Liever luisteren? We hebben dit verhaal ook voor je ingesproken.

We hebben in Nederland de participatiewet, die ervoor moet zorgen dat meer mensen werk vinden, ook diegenen met een zogenoemde kwetsbare arbeidsmarktpositie, zoals nieuwkomers, ouderen, mensen met een arbeidsbeperking. Om deze mensen aan werk te helpen, is er hulp vanuit de overheid, zoals loonkostensubsidie, beschut werk of begeleiding naar werk toe. Klinkt goed, maar in de praktijk blijkt dat al die regeltjes ook in de weg kunnen staan van echt meedoen in de samenleving. Zo bleek uit een recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat veel gemeenten zich vooral richten op mensen die ze relatief gemakkelijk naar betaald werk kunnen begeleiden. Maar veel bijstandsgerechtigden kampen volgens het SCP met grotere problematiek.

Niet kunnen meedoen

Werk is een van de belangrijkste manieren waarop volwassen mensen wel of niet kunnen meedoen in de maatschappij. En dat is het al sinds onze trek van het platteland naar de steden. Volgens antropoloog James Suzman, die deze ontwikkeling beschrijft in zijn boek Werk. Een geschiedenis van de bezige mens (2020), had dat toen ook al alles te maken met onze psychologische basisbehoeften aan zingeving en saamhorigheid, en dus het idee dat je ergens aan meedoet.

De boerengemeenschap viel uiteen en later verdween ook steeds meer het houvast dat mensen in religie vonden. De sociale identiteit van mensen raakte daarom steeds meer verweven met een beroep en andere mensen die hetzelfde beroep uitoefenden.

‘Als je niet meer weet waar je aan toe bent, verlies je de psychologische grip op je leven.’

Het is dus niet voor niets dat mensen een groot verlies aan eigenwaarde ervaren wanneer ze langdurig werkloos raken, zo vertelde de Vlaamse arbeidspsycholoog en professor aan KU Leuven Hans De Witte mij in een eerder verhaal voor Vrij Nederland. Werk vervult volgens hem namelijk naast directe behoeften (inkomen) ook veel indirecte behoeften, die voornamelijk sociaal van aard zijn. Regelmatig sociaal contact, bijvoorbeeld, en het verkrijgen van sociale status.

Daarnaast biedt werk de kans tot zelfontplooiing en verschaft het een dagelijkse structuur. ‘Een kleine pauze van werk, zoals een weekend of vakantie, is fijn, omdat je weet wanneer het weer ophoudt,’ zei hij. Maar als die afbakening er niet meer is, raken we ontmoedigd en lethargisch: ‘Als je niet meer weet waar je aan toe bent, verlies je de psychologische grip op je leven.’ Hoeveel impact dat heeft, kom je te weten als je spreekt met mensen die structureel niet kunnen meedoen omdat ze niet werken. ‘Mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt’ worden ze genoemd. Maar in de praktijk hebben deze mensen door hun positie afstand tot veel meer dingen in het leven dan alleen de arbeidsmarkt. Hoe goed je meekomt op de arbeidsmarkt zegt in onze tijd namelijk veel over hoe goed je meekomt in het leven.

Zelfredzaam

Op een woensdagochtend ga ik daarom op bezoek bij de werkplaats van de organisatie Niemand aan de Zijlijn, die mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt helpt in mijn woonplaats, Leeuwarden. Een treffende naam, Niemand aan de Zijlijn. Ik zie een sportevenement voor me, misschien een marathon, waar alle werkende mensen onder gejuich en aanmoediging richting de finishlijn zwoegen. De arbeidsmarkt als spektakel waar je bij móét zijn.

Ironisch genoeg is Niemand aan de Zijlijn niet in het mooie, historische centrum van Leeuwarden gevestigd, maar op een industrieterrein aan de rand van de stad. Op de verder lege parkeerplaats van bedrijventerrein de Zwette staat een kleine rode Fiat midden op het plein geparkeerd, pontificaal en trots. Die is van Erik, een jongeman van in de twintig die, zo blijkt, ontzettend precieze en mooie dingen maakt van hout: bars, dressoirs, andere meubels. Een van zijn meesterwerken, een steigerhouten kast, staat in de kantine van het bedrijf.

Doordat Erik op het autismespectrum zit en veel bedrijven de skills of bereidheid niet in huis hebben om met hem te werken, is hij al voor de derde keer werkloos na een periode in loondienst. Daarom werkt hij nu twee dagen per week bij deze sociale werkplaats. Een bijstandsuitkering krijgt hij niet, want zijn rode auto is te veel waard en het spaargeld dat hij in loondienst opzij heeft gezet, moet volgens de gemeente eerst helemaal opgemaakt worden.

Roelof Bakker, oud-leerkracht in het speciaal onderwijs, directeur en oprichter van Niemand aan de Zijlijn, vindt dat scheef geredeneerd. ‘Het hele streven van het UWV is om iemand zelfredzaam te maken. Erik wil ontzettend graag werken, kan heel veel en is ook hard op zoek. Maar het schort op de werkvloer aan de begeleiding en acceptatie van mensen die anders in elkaar zitten dan de norm. In de tijden dat hij wel werkte, heeft hij hard gespaard om voor zichzelf wat zekerheden te creëren, zoals spaargeld en een auto. Nu moet hij eerst die zekerheden opgeven en helemaal terug naar nul om financieel gesteund te mogen worden tijdens zijn zoektocht naar betaald werk.’

Niet iedereen kan vissen

Het is geen geheim dat er in Nederland veel vraag is naar personeel, maar volgens Roelof Bakker moet dat personeel wel in een hokje passen. Als het te veel moeite kost om het personeel te begeleiden, dan zijn werkgevers opeens toch niet zo hard op zoek. Terwijl mensen volgens Bakker juist opbloeien en zich ontwikkelen als ze vertrouwen en aandacht wordt geschonken. ‘Hier proberen we ze die waardering te geven, zodat ze het zelfvertrouwen opbouwen dat ze later hopelijk op de werkvloer, maar vooral binnen de maatschappij, gaat helpen om vooruit te komen.’

Volgens Bakker is dit soort maatschappelijke werk extreem politiek gevoelig en gebonden aan allerlei wetten, regels en targets. De gemeente maakt een berekening: als je tien mensen uit de uitkering haalt, zou dat de overheid bijvoorbeeld een ton per jaar kunnen schelen aan kosten. Dat willen ze dan zo snel en zo efficiënt mogelijk doen. Er worden termijnen gehanteerd van maximaal een aantal jaar voordat iemand geacht wordt mee te draaien. ‘Over het algemeen zijn overheden wel doordrongen van het feit dat het goed is als mensen kunnen meedoen,’ zegt Bakker. ‘Zowel voor die mensen zelf als voor de maatschappij. Maar niet al die tien mensen die je begeleidt, zullen even snel en even succesvol kunnen gaan participeren.’

Sommigen hebben langdurigere begeleiding en aandacht nodig, of zullen nooit veertig uur per week kunnen gaan werken. Daar is minder aandacht voor, en dat is volgens Bakker het belangrijkste spanningsveld tussen politieke doelen en een meer menselijke benadering van meedoen in de maatschappij. ‘Het systeem waarin we leven, waar weinig ruimte is voor mensen die afwijkende behoeften hebben, zorgt ervoor dat werkplaatsen als de onze kunnen bestaan. Maar doordat dit werk weer is opgehangen aan zoveel regeltjes, verlies je juist de voor dit werk noodzakelijke menselijkheid.’

‘We geven mensen een hengel en verwachten dat ze aan het eind van de dag met een goeie vangst thuiskomen. Maar niet iedereen kan vissen.’

Bakker ziet dat er veel verantwoordelijkheid bij de burger zelf wordt gelegd. Als het iemand niet lukt om (na een traject) succesvol de arbeidsmarkt op te stromen, geven we al gauw diegene zelf de schuld. Die zal wel lui en ongemotiveerd zijn. Het idee van de participatiemaatschappij is volgens Bakker dat iedereen participeert naar eigen kunnen. Maar als dat kunnen inhoudt dat iemand één dag in de week koffie kan schenken in het buurthuis, dan is dat volgens diezelfde maatschappij niet goed genoeg. ‘We geven mensen een hengel en verwachten dat ze aan het eind van de dag met een goeie vangst thuiskomen. Maar niet iedereen kan vissen.’

We hebben volgens Bakker de neiging om mensen te bestraffen voor het deel dat ze verkeerd doen, in plaats van ze te belonen voor het deel dat ze goed doen. En om zelfverzekerde mensen te krijgen die graag willen meedoen, moet dat veranderen. Hij noemt een voorbeeld uit de tijd dat hij schoolleider was bij een scholengemeenschap in Leeuwarden. Elke vrijdag stuurde een collega dezelfde jongen naar hem toe omdat hij weer te laat was gekomen. ‘Ik werd daar op een gegeven moment zo flauw van,’ herinnert hij zich. ‘Dat ik aan die collega vroeg om de volgende keer, wanneer die jongen te laat kwam, de vlag uit te hangen. Deze jongen kwam namelijk uit een milieu waar er werd neergekeken op school en werk. Het is ontzettend moeilijk om je daaraan te ontworstelen. Voor zo’n jongen moet je bij wijze van spreken juist applaudisseren wanneer hij überhaupt aanwezig is.’

Niemand aan de Zijlijn hanteert daarom ook geen strenge regels, bijvoorbeeld omtrent te laat komen. Eén regel hebben ze wel: de mensen die er komen, moeten het zelf willen.

Maar mensen die zichzelf helemaal niet willen ontwikkelen, of daarin geholpen willen worden, zijn volgens Bakker zeldzaam. ‘In de meeste mensen zit een enorme drang om te leren, om van waarde te willen zijn. Je moet daar alleen wel de ruimte voor kunnen geven en alle kleine stapjes vieren.’

In het diepe

Op de werkplaats van Niemand aan de Zijlijn lopen naast Nederlandse deelnemers ook een paar statushouders rond: Syrische jongens die jarenlang tussen verschillende asielzoekerscentra heen en weer hebben gereisd. Ze zijn al die tijd belet in hun bewegingsvrijheid. Hebben geen taallessen mogen nemen, geen werk mogen doen, geen netwerk kunnen opbouwen, hoe gemotiveerd ze ook waren. Als ze eindelijk een verblijfsvergunning krijgen, worden ze in principe in het diepe gegooid: zoek het nu maar zelf uit. ‘Vind je het dan gek dat ze een achterstand hebben opgelopen en alleen maar kunnen tafeltennissen?’ vraagt Bakker. ‘Het is het enige wat ze al die jaren hebben kunnen doen om hun verveling te doden.’

Hoewel het niet de voornaamste dienst van de sociale werkplaats is, zijn de deelnemers er het liefst bezig met het leren van de Nederlandse taal. Eén keer per week krijgen ze een middag taalles. Het staat met grote letters op een whiteboard aan de muur geschreven. ‘Maar het liefst zitten ze elke dag met hun neus in de boeken,’ zegt Jan Willem Verhoeven, die als begeleider op de werkplaats rondloopt.

Een van de Eritrese jongens in de werkplaats is nu bezig om koffiedik en paddenstoelensporen in een grote zak te scheppen. Het is een klusje voor Fryslân Funghies, een van de samenwerkingspartners van Niemand aan de Zijlijn. Laatst zijn de medewerkers op excursie geweest naar de fabriek van het bedrijf om te zien waar al hun harde werk toe leidt. Een belangrijk uitje, volgens begeleider Verhoeven. ‘Je kunt wel dagenlang in je eentje koffiedik scheppen, maar je moet ook begrijpen welke rol je in het geheel hebt. Waar gaan al die zakken heen? Wie eet die paddenstoelen, die jij hebt helpen groeien, uiteindelijk op? Het besef dat ze een schakel zijn in een groter geheel is motiverend. Ze willen niet weggestopt zitten op een werkplaats, ze willen een bijdrage leveren aan de samenleving en weten dat ze ertoe doen.’

Want de werkelijkheid is nog steeds dat ze na de twee werkdagen die ze op de sociale werkplaats kunnen spenderen, naar een kleine kamer in een buitenwijk gaan. Sociale contacten hebben veel van de deelnemers weinig en daarnaast zitten ze met trauma’s en persoonlijke verhalen, die ze in hun eentje moeten zien te verwerken. Terwijl de maatschappij vraagt hoelang het duurt voordat ze normaal meedoen. Of nog erger: ze een profiteur noemt.

‘Het is voorgekomen dat ik hoorde dat een van mijn deelnemers een zelfmoordpoging had gedaan,’ zegt Verhoeven. ‘De volgende week stond hij hier weer. Maar praten gaat moeilijk, en zodra ze een verblijfsstatus hebben, zijn ze op zichzelf aangewezen om psychische hulp te vinden.’ Dat is voor een autochtone Nederlander al een moeilijke stap, laat staan als je de taal nog niet goed spreekt en de weg niet kent in onze maatschappij.

Volgens Bakker bestaat er in de Nederlandse maatschappij niet zoiets als integratie. Om erbij te horen, moet je niet integreren, maar assimileren. ‘We denken hier enorm in hokjes. En in die hokjes moet je als nieuwkomer, maar ook als autochtone Nederlander, zien te passen. Je moet van negen tot vijf werken, en daarna naar huis.’

In een eerdere versie van dit artikel werd vermeld dat Erik een uitkering ontvangt van het UWV. Dit was onjuist: hij ontvangt een bijstandsuitkering van de gemeente.