In april 2019 liep ik nietsvermoedend door Tel Aviv, toen ik een affiche zag met ‘Israel Calling’ erop. Een paar weken later zou het Eurovisie Songfestival in Portugal beginnen. De poster bleek reclame te zijn voor een gratis feestelijke avond de volgende dag, waarop de meeste artiesten die dat jaar meededen waren opgetrommeld om in Tel Aviv alvast hun lied ten gehore te brengen. Als trouwe fan kon ik mijn geluk niet op en mijn reisgenoot voelde de bui al hangen.
Ik houd van het Eurovisie Songfestival, ik schreef er als masterstudent Holocaust- en Genocidestudies zelfs mijn scriptie over. Het is de enige plek waar je zonder ironie een optreden te zien krijgt waar een piano in de fik vliegt, een vampier opera zingt op een dubstepbeat, een groep monsters hardrock speelt of een jaren tachtig-versie van Dzjengis Khan op het podium aerobics doet. Vanavond is het weer zover en mogen we genieten van het festival waar smaak niet bestaat en less is more overschreeuwd wordt door glitters, vuur en lichtshows.
41 landen doen dit jaar mee, waarvan er vanavond 26 in de finale staan. Twee landen die vorig jaar nog meededen haakten af: Oekraïne trok zich terug vanwege contractuele problemen, Bulgarije om financiële redenen. Meedoen aan het Eurovisie Songfestival is doorgaans namelijk nogal duur: gemiddeld kost deelname een half miljoen euro. Al hangen de precieze kosten natuurlijk af van de act: zo’n zelfontvlammende piano kost meer dan drie mannen van wie de voornamen allemaal met een J beginnen.
meer dan muzikaal geweld en glitter
Voor landen die jaar op jaar niet door de halve finales komen, is het de vraag of meedoen wel loont. Bosnië en Herzegovina kampte lang met financiële problemen bij de Bosnische publieke omroep en deed in 2016 weer een jaartje mee, om zich daarna weer terug te trekken. Net als Bulgarije doet ook Luxemburg niet mee vanwege financiële redenen en hetzelfde geldt voor Slowakije.
Het wordt er niet goedkoper op als je hebt gewonnen, want ook het organiseren is ontzettend duur. Israël, de winnaar van vorig jaar, geeft deze week ongeveer 35 tot 45 miljoen euro uit. Publieke omroepen kwamen in het verleden weleens in de problemen wanneer er het jaar na de overwinning georganiseerd moest worden. Toen Israël eind jaren zeventig twee keer achter elkaar won, kon het de tweede keer het geld niet meer ophoesten en werd het festival in 1980 noodgedwongen in Nederland georganiseerd.
Naast voetbalwedstrijden zag de European Broadcasting Union potentie in een internationale muziekcompetitie. Eenheid door gezelligheid.
Waarom dan toch meedoen? Omdat het Eurovisie Songfestival meer is dan een liedjeswedstrijd van muzikaal geweld en glitter.
In 1956 werd het festival opgericht als The Grand Prix Eurovision de la Chanson Européenne, om een beetje internationale gezelligheid op de buis te creëren. Het waren de jaren waarin de televisie de huiskamers veroverde (in 1966 had 75 procent van de Nederlandse huishoudens er een). De European Broadcasting Union (EBU) was in 1954 opgericht om pan-Europese uitzendingen te realiseren. Naast voetbalwedstrijden zag het hoofd van de EBU (en vriend van Jean Monnet, ‘de geestelijk vader’ van Europa) Marcel Bezençon de potentie van een internationale muziekcompetitie. Eenheid door gezelligheid.
Al snel groeide het festival van zeven landen in 1956 (Zwitserland, Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk, Italië en West-Duitsland) naar de 41 van dit jaar. Om mee te mogen doen moet je lid worden van de EBU. Dat was vroeger best handig, want dan kon je ook internationale voetbalwedstrijden uitzenden. Lid worden kunnen alleen publieke omroepen van landen ten noorden van de 30ste breedtegraad en ten westen van de 40ste lengtegraad, en als de landsgrenzen daarbuiten vallen, moet het land lid zijn van de Raad van Europa, zoals festivaldeelnemers Armenië en Azerbeidzjan.
Australië was de uitzondering: in 2015 mocht het land ter ere van het zestigjarige jubileum van het festival een poging wagen. Als het land zou winnen, was het het jaar erop weer welkom. Australië won niet, maar blijkbaar beviel de vuurdoop en doet het land nu alweer voor de vierde keer mee.
Zingend naar binnen
Het oorspronkelijke clubje Eurovisie-landen uit 1956 groeide toevalligerwijs ook uit tot de harde kern van Europese integratie en naoorlogse economische bloei. De motor van Europa ging langzaamaan weer ronken. Met als gevolg dat meedoen aan het festival voor de minder succesvolle landen een teken werd ook bij Europa te horen.
Zeker voor landen die wat te bewijzen hadden, zoals Spanje onder Franco, voormalig Joegoslavië na Tito, en Oost-Europa na de val van de muur, was deelname meer dan symbolisch. Toen Estland in 2001 won, werd de overwinning in het land gevierd als een stap richting de Europese Unie en integratie. ‘We kloppen niet langer aan de deur van Europa, we lopen zingend naar binnen’, verkondigde president Mart Laar.
Daarnaast, en misschien nog wel belangrijker, biedt het Eurovisie Songfestival landen een podium om de rest van de wereld (186 miljoen kijkers in 2018) te laten zien wie jij bent en wat je kunt. Zeker na de grote toename in landen na de val van de Muur werd dit een belangrijke reden om als de wiedeweerga op de Eurovisie-bühne te gaan staan. Als je bestaansrecht jarenlang was opgeslokt door een Grote Onderdrukker, is het podium van het Eurovisie Songfestival een erkenning van je bestaansrecht. Overigens vreesde de Sovjet-Unie in haar tijd al de aantrekkingskracht van het Songfestival op Oost-Europese landen, en kwam met een eigen variant: de Intervision Song Contest.
We horen een deuntje op een fluit, het blijkt een frula, de traditionele Servische fluit te zijn. Iemand zingt over abrikozen, blijkbaar de nationale vrucht van Armenië.
Niet alleen besta je als Europees land pas echt als je meedoet aan het Songfestival, je bent ook zichtbaar. En hoe je je toont, heb je helemaal zelf in de hand.
Wat in West-Europa vaak als folkloristische kitsch wordt bestempeld, is voor ‘jongere’ landen een uiting van de eigen identiteit en daarmee een bevestiging van het bestaansrecht. Een vorm van nationalisme bedoeld voor een groot publiek. We horen een deuntje op een fluit, het blijkt een frula, de traditionele Servische fluit te zijn. Iemand zingt over abrikozen, blijkbaar de nationale vrucht van Armenië. We zien een zangeres in lappen kleding, het blijkt geïnspireerd op traditionele Oekraïense klederdracht. Er zit vaak veel meer achter de presentaties dan het onwetende oog ziet.
Een scherp randje
Natuurlijk is niet elke inzending van het Eurovisie een weldoordachte aaneenrijging van verwijzingen naar culturele identiteiten, eeuwenlange geschiedenis en muzikale tradities. Er zijn genoeg inzendingen die daar ver van blijven. Maar de landen die zich er wel aan wagen, geven het festival een scherp randje.
Servië bracht na de Joegoslavische oorlogen, toen het land internationaal een reputatie had van geweld, machismo en bloedvergieten, voornamelijk zachtaardige, rustige liedjes naar het festival. Gezongen door net geklede, goed verzorgde mannen. Of emotionele ballades door rustige vrouwen. Op die manier wilde het land afkomen van de associatie met agressieve turbo-folk en de rol die dat genre had gespeeld tijdens de bloedige oorlogen.
Voor het oog van miljoenen kijkers suggestief Lasha Tumbai zingen met zwaaiende handbewegingen, dat is een politiek statement.
In 1979 moest Turkije zich noodgedwongen terugtrekken omdat de tweede oliecrisis in volle gang was in het Midden-Oosten, als gevolg van de Iraanse Revolutie. Het jaar erop stuurde Turkije Ajda Pekkan met het lied ‘Pet’r Oil’, een liefdesverklaring aan een man genaamd Pet’r Oil (zeg dat maar eens drie keer snel achter elkaar).
Een nog mooier en vooral vreemder voorbeeld is de Oekraïense inzending ‘Dancing Lasha Tumbai’ van Verka Serduschka uit 2007. Verka Serduschka was verkleed als futuristisch geklede vrouw met een aluminium-zilver pakje, die op een drukke Europop-beat met zwaaiende danspasjes Lasha Tumbai ten gehore bracht. Op de achtergrond dansten twee mannen in zilveren, iets te strakke legerpakjes vrolijk mee. Een derde beroerde in goud de accordeon naast twee eveneens in goud geklede achtergrondzangeressen.
Apart, maar politiek beladen? Ja. ‘Lasha Tumbai’, niet bestaande woorden, klinkt fonetisch vrijwel identiek aan ‘Russia goodbye’. Bij optredens in Oekraïne zelf zong Verka Serduschka het lied met de letterlijke woorden. Betekenisvol in de nasleep van de Oekraïense Oranjerevolutie van 2004, toen er massaal werd geprotesteerd tegen de oneerlijke verkiezingen waarin de pro-Russische Janoekovytsj als winnaar uit de bus kwam, maar moest aftreden door de demonstraties. Voor het oog van miljoenen kijkers suggestief Lasha Tumbai zingen met zwaaiende handbewegingen, dat is een politiek statement. Rusland was not amused.
Nog een voorbeeld uit hetzelfde land. Nieuw conflict, oude vijand. Vlak na de Krim-annexatie door Rusland in 2014 kwam Oekraïne op het Eurovisie Songfestival aanzetten met ‘1944’, een emotionele tour de force van zangeres Jamala over de deportatie van Tataren uit de Krim in 1944 door Stalin. Je hoeft geen genie te zijn om de paralellen te zien, ook niet om te bedenken dat Rusland hier absoluut niet blij mee was. Maar ondanks het Russische protest mocht Jamala meedoen en won ze ook nog.
Politieke steken onder water
Wat al deze politieke steken onder water des te saillanter maakt, is dat de liedjes van het Eurovisie Songfestival helemaal niet politiek mógen zijn. ‘The ESC is a non-political event’, luidt artikel 2.6 van het officiële reglement (nooit spelregels zeggen!), en dat geldt niet alleen voor het evenement, maar ook voor de inzendingen. De naleving ervan is in de realiteit nogal fluïde. Een lied als ‘1944’ mocht meedoen omdat het niet expliciet politiek is. Hetzelfde gold voor ‘Lasha Tumbai’.
Toch wordt het de EBU soms te gortig, zoals in 2009, toen Georgië mee wilde doen. Een jaar eerder woedde de oorlog in Zuid-Ossetië; een grensconflict tussen Georgië en Rusland. Georgië werd gediskwalificeerd omdat de tekst van het nummer ‘Put In Disco‘ een tikkeltje te veel klonk als ‘We don’t want Putin’ met daaropvolgend: ‘your negative moves are killing the groove’, en dat ging te ver. Dus wordt er tussen de regels door politiek gezongen.
In 2015 kwam Armenië met het nummer ‘Don’t Deny’. Honderd jaar na de Armeense genocide, die nog steeds niet erkend wordt als zodanig, vroeg het land via het Songfestival aandacht voor de slepende kwestie met Turkije. De formatie Genealogy (waarvan vijf van de zes bandleden lid waren van de Armeense diaspora) vormde op het podium een vergeet-mij-nietje, de officiële bloem van de herdenking.
Na forse kritiek van Turkije werd de titel van het lied veranderd naar ‘Face the Shadow‘, maar inhoudelijk bleef het lied hetzelfde: de groep zong in uithalen ‘don’t deny’ en ‘face every shadow purified’, duidelijk verwijzingen naar de genocide en het ontkennen ervan door Turkije. Dat mocht wél.
Israël stopt graag verwijzingen naar vrede in zijn inzendingen, hoewel het land sinds 1948 vrijwel continu met buurlanden in conflicten verwikkeld is.
Er wordt niet alleen over oorlogen gezongen, maar ook over vrede. De Duitse overwinning in 1982, ‘Ein bisschen Friede‘ is een typisch voorbeeld. En ten tijde van het uiteenvallen van Joegoslavië en de bijbehorende oorlog, kwam Bosnië en Herzegovina met een deprimerend lied over oorlogsleed en de wens voor vrede, met de tekst: ‘Alle pijn van de wereld is vanavond in Bosnië’ (Sva bol svijeta je noćas u Bosni). Het doel was het overbrengen van een perceptie van Bosnië als slachtoffer van het conflict.
Israël stopt, als land dat sinds de oprichting in 1948 vrijwel continu met buurlanden in conflicten verwikkeld is, graag verwijzingen naar (bijbelse) vrede in zijn inzendingen. Het won in 1979 met ‘Hallelujah’, gezongen door Gali Atari en Milk and Honey. Daags voor de overwinning tekende Israël de vredesverklaring met Egypte. Het lied was symbolisch voor de staat van het land op dat moment.
Gelikt plaatje
In 2000 stuurde Israël de olijke discoband PingPong naar Stockholm, waar het festival toen plaatsvond. De band zong over een liefdesrelatie tussen een Syrische jongen uit Damascus en een Israëlisch meisje.
PingPong werd op de vingers getikt door de Israëlische publieke omroep toen de bandleden tijdens de repetities met een Syrische vlag naast de Israëlische zwaaiden, maar daar trokken ze zich niks van aan en deden hetzelfde tijdens de finale. De Israëlische publieke omroep nam zelfs officieel afstand van het optreden, maar liet het wel doorgaan. De band representeerde niet meer het land, alleen nog zichzelf, verklaarde de omroep. Het optreden was overigens geen succes: PingPong werd 22ste van de 24.
Dat Israël dit jaar het Songfestival (weer) mag organiseren, is voor Israël de ideale manier om zijn publieke imago op te poetsen. Eurovisie is serious business in Israël. Niet verrassend als je bestaansrecht van begin af aan betwist wordt door andere landen – het meedoen van Israël was voor Noord-Afrikaanse landen die aan de deelnamecriteria voldoen, zoals Marokko en Tunesië, reden om af te zien van het festival. Veel Arabische landen zenden het festival wel uit, maar gaan over naar het reclameblok zodra Israël aan de beurt is. Bij deelname ben je als land verplicht het hele optreden uit te zenden, en dat weigeren ze.
Dat het Eurovisie Songfestival een politieke bedoening is, zag ik in Tel Aviv.
Israël doet het relatief goed op het festival: vier keer winst in 41 jaar. Dat het festival er een politieke bedoening is, zag ik op de betreffende avond in Tel Aviv. De avond was een samenwerking tussen de gemeente Tel Aviv, het ministerie van Buitenlandse Zaken, het ministerie van ‘Jerusalem Affairs and Heritage’, het ministerie van Toerisme en het Joods Nationaal Fonds. Op zich al een opvallend rijtje. Bij de sponsoren van het Nederlandse equivalent Eurovision in Concert is geen ministerie te bekennen.
Halverwege de show in Tel Aviv hield de minister voor Sociale Gelijkheid Gila Gamliel een praatje. Ze prees de organisatie en de aanwezigheid van alle Songfestival-deelnemers ten tijde van de zeventigste verjaardag van het land. ‘Though just seven decades old, Israel is a thriving and vibrant democracy.’ Vrij ongebruikelijk voor een muzikaal festival. Het ministerie van Buitenlandse Zaken ging live op Facebook tijdens het spektakel, alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat een ministerie van Buitenlandse Zaken zich daarmee bezighoudt.
Premier Netanyahu noemde Netta, de winnares van vorig jaar ‘the best ambassador of Israel’. Hij twitterde zelfs een filmpje waarin hij dezelfde kippengebaren maakt als Netta tijdens haar optreden.
Het land zal dit jaar alles uit de kast halen om een indrukwekkende show neer te zetten. Tijdens de tweede halve finale werd bekend gemaakt dat Madonna zaterdag twee liedjes ter gehore komt brengen. De Queen of Pop zal het organiseren van het Songfestival er niet goedkoper op maken.
Het festival is de ideale afleiding van al het geweld van de afgelopen tijd tussen Israël en Hamas, net zoals de winst vorig jaar de controversiële opening van de Amerikaanse ambassade in Jeruzalem overschaduwde. Een diplomatieke missie, verbloemd met glitters, hoge noten en douze points. Hello Europe!
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.