Mijn man woont inmiddels langer in Nederland dan in Suriname, zijn geboorteland. De eerste vierentwintig jaar van zijn leven waren Surinaams, en dat heeft ervoor gezorgd dat hij een heel reëel beeld heeft van het land in de tropen. Hij verheerlijkt het niet, en ook is er geen sprake van ressentiment of minachting. Het voordeel, vindt hij zelf, is dat hij opgroeide op een plek waar kleur niet de uitzondering was maar de regel. De president was gekleurd, de rechters, de bankdirecteur en de parlementariërs. Ja, en ook de vuilnismannen.
Ik geloof dat het met die vuilnismannen ook in Nederland wel snor zit qua diversiteit, maar in de hogere echelons, van wetenschap tot rechtspraak en politiek, is de bruine of zwarte mens de eenling. Dat moet iets met je doen, zeker als je niet hier geboren bent en geen tastbare herinneringen bewaart aan Suriname. Je ouders hebben Suriname achter zich gelaten, dit is jouw land, maar de kans is klein dat je een gekleurde hoogleraar treft, of in het minder glorieuze geval een zwarte officier van justitie.
Al die topposities, ook in het bedrijfsleven, zijn vaak in vanzelfsprekend blanke handen, alsof het ooit bij wet zo is afgesproken. Dat is niet zo, en er valt een lange verhandeling te houden over de verschillen in slavernijverleden en migratiegeschiedenis tussen bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Nederland, maar de zwarte of gekleurde Nederlander die onbevangen om zich heen kijkt, ziet zichzelf niet veelvuldig terug in wat we zo fraai ‘voorbeeldfuncties’ noemen.
Je mocht geen verschil maken, maar ik deed het stiekem wel.
Van de weeromstuit zou zo iemand ertoe kunnen overgaan het Surinaamse of Antilliaanse leven te bewieroken, niet geplaagd door een teveel aan kennis of ervaring. Drie vakantieweken in de tropen zijn per definitie leuker dan drie regenachtige werkweken in een land waar je ook nog belasting moet betalen. En zo komt het dat Nederlanders van Surinaamse komaf, die enkel kunnen terugkijken op een Hollandse jeugd en Hollandse kappers die vroeger niet wisten wat ze met kroeshaar moesten beginnen (ik kan getuigen) zich veel ongeduldiger tonen dan de Surinamers die een groot deel van hun leven daar sleten. Dat ongeduld is voorstelbaar: de verkleuring van Nederland mag dan op straat wel een feit zijn, in de directiekamers zie je haar nauwelijks terug. Onze volksvertegenwoordigers zijn voor het overgrote deel blank (en man). Moet een zwarte kiezer dan per se op een zwarte parlementariër stemmen? Nee, maar de keus is nu zo miniem dat de verleiding groot kan zijn kleur belangrijker te vinden dan het ideeëngoed van de een of de ander. Dat en dat alleen verklaart de aantrekkingkracht van DENK. Het is niet vergezocht om de bestaande partijen achterstallig onderhoud te verwijten.
In mijn eigen jeugd wemelde het nu ook niet bepaald van bruin en zwart om me heen. Mijn zusje, de twee Indische pleegkinderen en daarna full stop. Ik wist niet beter, ik had blanke ouders, ik zag de verschillen maar vond ze niet onoverkomelijk. En toch: nu ik terugkijk, is er iets wat ik me realiseer, met een licht gevoel van gêne. Want kleurenblind was ik, maar kennelijk toch niet helemaal. Ik voelde me het meeste thuis bij kennissen en vrienden van mijn ouders die Joods waren – ook daar struikelde je niet over in Twente. Bij tante Henny – vaderjood, zoals dat racistisch heet – die zich bekeerde tot het jodendom. Voor mij waren zij net even anders dan de anderen, en op de een of andere manier voelde ik me bij hen instinctief op mijn gemak. Daarover sprak je niet, dat was not done, je mocht sowieso geen verschil maken, maar ik deed het stiekem wel.
Dat kleur vanzelfsprekender wordt in Nederland, ook in de ‘hoogste regionen’, zoals dat heet: dat is wat ik wens in mijn allerlaatste VN-column.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.