‘Waar gaat deze scène over?’

We stonden in een galerie in Amsterdam en een groepje welwillende toehoorders wachtte op mijn antwoord. In mijn hand hield ik een pagina uit mijn nieuwe roman Dat beloof ik, die ik ging voorlezen. Een schrijver weet niet waar zijn of haar boek over gaat – dat bepaalt de lezer. Maar die dag was ik de lezer. Ik dacht na.

De scène gaat over de kloof tussen twee soorten mensen: zij die een leven leiden van het hoofd, en zij die een leven leiden van het lichaam. Dat lijkt vaag, maar dat is het niet, en de gevolgen van die kloof zien we dagelijks terug. Neem de columns over mensen die in armoede leven: waarom maken ze van die domme keuzes, waarom eten ze niet gezonder, waarom hebben ze huisdieren die geld kosten? Luister naar het onbegrip voor slachtoffers van (seksueel) geweld: waarom gaan ze niet weg, waarom brengen ze kinderen in die situatie, waarom zoeken ze geen hulp? Zie de hardvochtigheid richting de groeiende groep mensen die, om welke reden dan ook, op wankelen staat – slachtoffers van het moderne streven naar ‘zelfredzaamheid’, waarmee de aanhoudende bezuinigingen op de ggz worden verkocht.

De mensen ‘van het hoofd’ staren naar de andere kant van de kloof, en aanschouwen de onbegrijpelijke worstelingen van een vreemde diersoort.

De mensen van het lichaam moeten zich een weg banen door een wereld waarin degenen aan de knoppen vaak een andere realiteit beleven en er een andere logica op nahouden.

Mensen ‘van het lichaam’ leiden een leven dat, tijdelijk of chronisch, wordt gedicteerd door zaken als geweld, verslaving, ziekte, onderdrukking, uitsluiting of armoede. Ze dragen niet alleen de acute effecten ervan, maar op lange termijn ook de traumasporen. Omdat we (symbolisch) geweld graag op afstand houden – letterlijk, in oorlogen ver weg, of figuurlijk, in films – herkennen we de gevolgen ervan nauwelijks wanneer ze zich voor onze neus aandienen. Maar zie het als een soldaat die terugkomt uit de strijd en moeite heeft de normaalste dingen te doen. In de bekroonde serie Warriors (1999) van Peter Kosminsky keert een groepje Engelse jongens terug van een vredesmissie in Bosnië. De een kan niet meer gewoon boodschappen doen en vliegt bijna een dreinend kind aan; de ander is zo teleurgesteld door de stukgeslagen verwachting van wie hij dacht te zijn dat hij een bushokje in elkaar ramt.

De mensen van het lichaam moeten zich een weg banen door een wereld waarin degenen aan de knoppen vaak een andere realiteit beleven en er een andere logica op nahouden.

Taalgebruik of politiek beleid heeft geen onmiddellijke of fysieke uitwerking op de levens van de mensen van het hoofd. Het zijn mensen die zich kunnen bezighouden met langetermijnplannen, opleidingen, geestelijke ontwikkeling, ervaringen door kunst, literatuur of reizen. Voor deze laatste groep is geweld iets theoretisch of hooguit incidenteels.

Dat is wat ik dacht, maar niet zei. Literatuur is er niet om uit te leggen, maar om een andere belevingswereld te creëren.

‘De scène gaat over een knokpartij op een chique tennisclub,’ antwoordde ik, en begon te lezen.