De jongste van de twee mannen kijkt op van zijn Arabische koffie, zijn vraag blijft in de lucht hangen.

Ik kijk nerveus van hem naar zijn huisgenoot, naast hem op de lage bank in deze schemerige kelder onder de soek van Jeruzalem. Het enige licht valt zijdelings langs de steile stenen trap achter hem naar beneden, net als het geschreeuw van de markt boven ons, het geratel van karren vol granaatappels, het geduw. Mijn telefoon doet het niet meer.

Hij wacht verwachtingsvol op een antwoord. De andere man slurpt luid van zijn koffie. Helemaal uit België zie ik mijn moeder zich naar me toedraaien. Ze vraagt stekelig: en hoe ben je ook alweer in een kelder in Jeruzalem beland?

Een paar uur daarvoor was ik nog in paniek door de straten van de oude soek aan het jakkeren, onderweg naar een cruciale ontmoeting voor de research voor mijn roman. Na maanden appen zou ik eindelijk een soldaat ontmoeten die in dezelfde brigade dienst doet als mijn hoofdpersoon. Het voelde als een ontmoeting...