Lege gangen, lege kamers: een hele vleugel van de Amstelveense locatie van zorginstelling GGZ inGeest is leeg. Op die ene kamer na, waar het FACT-team zich elke werkdag verzamelt voor de ochtendvergadering. FACT staat voor Flexible Assertive Community Treatment: behandeling van mensen met psychiatrische problemen in hun eigen omgeving. Dat hier géén patiënten, bedden en spreekkamers meer zijn, is onderdeel van de koers die de psychiatrie in Nederland sinds 2008 is ingeslagen. ‘Minder opnames’ is het adagium, zoveel als kan blijven meedraaien in de maatschappij. Dat wordt de ‘ambulantisering’ genoemd. Binnen de psychiatrie is iedereen het er wel zo’n beetje over eens dat dit de weg voorwaarts is. Tussen 2008 en 2020 moet 30 procent van de bedden zijn ‘afgebouwd’, besloten ze in Den Haag.
Dat aantal wordt gehaald, maar de overgangsfase is hobbelig. Bezuinigingen, onderbezetting, wachtlijsten en groeiende ergernis over het vele papierwerk zorgen voor gekreun en gesteun onder psychiaters en verpleging.
Geen casus is hetzelfde – en de aanpak dus ook niet.
Van dat gekreun en gesteun geen spoor bij de ochtendvergadering in Amstelveen. In een grote kring zit het team van psychiaters en psychiatrisch verpleegkundigen, de gezichten gericht op ‘het bord’. Daarop staan de namen die specifieke aandacht vragen. Van de paar honderd mensen met psychiatrische problematiek in de regio zijn dit momenteel de wankele gevallen. De kunst is om ze weer van dat bord af te krijgen. Te stabiliseren, kortom, maar geen casus is hetzelfde – en de aanpak dus ook niet.
Praten, praten, praten
Agendapunt één: meneer De Jong is zoek. Weer gaan drinken, is het vermoeden, dan kan het snel gaan. Er is al een rondje in de buurt gemaakt, familie gebeld. Vandaag nog maar eens, dan. Volgende: meneer Zijlstra stond een maand op de wachtlijst om opgenomen te worden. Eindelijk was er plek, maar na een nacht was hij alweer naar huis gegaan. Een verpleger: ‘Ik kreeg een appje van hem. Dat het een verkeerde beslissing was geweest. Hij had meteen spijt. En meteen weer angstig, suïcidaal zelfs. Hij verwoordde het in prachtige zinnen. Maar ja, bed alweer vergeven, zeker?’ Inderdaad, bed alweer vergeven. Op de wachtlijst dus maar weer. Misschien valt er wat te regelen. Bellen, zometeen. Cliënten die vertrekken, dat gebeurt wel vaker, klinieken kunnen intimiderende plekken zijn. ‘Opeens zit je tussen de lotgenoten,’ vertelt een psychiater, ‘en die zijn altijd gekker dan jij jezelf voelt. De angstige reflex is dan: hier moet ik weg. En dan ben je terug bij af.’
‘Je zou een arm om hem heen willen slaan,’ zegt iemand. Of hij suïcidaal is? ‘Nog niet. Elke dag iemand erheen, vanaf nu. Praten, praten, praten.’
Zo gaan de teamleden in rap tempo de namen op het bord af. Ze praten over de blowende jongen uit een steenrijk gezin die langzaam afglijdt. Z’n ramen afplakt, matras tegen de deur, ingebroken bij de buren. ‘Je zou een arm om hem heen willen slaan,’ zegt iemand. Of hij suïcidaal is? ‘Nog niet. Elke dag iemand erheen, vanaf nu. Praten, praten, praten.’
Lees hier hoe psycholoog Vittorio Busato een andere aanpak in de psychodiagnostiek bepleit. ‘De mens is de psychologie te machtig.’
Maar het is niet alleen maar slecht nieuws. Het bord is dynamisch, er komt wat bij en er gaat wat af. Mevrouw Geerts, bijvoorbeeld, met wie het weer goed gaat. Haar relatie is stabiel nu, ze werkt weer, haar naam kan eraf. Wel onder voorbehoud, want ze zegt het binnenkort zonder medicatie te willen proberen. Op eigen kracht. Dat kan weer helemaal misgaan, natuurlijk. In de gaten houden, besluiten de teamleden.
Ook een financieel verhaal
In de gaten houden, daar komt het werk veelal op neer. Na de ochtendsessie waaiert het team van behandelaars uit over de regio. Huisbezoeken, vooral bij mensen van het bord die tot voor een paar jaar geleden in een psychiatrische instelling zouden hebben gezeten, maar ook de minder urgente gevallen. Vaak is het onderhouden van contact. Medicijnen genomen? Goed geslapen? Al een afspraak met de tandarts voor die zere kies? Maar soms is het nijpender. Dan spookt het in de schedel en moeten er harde beslissingen worden genomen. Meer medicijnen? Opnemen? En zo ja, waar dan? Want thuisblijven is prachtig, maar soms is een opname onontkoombaar.
De beddenafbouw is de laatste jaren voorspoedig gegaan. Ondertussen kon de opbouw van de ambulante zorg het tempo van die beddenafbouw nauwelijks bijbenen.
En daar knelt het, want de wachtlijsten zijn lang. Zelfs als opname nodig is, dan kan het soms gewoon niet. De beddenafbouw is de laatste jaren voorspoedig gegaan. Té voorspoedig, misschien wel. Ondertussen kon de opbouw van de ambulante zorg het tempo van die beddenafbouw nauwelijks bijbenen. Zo hief GGZ inGeest vrij plotseling de gesloten kliniek Spaarnepoort in Hoofddorp op – een jaar eerder dan gepland – en verhuisde de gesloten afdeling naar Haarlem. Daar zijn nu twee gesloten opnameklinieken naast elkaar, zodat de verpleegkundigen elkaar kunnen bijstaan en helpen in zorg die met het sluiten van bedden toenemend intensief en complex is geworden. Want dit laatste is evident. Met minder klinieken en bedden is er indikking van patiënten met fors ontregeld gedrag. Er is meer personeel nodig voor de begeleiding van patiënten en om veilig te kunnen werken dan een paar jaar geleden.
Zo piept en kraakt het hier en daar, maar ook weer niet overal. Het FACT-team in Amstelveen functioneert gesmeerd en hier is men enthousiast over de aanpak. Mensen laten meedoen in plaats van wegstoppen, daar valt veel voor te zeggen. ‘Je legt de verantwoordelijkheid natuurlijk meer bij de maatschappij,’ zegt Janneke Hoogstraten (34), psychiater bij de crisisdienst in de regio Haarlem. ‘En als dat goed gaat, is dat een wenselijker situatie dan al die mensen opnemen en aan de maatschappij onttrekken.’
‘Een schizofrene buurman? Liever niet zeg! Terwijl vroeger de dorpsgek er gewoon mocht zijn.’
Maar laten we niet vergeten dat het ook een financieel verhaal is: uiteindelijk is de ambulantisering een bezuinigingsmaatregel. Hoogstraten noemt het niet meer dan logisch: ‘Iedereen in de psychiatrie was het erover eens dat het efficiënter kon, efficiënter móést, zelfs.’ Klinieken mogen dan wel duurder zijn, maar aan de zorg aan huis zitten ook risico’s, zoals het risico op verwaarlozing, mensen die het te lang zelf moeten doen. Daarbij: er wordt nu een beroep gedaan op de maatschappij om toleranter te zijn. ‘En dat terwijl de samenleving juist steeds minder tolerant aan het worden is,’ zegt Hoogstraten. ‘Een schizofrene buurman? Liever niet zeg! Terwijl vroeger de dorpsgek er gewoon mocht zijn.’

Playboy
Als de ochtendvergadering is geweest, gaan de teamleden de deur uit. Eerste stop: mijnheer Wester (68), die lijdt aan een niet te temmen verzamelwoede. In zijn woning staan boeken en dvd’s opgestapeld tot aan het plafond. Van de lucht in zijn kamer gaan je neusvleugels openstaan. Mijnheer Wester woont in een zorgflat, en de buren bekijken hem met een schuin oog, zo vertelt Charisa Ellis onverstoorbaar. Dat onverstoorbare hangt om haar heen – het is ervaring, misschien. Voorheen werkte ze in een kliniek, maar als ambulant psychiatrisch verpleegkundige bij het FACT-team is ze gewend geraakt aan de meest uiteenlopende thuissituaties. Elke keer zoekt ze de balans tussen professioneel en menselijk: ‘Dat is iets waarin we heel uitgebreid opgeleid worden. Niet te dichtbij komen, maar wel zorgen dat je toegelaten wordt.’
Het is een keuveltje met een dubbele laag: na afloop weet ze precies hoe het met hem gaat.
Het is moeilijk om écht toegelaten te worden bij mijnheer Wester, die lastig praat en niet steeds helder is. Meteen wordt duidelijk wat een mensenwerk dit is. Elke keer is het een kwestie van op dezelfde golflengte komen bij mensen wiens golflengte nogal eens kan veranderen. De problemen van mijnheer Wester zijn divers. Hij wordt dan wel verzorgd, zijn huis schoonhouden zit niet het takenpakket van het personeel. Op een stoel ligt de Playboy, daaronder de stijlbijlage van Volkskrant Magazine. Het meeste is ongelezen, een deel zelfs nog ingepakt. Wester kijkt er schuldbewust naar. ‘Het zou wel iets minder kunnen, ja. Maar ik kom zelf bijna nergens meer, dus moet ik de wereld hierheen halen.’
Wester lijdt aan straatangst, naast allerlei andere geestelijke problematiek, en dan heeft hij ook nog eens fysieke moeilijkheden. Wat doe ik hier nog, vraagt hij zichzelf regelmatig af. Ellis gaat op de bank zitten en begint een gesprekje. Terloops polst ze hem over zijn suïcidale gedachten. Over zijn medicatie. En soms gewoon over vroeger, over die groepsreis naar Parijs die hij nog weleens zou willen overdoen. Het is een keuveltje met een dubbele laag: na afloop weet ze precies hoe het met hem gaat.
Vrije jongen
Dan door naar mijnheer De Vogel in een Amstelveense flat. Hier is de goede golflengte meteen gevonden. De begroeting is amicaal, met kwispelende staarten van zijn twee honden en de Senseo die pruttelt. Maar als iedereen zit voor het hoe-gaat-het-gesprek, klinkt er opeens een knal. Een Xenos-klaptafeltje met een dienblad stort in. Zomaar. De Vogel vloekt. Een harde vloek, zo eentje van onderuit de buik. Niks bijzonders, als er klaptafeltjes in elkaar donderden, dan vloeken mensen. Toch vult de ruimte zich meteen met een snijdende spanning. Zijn twee honden blaffen niet maar worden stil. Grote ogen, kaken op elkaar – net als Ellis.
Gelukkig, twee seconden na de vloek volgt een lach, en dan meteen een blaf. Ellis neemt een grote slok van haar koffie: niks aan de hand. Maar de spanning was niet voor niks. De Vogel is meestal een innemende, gevoelige man, geïnteresseerd en scherp: goed gezelschap. Maar je kunt niet van hem zeggen dat hij geen vlieg kwaad doet: hij heeft wat in hulpverlenerstaal een ultrakort lontje wordt genoemd. En dan is het ook nog eens een sterke kerel, voor niemand bang – en terecht. In het verleden ging het een paar keer gruwelijk mis en belandde hij in de gevangenis.
De buitenwereld is een mijnenveld voor hem. Met het openbaar vervoer mag hij niet: te veel kans op irritatie met alle gevolgen van dien.
Hij weet het nu van zichzelf. De buitenwereld is een mijnenveld voor hem. Met het openbaar vervoer mag hij niet: te veel kans op irritatie met alle gevolgen van dien. Een speciaal busje brengt hem waar hij wezen moet. De schuldsanering heeft hem in de tang, instanties zien toe op zijn mentale en fysieke gesteldheid.
Hoe anders was ooit zijn leven. De Vogel was een vrije jongen en – oké, hij geeft het meteen toe – best een boef. In het schimmige circuit pakte hij meer geld dan goed voor hem was. Dat was toen. Nu woont hij hier, hoog in een flat met zijn twee honden en een in elkaar geklapt Xenos-tafeltje. Hij is goed gehumeurd. Via een dating-app leerde hij een vrouw kennen en binnenkort hebben ze een date. Telefoon erbij, foto’s kijken. ‘Leuk,’ zegt Ellis. ‘Knap!’ En dan: ‘Hoe heb je geslapen?’ Moeilijk, moeilijk. Hij staat ‘aan’, de laatste tijd. De Vogel voelt zich scherp, klaar voor actie. Hij praat snel, honderduit. Ook wat onsamenhangend soms, en hij bekent dat hij zich rusteloos voelt.
‘Hij kent zichzelf, dat is een groot voordeel. Maar zijn hoofd kan altijd met hem aan de haal gaan.’ Over twee weken komt ze weer langs. ‘Als er iets is: meteen bellen.’
‘Dat speelt nu al een paar weken,’ zegt Ellis even later in de auto. ‘En ik heb het idee dat het toeneemt. In de gaten houden, dus, want het kan een manische periode zijn. En na de piek komt altijd weer het dal.’
Wat ze kan doen? Zorgen dat hij slaapt. Ze geeft hem kalmerende pillen: oxazepam, niet te veel, maar wel genoeg. ‘Hij kent zichzelf, dat is een groot voordeel. Maar zijn hoofd kan altijd met hem aan de haal gaan.’ Over twee weken komt ze weer langs. ‘Als er iets is: meteen bellen.’
Een bed op recept
Zo gaat zo’n dag verder. Naar Lisette (30) met vrolijke knot maar stukgesneden armen onder haar trui. Samen roken, een knuffel, even horen hoe gaat. Dat is genoeg. Daarna een Ethiopische man die zichzelf langzaam maar zeker onmogelijk maakt in het verpleeghuis waar hij semi-zelfstandig woont. Onlangs verhuurde hij zijn kamer aan nietsvermoedende Duitse toeristen, hij sliep zelf op de bank. Zijn pillen vermorzelde hij en die verkocht hij op straat als cocaïne. En echt te bont werd het toen hij op Schiphol met een mes begon te zwaaien. Er hangt hem een opname boven het hoofd, maar Ellis zegt het niet met zoveel woorden. Het zou hem maar van streek maken.
Voor Lisette (30) werken de huisbezoeken goed. Toen ze opgenomen was – een jaar lang – had ze het gevoel dat ze doordraaide. ‘Tussen de gekken word je gekker,’ zegt ze. ‘Nu doe ik mee. En als ik een terugval heb, dan weet ik wie ik moet bellen. Eerst familie, dan het FACT-team, en bij hoge nood de crisisdienst. Maar die hebben het vaak te druk, vooral in de weekends.’
‘Vanwege het beddentekort komt er nu alleen een opname als het echt uit de hand loopt. Dat betekent gedoe, vaak met politie en overlast.’
De crisisdienst vangt inderdaad de grootste klappen op van de rap afgebouwde opnameplekken. Psychiater Hoogstraten zag hoe haar werk de afgelopen jaren veranderde – lang niet altijd ten goede. ‘Voorheen kon je bijvoorbeeld een “BOR” inzetten, dat is een bed op recept. Als iemand dreigde te ontsporen, kon je diegene dan een nachtje opnemen en dat haalde een hoop druk van de crisisdienst. Daarmee kon je soms voorkomen dat het escaleerde. Vanwege het beddentekort komt er nu alleen een opname als het echt uit de hand loopt. Dat betekent gedoe, vaak met politie en overlast. En dus een grotere belasting voor de maatschappij.’

Verwaarloosd en vereenzaamd
Twee weken later: nog meer ambulantisering in de praktijk. Jedidja Fortuijn (40) is als arts in opleiding tot psychiater onderdeel van het VIP-team: Vroege Interventie Psychose. Het idee: jongeren die voor het eerst in hun leven een psychose ervaren, kunnen een keur aan problematiek op zich afkrijgen. Meteen erbij zijn, begeleiden met de juiste medicatie maar ook met praktische hulp, is tegenwoordig het idee. Zo heb je kans om afglijden te voorkomen. Ook kun je het idee doorbreken dat je na een psychose niet meer kunt functioneren. ‘Dat is een achterhaald idee,’ zegt Fortuijn. ‘Zeker ook doordat we er bovenop zitten en zo de dosering antipsychotica sneller kunnen terugbrengen – en in lage doseringen zijn de bijwerkingen beter te dragen, waardoor mensen minder belemmerd worden in hun functioneren.’ Ook dit werk gebeurt overwegend op pad. Op verschillende locaties van inGeest ziet Fortuijn haar patiënten, maar ze komt ook thuis.
‘Het moet er niet op uitdraaien dat patiënten verwaarloosd en vereenzaamd in de wijk zitten te zitten.’
Fortuijn is enthousiast over VIP en ziet ook de grote beweging in de psychiatrie positief. ‘Alle genezing in de psychiatrie begint bij het ontstaan van contact, van een relatie tussen mensen. Dat zoeken van contact heeft altijd een rol gespeeld in de psychiatrie, ook in de grote instituten ver weg op de hei. Die instituten vervreemden natuurlijk meer dan wanneer je iemand in zijn eigen huis of omgeving kan opzoeken.’
Prima dus, naar de mensen toe. Maar er is een maar: ‘Sommige mensen zijn langdurig niet in staat om de juiste keuzes te maken. En het moet er niet op uitdraaien dat patiënten verwaarloosd en vereenzaamd in de wijk zitten te zitten. Er moet voldoende waarborg zijn dat we verwaarlozing voorkomen, en we erkennen dat er altijd wel patiënten zijn die het gewoon niet redden in hun eentje.’
Vogeltjes in zijn hoofd
Op pad, dan. Het gaat niet goed met Omar, een jongen uit een Marokkaans gezin in Haarlem waar Fortuijn nu scherp op is. In badjas en onderbroek doet hij de deur open van de flat waar hij met zijn moeder woont. Zijn spraakwaterval is nauwelijks te stoppen, hooguit door zijn moeder op wier hoofddoek hij af en toe een kus geeft.
‘Hoor je dat? De wind! Vogeltjes! Het universum! Alles staat in verband met elkaar.’
Meestal is er niks vreemds aan zijn woorden. Maar opeens loopt hij naar de balkondeuren, doet ze open en wijst met een groot gebaar naar de lucht. ‘Hoor je dat? De wind! Vogeltjes! Het universum! Alles staat in verband met elkaar.’ Terwijl hij begint aan zijn theorie over hoe het leven in elkaar zit, kijkt z’n moeder naar Fortuijn. Zie je wel, zegt haar blik. Fortuijn ziet het wel. ‘Omar, het is heel belangrijk dat je nu deze pil neemt. En ik wil je het zien doen.’
Na wat tegenstribbelen loopt hij naar de keuken en hap, slik, weg. Althans, dat moet Fortuijn maar aannemen. Even later in de auto begint ze te twijfelen. En als Omar zijn antipsychotica niet neemt, kan hij snel ontsporen. Later die middag moet er toch nog iemand heen voor de zekerheid. Intensieve begeleiding, nu – voorheen was dit al een opname geweest. En inderdaad: de vogeltjes in zijn hoofd zijn harder gaan fluiten.
Een zomer vol drank en drugs
Ondertussen zit Fortuijn tegenover Jonathan (19). Hij was altijd al een dromer, maar sinds hij dagelijks blowt, verliest hij zijn grip op de realiteit. Na een zomer vol drank en drugs – ouders op vakantie, wie maakte hem wat? – werden de stemmen in zijn hoofd steeds dwingender. Belangrijk is de vraag: waren die stemmen er altijd al? Of komen ze van het blowen? In dat geval: succes met stoppen, bij de Jellinek helpen ze je verder. Maar anders zou Jonathan weleens aanleg voor psychoses kunnen hebben. En dan is andere zorg nodig. Stel die jongen de vraag en je weet het, zou je denken. Maar een duidelijk antwoord ligt te ver verstopt in zijn verdoofde puberbrein. Graven dus, hopen dat de mist optrekt.
Het leven in de psychiatrie gaat over pillen, praten en papieren – van alledrie veel.
Veel zin heeft hij er niet in. Pas na lang vissen komt hij met een levensvisie die in elk geval zijn lethargie staaft: ‘Ik hoef geen bijbaantje, het komt vanzelf naar me toe. Alles komt vanzelf naar me toe. Als ik lang genoeg denk aan hoe graag ik een Range Rover wil rijden, dan geeft het universum me er eentje. Zo werkt dat, daar ben ik van overtuigd.’ Dit soort theorieën passen bij een psychotisch ziektebeeld. Aan de andere kant: het internet staat vol met zulke theorieën en als je twintig bent, dan geloof je wat je uitkomt. Fortuijn weet het niet. ‘Het blijft een gesprek tussen twee mensen. Ik kan het niet meten of uitrekenen, ik moet zelf een inschatting maken.’
Daar heeft ze nu geen tijd voor. Ze moet door, volgende afspraak. Bovendien moet ze straks weer elke minuut op papier kunnen verantwoorden. Het leven in de psychiatrie gaat over pillen, praten en papieren – van alledrie veel. Berucht bij zowel patiënten als behandelaars zijn de ROM-vragenlijsten. ROM staat voor routine outcome monitoring, in het Nederlands zegt men: regelmatig uitkomsten meten. En het woord regelmatig mag een understatement heten. Meer en meer moet meetbaar. Dat willen beleidsmakers en zorgverzekeraars. Want meten is weten, toch? Nou ja, niet echt, eigenlijk.

Grillig
Voor veel gebieden in de zorg – waar deze noteerdrang ook leeft – geldt dat het in meer of mindere mate ook echt meetbaar is. Maar de psychiatrie is moeilijk in cijfers en modellen te vatten. Hoogstraten: ‘Het verloop van een EPA – ernstig psychiatrische aandoening zoals schizofrenie of een bipolaire stoornis – is grillig en afhankelijk van veel factoren, zoals familie, financiën en tolerantie van buren. Juist omdat psychiatrie zulk mensenwerk is, is die groeiende vraag om meetbaar zo frusterend.’
‘Instellingen die te veel diagnosegericht zijn, verwijzen patiënten vaak door, omdat ze niet in het juiste hokje vallen.’
Kortom: het is een spagaat, met aan de ene kant het papierwerk en aan de andere kant de zorg die steeds meer op maat moet, bij de cliënten thuis, elk mens een uniek geval. Fortuijn: ‘Wat mij betreft moeten we onze blik gericht houden op het belang van de relatie die je aangaat met je patiënt. Instellingen die te veel diagnosegericht zijn, verwijzen patiënten vaak door, omdat ze niet in het juiste hokje vallen.’
Maar er gaat ook veel goed in de Nederlandse psychiatrie, vindt Fortuijn. ‘We vernieuwen ons, we durven ons kwetsbaar op te stellen in onze twijfel en vakinhoudelijke onenigheid. Dagelijks zetten veel verpleegkundigen, psychiaters en psychologen zich in om te zoeken naar goede zorg voor mensen met complexe problemen. We verdragen veel onoplosbaar leed. En dat ondanks onevenredig streng financieel beleid op de psychiatrie ten opzichte van de somatiek, ondanks hoge eisen.’
Dicht op haar tranen
In een spreekkamer in Hoofddorp zit Fortuijn tegenover Nathalie (28, blonde haren, breekbare blik). Het zijn meestal maar kleine berichtjes in de krant, áls het de krant al haalt: toerist springt uit raam hotel na gebruik van verdovende middelen. In Amsterdamse hostels gebeurt het nogal eens dat cannabis of paddestoelen verkeerd vallen, met zo’n sprong tot gevolg.
De boel was bloederig. Een dubbele shift, weinig empathie van haar leidinggevende, en toen: pats, knapte er wat.
Nathalie werkt in zo’n hotel achter de receptie en ze had het niet eens zien gebeuren, die avond. Maar de nasleep kwam op haar bord, inclusief alle aanwezige gasten inlichten en de boel schoonmaken. De boel was bloederig. Een dubbele shift, weinig empathie van haar leidinggevende, en toen: pats, knapte er wat. Nathalie stortte dusdanig in dat ze psychotisch werd, dingen ging zien die er niet waren, angstig en ver weg van zichzelf.
Nu is het een paar maanden later en volgende week begint ze na lang ziekteverlof weer met haar werk. Bij de hotelreceptie dus, maar gelukkig op een andere locatie. Haar psychose bracht haar bij het VIP-team, waar ze onder begeleiding van Fortuijn herhaling probeert te voorkomen. ‘Ze zit dicht op haar tranen,’ waarschuwt Fortuijn voordat we het gesprek begint. En inderdaad, al na een paar minuten komen de waterlanders. Toch gaat het goed met haar. Ze kunnen de anti-psychotica gaan afbouwen. Aanpak geslaagd, dus.
Mensenwerk in de psychiatrie
Drie weken later, terug bij het FACT-team, bij Ellis, bij De Vogel. Het ingestorte klaptafeltje staat er niet meer. Of hij goed geslapen heeft? Behoorlijk. Hij voelt zich iets rustiger nu. Iets meer balans. Wel jammer, hij heeft een date gehad, een geslaagde date, maar daarna niks meer van haar gehoord. Om woedend van te worden. Maar dat is hij niet, dat geeft de burger moed. De pillen lijken dus te werken. Dat, en o ja, de hasj gaat er nu ook wel snel doorheen. Zes gram in een paar dagen. ‘Het is gewoon te lekker, snap je?’ Ellis snapt het. Daarom werkt het tussen die twee. Ze hebben een golflengte gevonden. De Vogel accepteert het van haar als ze zegt dat hij zijn slaappillen moet nemen. En zij accepteert zijn manieren.
‘Ik voel me in goede handen. Niet zoals ik het me ooit had voorgesteld, natuurlijk. Maar wel rustig.’
Zo moet het zijn, dat mensenwerk in de psychiatrie. De Vogel is thuis veel beter af dan in welke kliniek dan ook. Voor hem werkt deze aanpak, ziet Ellis. Hij steekt een joint op, zijn twee honden doezelen naast hem op de bank. ‘Ik voel me in goede handen. Er is altijd gedoe geweest. Nu is het rustig. Niet zoals ik het me ooit had voorgesteld, natuurlijk. Maar wel rustig.’
Ellis: ‘En nu moet het rustig blijven.’
De Vogel: ‘Daar heb ik jou voor.’
Ten behoeve van hun anonimiteit zijn sommige namen van patiënten gefingeerd.
Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (www.fondsbjp.nl).

Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.