Trudy Dehue (1951) was van 1995 tot 2016 hoogleraar Theorie & Geschiedenis van de Psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Haar bijzondere interesse gaat uit naar wetenschappen die mensen onderzoeken. In 2008 schreef ze de bestseller De depressie-epidemie. Over de plicht het lot in eigen hand te nemen. De afgelopen vier jaar verdiepte ze zich in de geschiedenis van de wetenschap rondom zwangerschappen.

In Ei, foetus, baby laat Dehue zien hoe de vrouw eeuwenlang een machteloze positie heeft gehad. Ze onderzoekt welke rol geschiedenis, godsdienstige overtuigingen, politiek en wetgeving bij de totstandkoming van kennis over zwangerschappen hebben gespeeld. Het katholicisme heeft bijvoorbeeld grote invloed uitgeoefend op de manier waarop moeder en foetus van elkaar gescheiden zijn geraakt en twee afzonderlijke zielen werden. Een feministische blik op de geschiedenis is onvermijdelijk, merkte Dehue: ‘Voor onrecht kun je je blik inderdaad niet afwenden.’

Hoe kwam u op dit onderwerp?

‘Ik ben geïnteresseerd in classificaties, en in wetenschappelijk kennis over de onzichtbare werkelijkheid. Aanvankelijk wilde ik een boek maken met voorbeelden uit het hele mensenleven, van voor de geboorte tot na de dood. Maar “voor de geboorte” bleek zo interessant dat ik daar ben blijven steken.’

U geeft weinig weg over uw eigen geschiedenis rondom zwangerschappen. U laat iets doorschemeren over een ervaring met een miskraam en dat u geen kinderen heeft. Wat is daarbij uw afweging geweest?

‘Als je zo’n boek schrijft, kun je verwachten dat mensen willen weten of ik zelf kinderen heb, dus ik dacht: die vraag moet ik beantwoorden. Maar om eerlijk te zijn, ik heb er een hekel aan om over mezelf te schrijven.’

Trudy Dehue

U schrijft met meer gemak over uw moeder en grootmoeder en hun gebrek aan kennis van het proces dat zich in hun lichaam voltrok: ‘Zo kwam het dat mijn moeder vanaf haar zevende maand elke ochtend verwachtingsvol onder de dekens keek of de baby daar al lag. En zo gebeurde het dat haar eerste bevalling een overdonderende ervaring werd.’

‘Ik was nog heel klein toen ze me dit vertelde. Ik heb er toen niet op doorgevraagd. Daar heb ik nu spijt van. Het is verschrikkelijk hoe deze vrouwen kennis is onthouden. Later kwam er kennis, maar toen werden ze ook wel vaak gefopt.’

‘Mensen denken dat die beelden van foetussen in de baarmoeder zijn gemaakt, zonder deze te openen, maar dergelijke experimenten zijn ook in de geopende baarmoeder gedaan.’

Toen ik zwanger was, kreeg ik, zoals veel vrouwen, Het grote wonder van mijn moeder, een boek uit 1965 van de Zweedse fotograaf Lennart Nilsson. Op de cover zweeft een lichtgevende roze foetus in een maanachtig landschap. Wat geven moeders aan hun dochter als ze zo’n boek cadeau doen?

‘Mensen hebben geen idee hoe deze foto’s tot stand zijn gekomen en dat vind ik een democratisch tekort. Moeders geven met dit boek – weliswaar onbewust en lief bedoeld – een vrouwbeeld door. Dit boek illustreert ten eerste de veelvuldige scheiding die wordt gemaakt tussen de zwangere vrouw en het kind dat in haar lichaam tot ontwikkeling komt. Nilsson had ten tweede exemplaren van (dode) foetussen uit een abortuskliniek gebruikt en deze zelf in bepaalde posities gebracht plus een eigen achtergrond gegeven die op een sterrenhemel leek.

Maar de grootste schrik voelde ik bij De eerste negen maanden van ons leven (1962) van Geraldine Lux Flanagan, Nilssons voorloper. Zij maakte gebruik van filmstills van neuroloog Davenport Hooker. Hij verzamelde ongeveer honderdveertig foetussen. Die had hij gekregen van gynaecologen na een spontane of operatieve abortus van veelal vrouwen uit psychiatrische instellingen. Omdat hij levende exemplaren nodig had, werden dergelijke zwangerschappen afgebroken via een buiksnede. Daarna werden de foetussen in een bad gezouten water geplaatst en geprikkeld met een paardenhaar of een glazen staafje om reflexen uit te lokken. Mensen denken dat die beelden in de baarmoeder zijn gemaakt, zonder deze te openen, maar dergelijke experimenten zijn ook in de geopende baarmoeder gedaan, want daar bleven de foetussen wat langer leven voor het experiment. Ik moet hierbij benadrukken dat dit soort praktijken nu niet meer voorkomt. Ongeborenen zijn nu ontzettend goed beschermd door wetgeving.’

‘Zelfs artikelen in Nederlandse kranten die het recht op abortus verdedigen, hanteren nu de uitdrukking “kloppend hartje” alsof dat een vanzelfsprekendheid is.’

Wordt de informatie in boeken waarin de stadia van de zwangerschap worden beschreven voor aanstaande moeders, wel voldoende kritisch bevraagd?

‘Eerst over het woord “kritisch”. Ik zou eerder zeggen: nieuwsgierig. Kritisch is achterdochtig en ik wil niet achterdochtig zijn ten aanzien van wetenschap, ik wil geen klakkeloze verguizing, maar ook geen klakkeloze bewondering. Ik pleit voor een verstandige omgang met informatie. Je moet je bewust zijn van wat feiten in wezen zijn: samengebalde argumenten of conclusies. Ik zeg ook niet dat die informatie niet klopt, maar wel dat die vol aannames zit. Gek genoeg doe je die aannames niet met een geboren kind. Stel je voor dat er boeken waren die precies aangaven hoe je kind na een maand is en na twee maanden. Dan zou je zeggen: mijn kind is uniek en dat kun je helemaal niet zo precies zeggen.’

Sommige zaken die als feiten worden gepresenteerd, hebben een grote gevoelswaarde gekregen. U haalt als voorbeeld aan dat we spreken van ‘het kloppen van het hartje’ van de foetus, terwijl dat eigenlijk niet correct is.

‘Toen Amerikaanse staten abortus begonnen te verbieden vanaf het moment dat “het hartje klopt”, schreef een groep gynaecologen een protest met de titel “Het is geen klein kindje”. Maar zelfs artikelen in Nederlandse kranten die het recht op abortus verdedigen, hanteren nu de uitdrukking “kloppend hartje” alsof dat een vanzelfsprekendheid is. Normaliter verstaan we onder een hart een orgaan dat zelfstandig de bloedsomloop regelt. Door er ook bij ongeborenen op zo’n manier over te spreken, haal je die hele vrouw uit het verhaal, evenals haar placenta die noodzakelijk is voor de foetale bloedsomloop. We spreken voortdurend over “het kind”, terwijl het een proces is dat wordt doorgemaakt door de eenheid van vrouw en vrucht.’

U schrijft dat het u niet altijd lukte om neutraal en afstandelijk te blijven.

‘Ik laat zien dat “objectief” onderzoek onvermijdelijk geladen is met waarden. Maar voor onrecht kun je je blik inderdaad niet afwenden. In het reguliere onderzoek is me met de paplepel ingegoten dat ik afstandelijk moeten blijven en niet mee moet doen met de strijd die ik analyseer, maar inmiddels denk ik: ik ben nu gepensioneerd en vrij, dus ik doe wat ik nodig vind.’

Waar bent u begonnen met uw onderzoek?

‘Ik gaf een lezing over classificaties in de wetenschap en haalde de couveuse als voorbeeld aan. Toen de couveuse geavanceerder werd, kwam de grens voor levensvatbaarheid lager te liggen. De Staatkundig Gereformeerde Partij koppelde daar ook aan dat de abortusgrens moest worden verlaagd.’

Trudy Dehue

U heeft onder meer medische handboeken, biologieboeken, kerkgeschiedenis, politieke geschiedenis, wetgeving en zelfs fictie bestudeerd. Hoe bent u te werk gegaan?

‘Ik begon te lezen en als zo’n tekst bijvoorbeeld een verwijzing bevatte naar iemand in de zeventiende eeuw, dan zocht ik de teksten van die persoon zelf op en dan trof ik vaak zaken die in de geschiedschrijving achterwege waren gelaten. Die kunnen ook heel grappig zijn. Neem de onderzoeker Reinier de Graaf (1641-1673), bekend van de Graafse Follikel (het eiblaasje bestaande uit de eicel met voedende cellen er omheen). Nergens is opgetekend hoe die man over vrouwen schrijft, terwijl hij zelfs zijn eigen ervaringen met vrouwen in bed als wetenschappelijke materiaal presenteerde. Daarnaast gebruikte hij lijken voor onderzoek, maar dat deed iedereen.’

Hij is een van de eersten die het woord ‘ei’ gebruikt in de context van de voortplantingsorganen van de vrouw. U schrijft: ‘Hij kookte de eitjes van een menselijke vrouw en at ze op. Zijn conclusie uit deze proef was dat ze ‘de selfde Koleur, Smaak, en Dikte’ hebben als een ‘smakelijk vogelei’.

‘Wat telt als wetenschappelijk bewijs? Met die vraag houd ik me al dertig jaar bezig. Het is denkkader verbredend dat Reinier de Graaf bij de vraag “hebben vrouwen ook eieren in hun lichaam?”, een lichaamsdeeltje eruit haalde, het kookte en opat. Hij heeft achteraf geen eicel, maar een Graafse Follikel opgegeten en die is groter dan een net ingenestelde eicel.

In zijn boek Against Method houdt Paul Feyerabend (1924-1994) een pleidooi voor het gebruiken van het creatieve verstand, anything goes. Dat is hem vreselijk kwalijk genomen, omdat men het interpreteerde als “doe maar wat”, maar je kunt het ook opvatten als een uitnodiging om een open houding in te nemen bij wetenschappelijk onderzoek.’

Wetenschappers als De Graaf zijn verantwoordelijk voor de introductie van het begrip ‘ei’. We zijn hier nooit meer van losgekomen. Hoe adequaat is deze terminologie?

‘Dat heb ik me ook afgevraagd. Wat is de consequentie van de classificatie “ei”? Ik haal even terug: feiten zijn maaksels en classificaties hebben consequenties voor onze omgang met de werkelijkheid. Met het “ei” van een vrouw konden onderzoekers heel lang doen wat zij nodig achtten.’

Woorden zijn sturend

Over dat scheiden van ‘moeder en kind’ in de wetenschap en in ons taalgebruik over zwangerschap, wil Dehue nog wat kwijt: ‘Vrouwen zijn in de jaren zestig en zeventig gaan vechten voor een “eenheidsmodel” voor zwangerschap (ook uitgedrukt in de slogan ‘Baas in eigen buik’, DM). Een zwangere vrouw is geen vat met een zelfstandig mensje erin, betoogden ze, maar vormt een eenheid die een ontwikkeling doormaakt. Als je een ongeborene een kind noemt, dan breng je al een scheiding aan. Maar het doet zwangere vrouwen ook niet automatisch recht om in termen van een eenheidsmodel te denken, ben ik gaan beseffen toen ik naar die wetenschappers van vroeger keek: zij zagen die vrouwen en de vrucht die ze droegen weliswaar als een eenheid, maar beschouwden de vrucht als lichaamsmateriaal, als een orgaan. Daarmee hebben ze lange tijd mogen doen wat zij nodig achtten.’

Vindt u de terminologie rondom de voortplanting adequaat?

‘Woorden hebben altijd bijbetekenissen. Ze zijn ontzettend sturend. Daar moet je je bewust van zijn.’

Toen er nog geen meetapparatuur beschikbaar was, wisten vrouwen op een gegeven moment toch dat ze zwanger waren. Geleerden – mannen dus – ervoeren niets aan den lijve. Ziet u de behoefte aan kennis over de zwangerschap in eerste instantie als een mannelijke behoefte die is ontstaan uit wantrouwen?

‘Mannen wilden gewoon oogsten. Ze wilden besturen. Zwangerschap was lastig te besturen, want dit proces speelde zich af in een ander mens. Wetenschap was een poging om de werkelijkheid in hun greep te krijgen. Omdat in eerste instantie alleen mannen wetenschap bedreven en hier toegang toe hadden, deden zij op hun mannenmanier een poging.’

Welke rol speelde de kennis van vrouwen op dit gebied?

‘Vrouwen telden de eerste tekenen van zwangerschap bij elkaar op: hun menstruatie bleef uit, hun borsten deden pijn, ze waren misschien misselijk en ze voelden dat speciale gevoel in hun buik. Als ze al ervaring hadden met zwangerschap of onder begeleiding stonden van vrouwen met ervaring, trokken ze hun conclusie.

Ze deelden hun ervaringen met elkaar. Er waren ook schrijvende vroedvrouwen, die hun kennis naast hun eigen ervaringskennis overigens vaak aan mannen ontleenden. In de zeventiende en achttiende eeuw werd de kennis van de vroedvrouwen naar de achtergrond gedrukt, want toen begonnen de geneeskundige opleidingen, die alleen toegankelijk waren voor mannen, sterker te worden.’

Zijn vrouwen de dupe geworden van die leidende rol die mannen gingen spelen?

‘Ja en nee. Ik denk dat opleiding en training heel belangrijk is en dat vrouwen geen toegang hadden tot opleidingen was een groot probleem. In mijn boek beschrijf ik de praktijken van vroedmeester Portal. Hij was ontzettend lief en had veel compassie met de vrouwen. Dat bleek bijvoorbeeld uit zijn voortdurende vermaning dat de nagels van een vroedmeester kort horen te zijn en diens handen ingevet met verse boter, terwijl hij bij instructies voor ingrijpen steeds het woord “zachtjes” gebruikt en de vrouw een “lijdster” noemt. Je had dus ook mannen die het voor vrouwen opnamen.’

Al in de Oudheid is het openen van zwangere vrouwen beschreven, voor of na hun dood. De term ‘sectio caesarea’ verwijst naar de Romein Julius Caesar omdat hij de ingreep bij stervende zwangeren verplichtte vanuit zijn streven naar aanwas van de bevolking. Tot in de twintigste eeuw overleefden vrouwen zo’n buik- en baar- moedersnede hooguit heel kort. Hoe verklaart u dat het, ondanks de gevaren, toch zo’n gebruik werd?

‘Nieuwsgierigheid kent geen grenzen en grofheid ook niet. Als de vrucht voldragen was en de arts kon vaardig snijden, dan kón het gebeuren dat de vrucht overleefde. Tegelijkertijd: als een hoogzwangere vrouw stierf, zag men soms nog de bewegingen van het kindje in de buik. Wat doe je dan?’

In 1615 maakte een paus de plicht van het dopen van ongeborenen officieel, maar dan alleen bij dode vrouwen; hoewel men een overlijden dus niet altijd goed kon vaststellen en het snel moest omdat de vrucht nog moest leven. Vanaf 1745 zijn er uitvoerige instructies voor geschreven, eerst in het Italiaans door de theoloog Francesco Cangiamila, daarna vertaald in het Latijn en vele andere talen. Cangiamila voegde toe dat de kleinste vrucht al bezield was en stelde dat je beter per ongeluk een vrouw kon opofferen dan een prille ziel voor eeuwig naar het voorgeborchte te sturen. Want dat was waar een ziel belandde als de vrucht niet op het blote hoofdje was gedoopt. Dat is een aaneenschakeling van mythen die een grote impact hebben gehad. Zo stuitte ik op een krantenbericht over een pastoor die werd veroordeeld omdat hij met een scheermes een vrouw had opengesneden.’

U haalt ook de veranderende geschiedenis van het woord ‘abortus’ aan.

‘We spreken onterecht over “abortus” in de middeleeuwen en in de oudheid. Als je in de krantenarchieven het woord “abortus” zoekt, zie je dat het pas vanaf ongeveer 1880 wordt gebruikt, en dan ook nog in een tegenovergestelde betekenis, namelijk in het verband van medische behandeling van vrouwen van wie men inschatte dat ze een vergroot risico hadden op een vroegtijdige “afgang van het ei”; oftewel een miskraam bij een gewenste zwangerschap. Zolang er geen zwangerschapstest was, was je die eerste maanden die wij nu als “zwanger” aanduiden, niet zwanger en deed je hooguit aan het “opwekken van de maandstonden”. Voor latere stadia waren er termen als “vrijwillig misvallen”, het “uitlokken van een miskraam” en “het doen misvallen van een vrouw”, maar dus geen “abortus”. Het woord “abortus” in zijn huidige betekenis werd pas vanaf de jaren zeventig, een eeuw later, gebruikt.’

De katholieke kerk heeft door het toekennen van een ziel aan de foetus ook een grote rol gespeeld als het gaat om abortuswetgeving.

‘Gynaecoloog Hector Treub (1856-1920) mocht een katholieke vrouw met een welkome maar dodelijke zwangerschap wegens ernstig zwangerschapsbraken niet redden, terwijl haar vrucht van drie maanden toch niet zou overleven als zij overleed. Met vier maanden zwangerschap overleed deze vrouw. Treub voerde daarop een strijd voor het toestaan van abortus op medische gronden; “abortus provocatus”. Tegelijkertijd vond hij dat abortus door niet-medici, dus op initiatief van de vrouw, verboden moest zijn. Hij en zijn medestanders hebben de term “arbortus criminalis” gemunt en daar is het woord “criminalis” vanaf gehaald toen er in 1984 onder voorwaarden uitzonderingen op de strafbaarheid kwamen.’

De tweede zwangerschap van koningin Wilhelmina in 1902 kende complicaties. Haar gynaecoloog voelde zich genoodzaakt tot een ‘abortus provocatus; in een tijd dat dit ook bij stervensgevaar van de vrouw bij wet verboden was. Naar de buitenwereld werd gecommuniceerd dat er sprake was van een miskraam. Waarom zet u een schijnwerper op deze casus?

‘Als daar meer openheid over was geweest, had Treub niet zo’n enorme strijd hoeven voeren. In Polen en de VS is het nog steeds zo dat een zwangere vrouw bij wie een “kloppend hartje” is geconstateerd niet wordt geholpen als ze een infectieziekte krijgt. Net zoals in Nederland aan het begin van de twintigste eeuw. Als de zwangerschap gewenst is, is het leuk om het over een kindje te hebben, maar als dat niet het geval is, compliceert het de zaak.’

Het boek is niet alleen beschrijvend, u hoopt zelf ook te kunnen bijdragen aan een verandering.

‘Met het Latijnse woord “abortus” hebben medici de ongewilde en de gewilde miskraam vanaf midden negentiende eeuw tot iets voor een arts gemaakt. Maar ieder mens kiest zo mogelijk liever voor een eigen handeling dan voor een béhandeling. Per slot zijn ongewenst zwangere vrouwen ook niet ziek. Vanaf de Oudheid deden ze zelf al aan “het opwekken van de maandstonden”, wat zonder zwangerschapstests eeuwenlang iets anders was dan een “vruchtafdrijving”. Dat deden ze bijvoorbeeld met kruiden als ze merkten dat de menstruatie uitbleef. Nu er eindelijk echt veilige want goed gedoseerde “kruiden” zijn in de vorm van mifepriston en misoprostol is die historische cirkel rond.

Met een lichte wekelijkse dosis mifepriston is het op gang brengen van de menstruatie ook al te bereiken. Mifepriston kan als voor- of nabehandeling functioneren, of een zaadcel nu je eicel heeft bereikt of niet. De WHO stelt bovendien dat vrouwen de combinatie van mifepriston en misoprostol tot de twaalfde zwangerschapsweek veilig kunnen gebruiken. Ze heeft daarvoor in vele talen een gebruiksaanwijzing op internet gezet. Maar in Nederland is dat alleen toegestaan met hulp van een arts en tot de negende week. Mifepriston is bekend komen te staan als “de abortuspil” en dat zware woord maakt dat het middel niet als zo’n vervangende anticonceptiepil op de markt mag komen. Tegelijkertijd bestaan de kruidenwinkeltjes uit vroeger tijden nu als webwinkels, zodat ongewenst zwangere vrouwen de verplichting van een medische behandeling blijven omzeilen. Ook in die zin is de historische cirkel rond.’

Trudy Dehue, Ei, foetus, baby. Een nieuwe geschiedenis van zwangerschap, Atlas Contact, 400 pagina’s.