leven werd een kwestie van wie je kende, in welk dorp je was geboren, tot welke stam of etnische groep je behoorde.’ Wie het stempel ‘Taliban’ of ‘Taliban-sympathisant’ kreeg van lokale bestuurders, was, zo bleek uit haar promotieonderzoek, vooral afhankelijk van lokale politiek: ‘In het noorden waren de etnische Pathanen vaak de pineut, in het zuiden waren het stammen en clans die in het verleden weinig macht hadden gehad. Logischerwijs sloten veel gemartelde en opgejaagde Afghanen en hun familieleden zich daarna aan bij Taliban 2.0.’
Scheurtjes in de eensgezindheid
Het kabinet zag het feit dat we er zaten ondertussen als reden om te blijven. Oppositiepartijen zoals GroenLinks en SP waarschuwden voor het zwemmen in een fuik, maar de kritiek richtte zich vooral op de partnerkeuze. De lokale politie werd al door Nederland getraind en wellicht kon dat via een − politiek minder omstreden − civiele missie via de Europese Unie in plaats van een militaire vanuit de NAVO? Afghanistan had volgens GroenLinks pas toekomst zonder Amerikaanse aanwezigheid, samenwerking moest ‘met andere grote Europese landen’.
Wat er dan precies in de nieuwe constellatie zonder de Amerikanen moest gebeuren, en hoe dat verschilde van de huidige aanpak, bleef echter onduidelijk. Onder de streep ging de Kamer uiteindelijk eind 2007 overstag: een meerderheid ging akkoord met verlenging. Toch begonnen de eerste scheurtjes in de eensgezindheid te komen. Alleen VVD en SGP waren voor een verlenging van de missie na 2010.
Is de missie bij elkaar gepolderd? ‘In Duitsland en Italië mocht er helemaal niet over oorlog worden gesproken, voor veel Europese landen – waaronder Nederland – was wederopbouw te verkopen als een nobel project,’ aldus Martijn Kitzen.
Mirjam Grandia vergeleek in haar onderzoek de Britse en Nederlandse besluitvorming. Ondanks de verschillen in politieke inrichting maakten de landen dezelfde fouten: ‘Het dominante idee − we moeten ingrijpen − is door westerse landen nooit bevraagd. De randvoorwaarden van het ingrijpen, zoals niet onderhandelen met de Taliban of niet samenwerken met bepaalde lokale stamhoofden, ook niet.’
Partijpolitiek gesteggel
Zeker, er was wel vertraging in de besluitvorming, maar dat was steevast om partijpolitieke redenen. Het partijpolitieke gesteggel bereikte een kookpunt in 2010. De NAVO diende – zoals verwacht – een verzoek in om de missie te verlengen. Het verzoek zorgde direct voor gehakketak binnen het kabinet-Balkenende IV. In de media verschenen berichten dat minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen (CDA) bij de NAVO zou hebben gevraagd om een verzoek tot verlenging om de PvdA onder druk te zetten. Volgens andere geruchten was het juist PvdA-minister Bert Koenders die aan Verhagen had gevraagd om op een NAVO-verzoek aan te sturen. Vicepremier en PvdA-leider Wouter Bos koos voor het inlossen van een eerder gedane belofte aan zijn sociaal-democratische achterban: ‘definitief weg uit Uruzgan’. Na lang beraad stapten de PvdA-bewindspersonen op en kwam kabinet Balkenende IV ten einde.
Het is de vraag of de val van het kabinet aantoont hoe zwaar Nederland tilt aan de politieke deugdelijkheid van militair ingrijpen. De aanleiding was Afghanistan, maar gezien de manier waarop coalitiepartijen de kwestie hoog opspeelden, had het net zo goed over de verhoging van de pensioenleeftijd kunnen gaan. Zelfs de eerder genoemde dwarse D66’ers hadden geen zuiver inhoudelijke motieven. Ook hier was Uruzgan de aanleiding om een sluimerende machtsstrijd binnen de partij bloot te leggen. Boris Dittrich, destijds fractievoorzitter, zei in een debat over de missie: ‘In die periode hebben wij met een [kabinets]crisis gedreigd.’ D66-minister Laurens-Jan Brinkhorst en senator Eddy Schuyer dreigden uit de partij te stappen als de Tweede Kamerfractie een kabinetscrisis zou forceren. De D66 bewindspersonen gingen uiteindelijk nergens heen. Dittrich moest aftreden.
Weer bestaansrecht
Uruzgan vormde vaak een aanleiding, maar werd nooit een politiek onderwerp op zichzelf. ‘De Nederlandse bijdrage is twintig jaar lang geen resultaat van consistent beleid geweest, er werd ad hoc deelgenomen aan de NAVO-missie in verschillende provincies,’ constateert Grandia. Daarnaast moesten de Amerikaanse missie en de NAVO-missie eerst strikt gescheiden blijven, en later weer niet. Er mocht geen gewapende inzet plaatsvinden totdat het wel gebeurde. Desondanks wijzen alle oud-bewindspersonen er in gesprekken met Vrij Nederland op dat er ‘echt wel goed is nagedacht’ over de missie.
De vraag is of de juiste mensen zich bezighielden met de juiste vragen op het juiste moment. Het antwoord ligt bij het startpunt: de twee generaals buiten het Britse hoofdkwartier uit het onderzoek van Grandia, die beiden steun vonden bij belangrijke ambtenaren. ‘Hierdoor trad er een fuikwerking op. Militaire en civiele besluitvormers bogen zich primair over de vraag hoe de inzet moest zijn in plaats van waarom de missie nodig was.’ Er speelden immers ook belangen binnen het militaire apparaat om ‘mee te doen’.
De NAVO was na de val van de Muur haar raison d’être verloren. Voor het bevorderen van de internationale rechtsorde werd vooral gebruik gemaakt van militaire missies via de VN zoals in Bosnië, Rwanda en Somalië. Met de aanslagen van 9/11 werd Amerika, de belangrijkste bondgenoot, op het eigen grondgebied aangevallen. Een aanval op een is een aanval op allen, zo luidt artikel 5 van het Atlantisch Handvest. Besloten werd dat artikel 5 in dit geval van toepassing was, waardoor NAVO-leden elkaar ook buiten het eigen grondgebied militair mochten beschermen.
De Nederlandse en Britse bondgenoten vonden elkaar in een gedeelde behoefte het imago op te poetsen. De militaire ervaringen in Srebrenica hingen in Nederland nog altijd boven de organisatie, terwijl het VK reputatieschade had opgelopen door onvoorwaardelijke steun aan de Amerikanen voor het vernietigen van de achteraf niet aanwezig gebleken massavernietigingswapens in Irak. Daarnaast ging de Nederlandse krijgsmacht gebukt onder jarenlange bezuinigingen die met name de Landmacht hadden geraakt. Een succesvolle interventie zou niet alleen bondgenoten tevreden stellen en de NAVO weer bestaansrecht geven, maar ook de eigen krijgsmacht weer relevant maken.
De bodem eruit
Maar ondanks Uruzgan gingen de bezuinigingen op de krijgsmacht onverminderd door. In 2010 besloot CDA-minister van Defensie Hans Hillen zelfs de tanks weg te bezuinigen. Het krijgsmachtsonderdeel moest door de continue aanwezigheid in Uruzgan niet alleen eenheden samenvoegen, maar ook beknibbelen op uitrusting en opleiding. Het duurde bijna tien jaar voordat het beleid kritisch werd gefileerd in rapporten van de Algemene Rekenkamer.
Ondertussen speelde de legerleiding mooi weer. Afghanistan-veteraan Niels Roelen uitte twijfels over een eigen-vuur-incident in Den Rawod. ‘Er waren zaken gebeurd die duidden op een gebrek aan overzicht, een gebrek aan training en dus ervaring. Zaken die voortkwamen uit de aanhoudende bezuinigingen, maar waar de Tweede Kamer voor wegkeek,’ aldus Roelen. Hij hekelde de hoge legerofficieren die dondersgoed zagen dat de bodem eruit was, maar hun mond hielden uit angst voor hun carrière. Toen hij zich in de NRC uitliet over hoe de Uruzgan-missie werd ‘misbruikt’ door partijen om het kabinet Balkenende IV te laten struikelen, werd hij op het matje geroepen bij zijn brigadecommandant, een generaal. Toen de persvoorlichter en de jurist weg waren, kreeg hij te horen dat hij ‘gelijk had en het een verdomd goed artikel was’. Roelen: ‘Dat moet zo’n generaal niet tegen mij zeggen, maar tegen de minister.’
Wederopbouwsausje
De uiteindelijke controle van de krijgsmacht ligt in Den Haag, met name in de Tweede Kamer. De wijsheid van militaire inzet – het waarom – zou meer moeten worden bevraagd. Mirjam Grandia: ‘Dat dwingt je de illusie van maakbaarheid te bevragen. Westerse mogendheden hebben het gevoel dat ze de missie met een mooi wederopbouwsausje kunnen verkopen, maar dan kom je per definitie in de problemen met je strategie. De werkelijkheid − waarom we doen wat we doen − wordt verstopt, dus uiteindelijk kom je daarmee in de knoop.’
Bij controle hoort het opmaken van de balans. Media vragen dit eerder aan veteranen dan aan de opdrachtgevers in Den Haag. ‘Zo’n evaluatie kan pas na twee jaar,’ stelt voormalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot. ‘Ik ben ervan overtuigd dat de infrastructuur die we hebben aangelegd er dan nog is. De wegen, de waterputten, de scholen, die verdwijnen niet zomaar. Dus het is sowieso niet voor niets geweest.’
Toch, als wederopbouw het doel was geweest, dan had de Nederlandse regering ook (lokale) ngo’s kunnen financieren met (land)bouw- en democratiseringsprojecten. De rechtsstatelijke component had door de VN kunnen worden opgepikt met een meer civiele missie. ‘Het probleem is dat de rauwe realiteit van een militaire interventie wordt verstopt onder iets prachtigs,’ aldus Mirjam Grandia. ‘De onderliggende aanname is dat iedereen wil leven zoals wij dat doen, en dat als we daar een handje bij helpen, het vanzelf goed komt.’
Oud-commando Gijs Tuinman: ‘Het leger is er juist goed in om te dealen en onzekerheid uit te buiten, dus het wordt lastig als de opdrachtgever – de politiek – alle onzekere elementen probeert te controleren door alles dicht te timmeren. Je moet niet alleen een goed plan hebben, maar ook bereid zijn dit aan te passen als de omstandigheden daarom vragen.’
Gezichtsverlies
Politicoloog D. Michael Shafer verwerpt het idee dat Afghanistan nu door westers toedoen in een burgeroorlog is gestort. ‘We waren er al die tijd zelf onderdeel van. Het punt is dat het paard waarop we toevallig hebben gewed ook zonder onze steun had verloren.’
Volgens Shafer is het risico dat het einddoel op een gegeven moment meer te maken heeft met het voorkomen van politiek gezichtsverlies dan met het nastreven van haalbare doelen. Militair gezien zijn de Taliban 19,5 jaar geleden verdreven en verslagen, maar de ambitie het land opnieuw op te bouwen, maakte de interventie troebel. ‘We steunden een in het zadel geholpen regering, niet omdat die ons vertrouwen verdiende, maar omdat we toegewijd waren aan onze politieke toewijding,’ aldus Shafer. ‘Je moest ze blijven steunen, omdat ze je enige lokale vrienden waren en we net de hele wereld hadden verteld dat zij gingen winnen en van Afghanistan een democratisch evenbeeld maken.’
De vraag is of Den Haag er klaar voor is enige zelfreflectie te tonen.
De verantwoordelijke bewindspersonen Bijleveld (Defensie), Kaag (Buitenlandse Zaken) en Broekers-Knol (Veiligheid en Justitie) wezen tijdens de Afghanistan-debatten vooral naar elkaar. Minister Kaag, als minister van Buitenlandse Zaken verantwoordelijk voor de aansturing, schoof de verantwoordelijkheid tot aan Brussel van zich af door het een ‘geloofwaardigheidstest voor de NAVO’ te noemen. Ze besloot eveneens – ondanks het feit dat ze verantwoordelijk was voor een crisis die internationale en departementale afstemming vereiste – de formatiegesprekken gewoon door te laten gaan. Partijgedreven machtspolitiek voerde wederom de boventoon. Demissionaire ministers Kaag en Bijleveld traden uiteindelijk af na een motie van afkeuring, al is de vraag of dit veel te maken had met Afghanistan zelf.
De klonten boter op het hoofd van de Tweede Kamer waren nog groter. Toen het besluit afgelopen lente viel dat Nederland zich zou terugtrekken uit Afghanistan, vroeg GroenLinks een ronde-tafelsessie aan. Het zou misschien handig zijn een exitstrategie te bespreken als Nederland in juni zou vertrekken. In alle wijsheid werd het bespreken van de exit door de Tweede Kamer op de agenda gezet na de daadwerkelijke exit: de eerste week van september. Tegen de tijd dat de exitstrategie besproken kon worden, werd het nieuws en de Kameragenda gedomineerd door de desastreus verlopen evacuatie van Afghaanse tolken en ambassadepersoneel. Terstond lieten de volksvertegenwoordigers de defensiestaf opdraven.
Afghanistan-veteraan en hoogleraar aan de Defensie Academie Martijn Kitzen: ‘Ik vraag me af of ze op zo’n moment beseffen dat ze mensen een volle dag uit de aansturing van een lopende operatie in een crisissituatie halen, en dit mogelijk meer frustreert dan goed doet.’ Het is volgens Kitzen ook niet de bedoeling dat Kamerleden op de stoel van commandanten gaan zitten. ‘Wat we wel kunnen gebruiken, is een stevige discussie over de ronduit gevaarlijke neiging militaire inzet steeds meer te behandelen als een voortzetting van binnenlandse partijpolitiek met andere middelen.’
Zolang grote politieke vraagstukken worden teruggebracht tot middel om als politieke partij jezelf te profileren in de Tweede Kamer, en partijen vooral over elkaar vallen in plaats van de juiste vragen te stellen als controlerend orgaan, wordt er alleen gereflecteerd op Afghanistan in de achteruitkijkspiegel van de voortdenderende incident-gedreven politiek, en zien we slechts de stofwolken van de ophef.


Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.