Het verbaast mij niet meer dat Fré Cohen in 1929 de functie van grafisch ontwerpster bij de Stadsdrukkerij van Amsterdam ‘met buitengewoon veel opgewektheid zou aanvaarden’ als ze werd voorgedragen. Ze had al menig ontwerp voor de drukkerij gemaakt dat bewondering oogstte. En getuige de foto’s die van haar bekend zijn moet opgewektheid een permanente stemming voor haar zijn geweest. Op de ene na de andere foto kijkt ze geamuseerd in de camera, bijna betrapt in het naar haar zin hebben in het leven.

Dat is een van de kenmerken van Fré Cohen: de zin om onverwijld aan het werk te gaan met het maken en het mooi maken van iets. In De letterbak, de roman over haar leven van Edith Brouwer, gaat het een paar keer over de onrust die altijd in haar zat, ‘een verlangen naar meer’. Een verlangen naar meer, terwijl ze toch al zo veel had en op handen werd gedragen door elke nieuwe opdrachtgever. Er waren al vroeg de nodige mensen in Cohens leven die bij het zien van haar tekeningen zin kregen dit talent verder te helpen. Er waren ook wel mensen die aan haar moesten wennen, zoals de typografen van de Stadsdrukkerij die zich op hun terrein niets wilden laten zeggen door een vrouw. Ze kon soms autoritair zijn omdat ze niet wilde afwijken van het ontwerp dat ze voor ogen had. Ze zette vanaf het begin haar naam of haar initialen onder haar werk.

De ontdekking van haar talent

Fré Cohen werd aanvankelijk niet opgeleid tot grafisch ontwerpster of kunstenaar. Haar vader was diamantbewerker. Die had niet altijd werk. Hij kon het zich financieel niet permitteren zijn dochter naar een kunstacademie te sturen. Dus ging Fré naar de mulo en daarna meteen ergens aan het werk, onder meer bij de Draka, de Draad- en Kabelfabriek. Ze is achttien wanneer de directeur tegen haar zegt dat het hem ter ore is gekomen dat ze verdienstelijk kan tekenen. Of ze vanmiddag niet een tekening kan maken die gebruikt kan worden voor een advertentie die deze week nog in de krant moet.

In diezelfde tijd is ze actief lid van de AJC, de Arbeiders Jeugd Centrale, en neemt deel aan fietstochten en kampeerweken. Ook daar hebben ze snel gezien dat Fré kan tekenen en begint ze verslagen te illustreren die gemaakt worden van de activiteiten. Ook Koos Vorrink, de oprichter van de Centrale, heeft Fré’s talent snel gezien. Hij vraagt haar een tekening te maken voor het omslag van Opgang, het nieuwe tijdschrift voor de jeugd over kunst, wetenschap en de arbeidersbeweging. De linosnede die ze maakt valt iedereen op. Of ze niet bij de uitgeverij Ontwikkeling wil komen werken, de helft administratief werk, de ander helft ontwerpen maken voor brochures en andere publicaties. Die uitgeverij is gelieerd aan De vooruitgang, de drukkerij waar het dagblad Het Volk wordt gedrukt. Ze wordt er kind aan huis.

Voor de kunstnijverheidsschool Quellinus ontwierp ze in 1923 het uiterst moderne diploma van de school. Zo werd ze ‘een wegbereider van de moderne typografie’.

Bij uitgeverij Ontwikkeling (die later De Arbeiderspers gaat heten) maakt ze kennis met Alice van Nahuys met wie ze bevriend raakt. Wanneer Van Nahuys in de directie van uitgeverij Querido komt mag Fré Cohen omslagen voor boeken gaan maken (het worden er 69). Hoe goed het haar ook gaat, ze vindt dat ze nog een grafische opleiding moet volgen. Naast haar werk gaat ze naar de Grafische School. Daarna, in 1924, ze is dan eenentwintig, wil ze nog op een echte kunstopleiding. Met financiële steun van de afdeling Onderwijs van de gemeente Amsterdam in de persoon van Henriëtte van Dam-van Isselt, gaat ze naar het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (de latere Gerrit Rietveld Academie) in de door Berlage gebouwde school aan de Gabriël Metsustraat. Voor de kunstnijverheidsschool Quellinus had ze ondertussen al in 1923 het uiterst moderne diploma van de school ontworpen. Met zulke ontwerpen werd ze ‘een wegbereider van de moderne typografie’.

Arbeid en schoonheid verbonden

Wat Fré Cohen allemaal ondernam rond haar twintigste kwam niet uit de lucht vallen. De energie kwam uit haar zelf, maar werd sterk gevoed door haar socialistische gezindheid zoals ze die leerde kennen door haar vader. Die was actief was in de diamantbewerkersbond onder leiding van Henri Polak. Het door Berlage ontworpen bondsgebouw was haar vertrouwd. In de AJC was ze op het dweperige af actief, door Edith Brouwers in haar roman Joop der Heul-achtig nog wat aangedikt: ‘De warmte van het vuur en de mensen maken de kampeerweek voor haar een intense ervaring. De week vliegt voorbij. Fré schrijft en tekent haar hele schrift vol. Ze heeft al heimwee naar haar nieuwe vrienden nog voor ze weer thuis is’. Ze ging geheel op in de Paasheuvel-romantiek, met gezwollen taal en adoratie van de natuur en al.

Dat verhinderde niet dat ze uitgesproken en streng was in haar ambitie om van wat ze tekende en ontwierp iets te maken waarmee ze zich in esthetisch opzicht onderscheidde. Ze werd het gezicht van de AJC en maakte van al het drukwerk, omslagen, statistieken, toegangsbewijzen, tijdschriften, insignes en briefpapier een Gesamtkunstwerk. In haar leefde ‘de hoge wil’ om van alles, van elk gebruiksvoorwerp, iets moois te maken. ‘Arbeid en schoonheid’ moesten verbonden worden.

In de jaren twintig maakte ze verschillende keren de kalender voor drukkerij De vooruitgang. A.M. de Jong (de schrijver van Merijntje Gijzen en Bulletje en Bonestaak) schreef daarover: de nieuwe kalender ‘heeft zich op zeer gelukkige wijze aangepast aan de moderne eisen en legt in haar smaakvolle verdeling van kleur en lettertype getuigenis af van het kunnen der drukkerij en van de bekwaamheid van Fré Cohen’. ‘Een knap staaltje van handelstypografie,’ schreef het vakblad De Reclame. Cohen was vanaf het begin vertrouwd met de stijl van De Amsterdamsche School, met het niveau van het tijdschrift Wendingen van H. Th. Wijdeveld en met de Nieuwe Zakelijkheid.

Hier had de perfecte verheffing van een gewoon voorwerp plaats, zonder esthetisch pretentieus te zijn.

Edith Brouwer volgt in haar roman het feitenrelaas van Fré Cohens leven zoals we dat kennen uit het boek van Peter van Dam en Philip van Praag uit 1993. Ze voegt daar het persoonlijk leven van Cohen aan toe door familie, vrienden en engelen (de mensen die haar professioneel goed gezind waren) aan toe. In vergelijking met haar zus Fie ging Fré Cohen zo op in haar werk dat er van intiemere relaties niet veel kwam. Haar vriendinnen trouwden en kregen kinderen, zij keek met verwondering naar Alice van Nahuys wanneer die weer eens ad hoc verliefd werd op een ober van Schiller. Zelf hield ze het bij goede vriendschappen, zoals met de Joodse dichter Joseph Gompers.

In de kalenders, de logo’s, de boekomslagen die Fré Cohen maakte is haar typografische handschrift moeiteloos te herkennen, maar het kreeg zijn iconische herkenningspunt in de typografie en vormgeving van het Giroboekje. Op de tentoonstelling in het Museum Het Schip is het terecht uitvergroot omdat het een voorbeeld is van een esthetisch aantrekkelijk doodgewoon gebruiksvoorwerp. Hier had de perfecte verheffing van een gewoon voorwerp plaats, zonder esthetisch pretentieus te zijn. Hetzelfde gebeurde met het Trouwboekje van de gemeente Amsterdam, op het juiste moment door Henriëtte van Dam van Isselt aan Fré Cohen in 1929 toevertrouwd. Je wilde wel trouwen om dat boekje te krijgen.

‘Even cheque books look lovely’

Ook al had Fré Cohen, hoewel zelf jood, vanuit haar verheffingssocialisme geen speciale belangstelling voor het jodendom, ze werd er door haar omgeving in de jaren dertig vanzelf bij betrokken, dus ook bij het steeds virulenter wordende antisemitisme. Als ze ziet dat Koos Vorrink wordt aangeklaagd wegens belediging van een bevriend staatshoofd ontstaat een rusteloze machteloosheid in haar. Ze wil ook iets doen. Om tegenwicht te geven aan het antisemitisme stelt Joseph Gompers haar voor om samen Zwerftochten door Klein Jeruzalem (Amsterdam) te gaan maken en alle plaatsen en gebouwen langs te gaan die iets met het jodendom te maken hebben. Zij maakt tekeningen bij zijn verhalen. Er verschijnen veertien afleveringen in het Nieuw Israëlitisch Weekblad.

Wanneer in 1940 de oorlog is uitgebroken kan Cohen nog tamelijk lang doorwerken, maar wel onder het pseudoniem Freco. Ze heeft een stempel die dat mogelijk maakt. Ze geeft zelfs nog les op de nieuwe Kunstnijverheidsschool van W.A. van Leer, dertien uur per week, samen met Jo Spier. Tot ook zij een brief krijgt om zich te melden. Daarmee begint een zwerftocht in Amsterdam langs twaalf onderduikadressen, tot het te gevaarlijk wordt en ze uiteindelijk in Borne in Overijssel bij Hendrik en Mien Zomer terechtkomt. Daar verblijft ze maanden, totdat ze wordt verraden. Ze had al te kennen gegeven dat de Duitsers haar niet levend te pakken zouden krijgen. Wanneer twee Nederlandse SS’ers het huis binnen komen vraagt ze of ze nog even naar het toilet mag. Daar neemt ze vergif in.

Het werk van Fré Cohen was in de jaren twintig al zo vermaard dat een Engels vaktijdschrift naar aanleiding van het Amsterdamse Giroboekje schreef: ‘Amsterdam makes even cheque books look lovely’. In 1934 gaf ze in Engeland lezingen over de Modern lay-out in Holland. Op haar negentiende maakte ze in 1922 voor uitgeverij Ontwikkeling een logo van een naakt meisje dat drinkt van de bron van kennis en cultuur. Dat bleef ze doen. Er werd elke tien jaar wel over haar geschreven als ‘een ‘vergeten kunstenaar’.

Met de tentoonstelling in Museum Het schip en de roman over haar kunnen we dat nu wel vergeten.

De tentoonstelling Fré Cohen, grafisch kunstenares is nog tot 4 september 2022 in het Amsterdamse School Museum Het Schip.

De letterkast. Roman over het leven van Fré Cohen door Edith Brouwer is uitgegeven door Uitgeverij Orlando.