De freudiaanse revolutie gooide de fysiologische benadering van geestesziekte volledig overhoop, en uiteindelijk zelfs de meeste aspecten van ziekte in algemene zin – met inbegrip van, zoals Freud in een van zijn meest polemische uitingen verkondigde, de dood. ‘In de freudiaanse begrippenwereld,’ schreef een auteur, ‘zoals die na die vroege, on- zekere jaren langzaam vorm heeft gekregen, bestaat het lichaam als symptoom van mentale behoeften.’
De identiteit van die auteur is een van de nooit met zekerheid opgeloste raadselen in het leven van Susan Sontag. Het boek waarin de bovengenoemde uitspraak wordt gedaan, Freud: The Mind of the Moralist, verscheen in 1959 onder de naam van Philip Rieff. Maar sindsdien heeft de vrouw van wie hij op dat moment al was gescheiden altijd beweerd dat zij in werkelijkheid de auteur ervan was. Het boek is in zoveel opzichten zo uitmuntend, en behandelt zo uitputtend de thema’s die bepalend waren voor het leven van Susan Sontag, dat het nauwelijks is voor te stellen dat dit het product is van een geest die later zulke magere vruchten zou voortbrengen.
Vernis van verwaandheid
In 1966 publiceerde Rieff nog een boek over Freud, The Triumph of the Therapeutic: Uses of Faith after Freud, maar daarna heeft hij nauwelijks nog iets geschreven. Na een kort essay getiteld Fellow Teachers, dat in 1973 verscheen, zou er pas ruim dertig jaar later weer een boek van zijn hand verschijnen. Zijn latere pennenvruchten deden zijn vroegere reputatie geen goed. In langdradig proza behandelt hij daarin opnieuw dezelfde sombere thema’s van beschavings-Untergang die zijn vroegere werk ook al karakteriseerde.
Op zijn faculteit op Penn kregen collega’s en studenten die door het vernis van verwaandheid heen keken, de indruk dat de eminente reputatie van Rieff iets onverdiends had. Er hing een zweem van zwendel rond de zich als een Britse lord kledende jongen uit de achterbuurt. De ‘uiterst ongemakkelijk in het leven staande man’ moet dit zelf ook beslist hebben geweten.
‘Het zou het einde van Philip betekenen als hij het lef zou hebben om het uit te laten komen zonder jouw naam te vermelden.’
Maar het punt wat betreft The Mind of the Moralist is niet of Philip Rieff in staat was het boek te schrijven, noch of hij eraan heeft bijgedragen: het lijkt wel degelijk op zijn research en aantekeningen gebaseerd, althans tot op zekere hoogte. De allereerste keer dat Susans iets over hun relatie vertelde, was in de brief aan Judith waarin ze haar opwinding over hun ontmoeting beschreef en over het werk dat ze als spookschrijver van recensies voor hem deed, waardoor hem ‘de moeite om het boek te lezen’ werd bespaard. Zo’n gang van zaken kan in 1950 normaal hebben geleken, maar zelfs door de meest ruimdenkende bril bezien roept die toch de vraag op waarom iemand van zevenentwintig die nog niet eens hoogleraar was een eerstejaarsstudent inhuurde om boeken te recenseren die hij zelf niet had gelezen.
Er zijn getuigen uit die tijd die Susans auteurschap van The Mind of the Moralist kunnen bevestigen. Het begint als een project van Philip. ‘Hij had een gigantische berg aantekeningen,’ zegt haar vriendin Minda Rae Amiran, ‘en daar wilde hij een boek van maken.’ Susan probeerde hem te helpen er structuur in aan te brengen, maar ‘toen dat gebeurd was, zag ze dat het nog steeds een puinhoop was’. In de jaren dat ze in Cambridge woonden, zei Amiran, ‘werkte Susan elke middag aan het herschrijven van de tekst; ze begon in feite helemaal opnieuw’. Het was zelfs méér dan elke middag: in 1956 schreef ze aan haar moeder dat ze ‘in de hoogste versnelling met het boek bezig’ was – ‘minimaal 10 uur per dag’.
Toen haar vriend Jacob Taubes haar in 1958 een baantje bij Commentary probeerde te bezorgen, bezwoer hij haar geen afstand te doen van haar auteurschap. ‘Ik zei [tegen de uitgever] dat je een voortreffelijk spookschrijver bent. Jammer dat ik jou heb moeten beloven niet te zullen vertellen in welke mate je dat bent! Heb je trouwens alle rechten op het Freud-boek van de hand gedaan? Dat zou misdadig zijn.’ (‘Ik zie je voor me terwijl je in Cambridge op bed zit te typen.’ Met een knipoog voegt hij daaraan toe: ‘Zonde van de tijd en zonde van het bed.’)
Altijd spijt
Later verklaarde ze dat ze in de slaapkamer werkte om te voorkomen dat haar vriendinnen haar zouden zien schrijven; hoe het ook zij, ze schreef Taubes dat ze inderdaad afstand van haar rechten had gedaan. ‘Ik ben ontroostbaar,’ antwoordde hij. ‘Je intellectuele bijdrage moet je nooit aan iemand anders overdragen. (…) Het zou het einde van Philip betekenen als hij het lef zou hebben om het uit te laten komen zonder jouw naam te vermelden.’
Susan heeft er altijd spijt van gehad dat ze het aan hem heeft afgestaan. ‘Het was bijna een soort bloedoffer,’ zegt Taubes’ zoon Ethan. ‘Ze was bereid het boek op te geven om van hem af te zijn.’ Veertig jaar later – lang nadat de zaak nog invloed op hun beider carrière had kunnen hebben – werd er bij Susans flat in New York aangebeld. Er werd een pakje bezorgd. Toen ze het openmaakte bleek het een exemplaar van The Mind of the Moralist te bevatten, waar de volgende opdracht in stond: ‘Susan, Liefde van mijn leven, moeder van mijn zoon, coauteur van dit boek: vergeef me. Alsjeblieft. Philip.’

Susan beweerde dat The Mind of the Moralist ‘tot de laatste komma’ van haar hand was. Philip gaf, zij het aan de late kant, toe dat ze de ‘coauteur’ van het boek was. Vooral in bepaalde passages, die over vrouwen en homoseksualiteit, lijkt het duidelijk Susan die aan het woord is. Misschien heeft hun scheiding Philips kijk op vrouwen, vooral die op lesbische vrouwen, negatief beïnvloed. Maar ook in zijn jongere jaren had- den zijn opvattingen over de rol van de vrouw wenkbrauwen doen fronsen, zoals toen hij Susan en Joyce Farber verbood om in spijkerbroek naar de bioscoop te gaan.
De invloed van Susan op zijn proefschrift, ‘Freud’s Contribution to Political Philosophy’, waarop hij in 1954 in Chicago promoveerde, lijkt minder groot te zijn geweest. Daarin wordt door de ‘traditionele man’ met instemming aan Freud de mening toegeschreven dat ‘er zelfs in de gelukkigste huwelijken sprake is van een onvermijdelijke ongelijkheid’, waarin liefde een relatie wordt ‘die zich kenmerkt door onderwerping aan autoriteit’. Deze interesse in overheersing en autoriteit, die beslist in Freuds gedachtegoed aanwezig is, komt ook naar voren in The Mind of the Moralist. Maar daar wordt die in een sterk feministisch kader ge- plaatst, dat in Philips proefschrift ontbreekt.
Nauwelijks serieus te nemen
In zijn latere carrière was hij er berucht om dat hij proefschriften van vrouwelijke studenten weigerde te begeleiden. Homoseksuelen – die hij zelf als ‘homoseksualisten’ aanduidde – waren in zijn ogen ‘walgelijk’. Voor hen was liefde niet weggelegd: Biseksualiteit is een even krachtige perversie en opstandigheid jegens de realiteit en de dwingende en legitieme weerstand die ze oplegt als homoseksualiteit. Want in liefde die seksueel van aard is dienen beide seksen te zijn betrokken, wil ze waarachtig zijn.
‘Susan was bereid het boek op te geven om van hem af te zijn.’
Het latere werk van Rieff is zo excentriek – er wordt bijvoorbeeld in gewaarschuwd dat de hiphopgroep 2 Live Crew ‘op wereldheerschappij uit is’, en er komen neerbuigende opmerkingen over Abraham Lincoln in voor – dat het nauwelijks serieus te nemen is, hoezeer het zichzelf ook serieus neemt. Wellicht volstaat het de grote kloof te noemen die er bestaat tussen Philip Rieffs mening over biseksualiteit en de roep om tolerantie die uit The Mind of the Moralist spreekt.
Meester-slaafverhouding
Het boek waar het bovenstaande citaat uit afkomstig is, My Life Among the Deathworks, stamt uit 2006, het jaar waarin Philip Rieff overleed. Er staat een liefdevolle, ingetogen opdracht in: ‘Susan Sontag, in herinnering’.
Deze opdracht was opvallend anders getoonzet dan die in The Mind of the Moralist. Toen dat in 1959 uitkwam, bedankte Rieff ‘mijn vrouw, Susan Rieff, die veel tijd aan dit boek heeft besteed’. Dit kon er kennelijk nog net van af, en het werd in latere drukken nog weggelaten ook, maar het deed bij het eerste verschijnen van het boek de wenkbrauwen wel fronsen. ‘Tjonge, wat heeft hij een hekel aan haar,’ meende Joyce Farber toen zij het in handen kreeg. ‘Haar hele leven lang heeft ze die naam nooit, maar dan ook nooit gebruikt.’ Het was een poging haar identiteit aan de zijne te onderwerpen, om zijn vrouw in de traditionele rol terug te duwen – om zijn autoriteit te bekrachtigen, om weer de baas te worden.

Net als in Sontags latere stukken over ziekte, waarin haar krachtige polemieken de twijfels die ze met zich meedroeg terzijde schoven, maskeerden haar stellige beweringen over de behoefte van een vrouw aan een onafhankelijke identiteit een even sterke behoefte zich te onderwerpen. Freud, en ook Philip, stonden niet alleen in hun idee dat elke relatie ‘een bovengeschikte en een ondergeschikte moet kennen’. Of deze bewering voor elke liefdesrelatie geldt is de vraag, maar ze zou helaas wel relevant blijken voor die van Susan Sontag. Haar onvermogen om los te laten wat Freud ‘de sadistische opvatting van de coïtus’ noemde, heeft al haar relaties op de klippen doen lopen; de door hem aangedragen oplossing, een ideale liefde, ontdaan van alle ouderlijke invloeden, waarin beiden volkomen gelijk zijn, bleek voor haar geen haalbare kaart. Haar ouderlijke invloed – die ze zelf haar ‘heftigste ervaring’ noemde bestond uit liefde die beurtelings werd gegeven en weer werd weggenomen.
Het resultaat was dat ze ‘in elke relatie een meester-slaafverhouding zag’, schreef ze een paar jaar nadat ze was gescheiden. ‘En steeds opnieuw was de vraag welke rol ik moest aannemen. Ik gedijde het best als slaaf; dat gaf me de meeste voldoening. Maar of je nu de meester of de slaaf bent – je bent even onvrij.’
Sontag, haar leven en werk van Benjamin Moser is vertaald door Lidwien Biekmann en Koos Mebius en verschijnt 17 september bij De Arbeiderspers, €49,99.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.