Nu ik u toch aan de lijn heb: hebt u toevallig De donkere kamer van Damokles gelezen? Ik tot heel recentelijk niet, wat een tikje vreemd mag heten, aangezien ik de afgelopen 35 jaar gemakkelijk 90 procent van de Totale Hermans tot mij heb genomen, en in ieder geval al de overige belangrijke titels, tot De God Denkbaar Denkbaar de God toe. Maar, tja, om de een of andere reden was het al die tijd nooit van Damokles gekomen.

Maar nu moet ik u toch bekennen: ben ik blij, nu ik het boek onlangs geheel uitgelezen heb dichtgeklapt?

Nee.

Is dit een van de Absolute Toppen van de naoorlogse twintigste-eeuwse Nederlandse literatuur? Die reputatie heeft deze roman – maar ik begrijp, nu ik ‘m dan eindelijk gelezen heb, wérkelijk niet waarom.

Advertentie

Advertentie

Dit boek kan, lijkt mij, alleen de oprechte belangstelling vasthouden van iemand die psychisch op dezelfde manier bedraad is als hoofdpersonage Henri Osewoudt, en dat is een sociopathische seriemoordenaar die lelijk in de knel komt te zitten als hij na de oorlog de liquidaties en de moorden die hij zonder met de ogen te knipperen heeft gepleegd niet overtuigend kan beargumenteren.

Hermansiaanse miezerigheid

De mensen die hij uit de weg heeft geruimd waren weliswaar óf Duitse bezetters óf collaborateurs (onder wie zijn eigen vrouw) – maar de man in wiens opdracht de dan nauwelijks twintigjarige Osewoudt aan zijn verzetscarrière begonnen is, naar zijn eigen verklaringen die hij na de oorlog aflegt, is namelijk een zekere Dorbeck, luitenant van de Nederlandse strijdkrachten. Die man lijkt behalve door hem, Osewoudt, zelf nooit door enig ander iemand die dan nog in leven is te zijn gezien. En, goed, zijn slachtoffers waren dan wel fout — maar is het niet wel héél toevallig dat álle verzetsmensen met wie hij in contact is gekomen (afgezien van de geheimzinnige Dorbeck) de Duitsers in handen zijn gevallen en daar het leven bij hebben verloren, terwijl hij zelf, hoewel ook hij wordt gepakt (en bij die gelegenheid afgetuigd), verder zonder een centje pijn het einde van de oorlog haalt, levend en wel?

Het verhaal, dat een je de keel dichtschroevende tragedie had kunnen zijn, gaat ten slotte ten onder in zeurderigheid.

Kortom: hij wordt voor een verrader gehouden en niemand gelooft hem, hij kan van het bestaan van die Dorbeck van hem immers ook niet één overtuigend materieel bewijs leveren. Van de twee cruciale foto’s waar de man op stond, althans volgens Osewoudt, verpest hij zelf, nog helemaal in het begin van de bezetting, de eerste bij het ontwikkelen. De tweede blijkt domweg niet op het fotorolletje te staan waar ze naar zijn onwrikbare overtuiging op móést staan.

Die hele afwikkeling van de plot, met Osewoudt die zich probeert te rechtvaardigen en daar telkens weer niet in slaagt, wordt om te beginnen heel lang uitgesponnen, te lang, je verliest uiteindelijk domweg je belangstelling, en wel door de zeer specifieke hermansiaanse miezerigheid van alles, ik vind er geen beter woord voor, de autistische mist van misschien niet en misschien wel, ware feiten en details waarvan nooit het grotere geheel duidelijk wordt. Waardoor dit verhaal, dat een je de keel dichtschroevende tragedie had kunnen zijn, ten slotte ten onder gaat in zeurderigheid.

‘Een paar blauwe plekken en een bloedneus’

Maar even erg is de wel heel flauwe mogelijke verklaring die Hermans in het laatste kwart van het verhaal suggereert: is die Dorbeck niet gewoon een verzínsel van Osewoudt? Een waanvoorstelling van een psychisch niet bepaald goed sporend iemand? (Qua rancune, gefrustreerdheid met zeer agressieve ondertoon, gelijkhebberigheid e.d. is Osewoudt een oertypische Hermans-hoofdfiguur, dat is in ieder geval waar.)

‘Het was maar een droom’: nog afgezien van het diep onbevredigende dat zo’n verklaring aankleeft, is er het technische aspect dat de auteur zijn lezers hier dan eenvoudigweg belazert. Door het vertelperspectief zie je als lezer alles door de ogen van Osewoudt. Maar als diens waarneming fundamenteel onbetrouwbaar zou zijn (waar je volgens mij overigens weinig of geen goede argumenten voor kunt vinden), dan kom je terecht in een anything goes dat de dood in de pot is voor alle kunst. En waar Hermans trouwens een broertje dood aan had: de wereld was dan wel één grote afgrijselijke niet te beheersen en niet te begrijpen rotzooi – maar zijn literaire werk moest wel klóppen, en wel zó dat er geen mus in van een dak mocht vallen, enzovoort, u kent de beroemde uitspraak. Dus, nee, Osewoudt is geen hallucinerende gek.

Tegelijk is het wel zo dat die eminent belangrijke tweede foto van Dorbeck, door Osewoudt zélf gemaakt, uiteindelijk niet blijkt te bestaan. En nee, er is niet iets misgegaan bij het ontwikkelen van het fotorolletje of zoiets, de foto is niet mislukt – ze staat alleen domweg niet op het rolletje, technisch gesproken kan het niet anders of die bewuste foto is gewoon nooit gemaakt. Maar er is wel degelijk een scène (in mijn uitgave op pagina’s 219-220), waarin het maken van die foto in detail wordt beschreven.

Dat is het punt waarop ik het opgeef. Wat de erg onsympathieke Osewoudt (het is, zoals gezegd, de facto een seriemoordenaar) nu al dan niet gedaan heeft: wat kan het mij uiteindelijk schelen? Het is namelijk allemaal even oninteressant, en, nog iets anders, nogal wat beschreven handelingen en plotwendingen komen mij voor als de een beetje onrealistische, zonderlinge én priegelige bedenksels van een autistische geest – ze ruiken naar de lamp.

Dat blijkt ook op nog een beetje andere manier wanneer Osewoudt bijvoorbeeld bij een ondervraging door de Duitsers zogenaamd aan gort geslagen wordt, ik bedoel: dat laatste is wat je als lezer op dat punt in het boek geacht wordt te geloven. Maar aansluitend weet Hermans niet echt overtuigend duidelijk te maken dat Osewoudt erg veel pijn moet hebben; in het ziekenhuis waar hij vervolgens heen wordt gebracht kan men trouwens ook niet zoveel bijzonders vaststellen. ‘Een paar blauwe plekken en een bloedneus’. Nou ja – die heb je als je een beetje ongelukkig van de trap valt, zou ik zeggen, niet als je helemaal in elkaar bent getimmerd.

Genderidentiteit

Nog ongeloofwaardiger wordt het als Osewoudt op zeker ogenblik tijdens de zoveelste ondervraging te horen krijgt dat zijn vriendin Marianne, van wie hij zelf in ieder geval meent veel te houden, die hem eerder een (doodgeboren) kind heeft gebaard en van wie hij al een hele tijd in de veronderstelling verkeert dat ook zij dood is, nog leeft. Veert hij op, roep hij uit: ‘Echt waar?!’, wil hij weten hoe het met haar gaat? Nee. Hij neemt het nagenoeg emotieloos voor kennisgeving aan en stelt aansluitend een min of meer ‘technische’ vraag.

Maar één saving grace heeft het boek wél, zij het een, denk ik, zeer onverwachte. Het kookt en borrelt onder de oppervlakte van een wel héél modern thema: genderidentiteit!

Vergeet de onkenbaarheid van de wereld en het vergeefse van welhaast ieder menselijk streven (ook van het verzet tegen de Duitse bezetter, dat in deze roman van het amateurisme en stoethaspel aan elkaar lijkt te hangen. Het is heel goed na te voelen waarom nogal wat verzetsmensen niet erg te spreken waren over De donkere): natuurlijk zitten die erin, zoals in ongeveer íédere tekst van Hermans, maar die thema’s worden hier dus niet op een bijster interessante manier uitgewerkt.

Nee, dan dit:

‘(Z)e houden mij niet gevangen omdat Dorbeck onvindbaar blijft, maar omdat ik een hoge stem heb als een castraat, een gezicht als een meisje en geen baard. In mijn uiterlijk heb ik mijn hele leven gevangen gezeten, mijn uiterlijk heeft mij gemaakt tot wat ik ben. Dat is de oplossing van het raadsel.’

(Vandaar ook de uitbarsting, ergens in de tweede helft, van Osewoudt over zijn eigen viriliteit: hij mag er dan vrouwelijk uitzien en ook zo klinken, met zijn hoge stemmetje, zijn wangen glad als een babybips en zijn zijdezachte blonde haar, maar het is toch maar mooi hij die al die moffen en collaborateurs heeft omgelegd, o zo. En hij neukt, in pakweg het eerste kwart van het boek, ook elke jonge vrouw met wie hij te maken krijgt.)

Gevangen zitten in een verschijningsvorm waar je aan zou willen ontsnappen: volgens mij is dát, veel meer dan ‘nihilisme’ of weet ik wat, het eigenlijke kernthema in Hermans’ autistische universum.