Meer dan 325.000 boeken, ruim honderddertigduizend bezoekers – het zijn indrukwekkende aantallen. Sinds het verschijnen van Het pauperparadijs, elf jaar geleden, is dat boek toe aan de 63ste druk. De theatervoorstelling, begonnen op locatie in het Drentse dorp Veenhuizen, stond vorig jaar vijf weken lang in Carré. Suzanna Jansen (Amsterdam, 1964) was er elke voorstelling bij. In een tijd van hoogconjunctuur waarin voedselbanken overuren draaien en VVD-ers de bijstand liefst nog willen verlagen, is de fascinatie voor de geschiedenis van de armoede groot in Nederland. ‘Mijn boek verscheen bovendien vlak voordat de neergang in boekenland inzette,’ verklaart Jansen bijna verontschuldigend de torenhoge verkoopcijfers. ‘En de theaterversie heeft het boek opnieuw op de kaart gezet.’

De schrijfster woont met Frank Westerman en hun dochter in een grachtenpandje in de Amsterdamse Jordaan. Westerman is auteur van een non-fictie oeuvre waarvan De graanrepubliek inmiddels ook alweer dertig keer werd herdrukt. Vorig jaar verschenen zijn verzamelde Nederlandse reportages, In het land van de ja-knikkers en Wij de mens, een zoektocht naar de oorsprong van de mensheid, geschiedschrijving door middel van schedelonderzoek en verslaggeving samengebracht in een raamvertelling, losjes gebaseerd op de Max Havelaar.

Een geweldig gebaar

De eerste veertien jaar was hij de schrijver van het stel en zij zijn meest kritische lezer en personal editor. Die rolverdeling dateert uit de tijd dat twintiger Frank verliefd werd op de even jonge Suzanna, vertelt zij achtentwintig jaar later aan de keukentafel. ‘Frank heeft mij versierd door een verhaal voor me te schrijven en naar me op te sturen.’

‘Frank stuurde mij dat verhaal, fictie was het, om indruk op me te maken. Ik besloot dat er maar één manier was om die moedige actie serieus te nemen: stevig met de rode pen door de tekst gaan.’

Ze was begin jaren negentig secretaresse bij Novamedia, het bedrijf waaruit later de Postcodeloterij voortkwam en waaraan ook Inter Press Service gelinkt was, een persbureau waarvoor Westerman soms artikelen schreef. ‘Frank stuurde mij dat verhaal, fictie was het, om indruk op me te maken. Ik besloot dat er maar één manier was om die moedige actie serieus te nemen: stevig met de rode pen door de tekst gaan. Ik was secretaresse, dus erg inhoudelijk was mijn kritiek niet, maar ik haalde wel alle tikfouten eruit.’

Het vlijtig met rood gecorrigeerde verhaal ging retour afzender en is nooit gepubliceerd, maar had wel het beoogde effect. ‘Nog afgezien van de kwaliteit van de tekst vond ik het een geweldig gebaar,’ zegt Jansen. ‘Iemand had speciaal voor mij een verhaal verzonnen en had het me nog durven laten lezen ook, dat vond ik bijzonder.’ Frank Westerman: ‘Niet veel later maakten we een romantische duinwandeling en in een duinpan heb ik je Nescio liggen voorlezen. Toen raakte het pas echt aan.’ Jansen: ‘Dat is zo, maar dat deel van onze geschiedenis heeft weer niets met redigeren te maken.’ Westerman: ‘Wel met schrijven en lezen.’ Jansen: ‘We zijn er samen in gegroeid, jij in het schrijven en ik in het meelezen.’

Vluchtverhaal

De samenwerking vertaalde zich in boeken, veel boeken. Westerman schreef onder veel meer Stikvallei, Ingenieurs van de ziel, El Negro en ik en Een woord een woord, waarin hij geschiedschrijving, reportage en autobiografie combineerde in een persoonlijke vorm van waarheidsvinding. Daarnaast maakte hij televisieprogramma’s, was gastschrijver aan de Leidse universiteit en is uitgever en redacteur van uitgeverij Fosfor, een imprint van Querido. Jansen schreef na de bestseller over het armoede-experiment in Veenhuizen waarin haar eigen voorouders een rol speelden onder meer Ondanks de zwaartekracht en haar nieuwste boek Wael, dat het verhaal vertelt van een gevluchte Syrische student die na veel omzwervingen vanuit zijn verwoeste geboorteplaats Homs in Nederland terecht kwam.

Het verhaal was er al, inclusief de heldere structuur, vertelt Suzanna Jansen. Ze ontmoette de hoofdpersoon van haar boek in Veenhuizen na afloop van een voorstelling van Het pauperparadijs en ze besloten zijn vluchtverhaal samen op te schrijven. Het is dicht bij spreektaal geschreven, in korte zinnen zonder literaire kunstgrepen. Zijzelf is afwezig in het boek, behalve in de inleiding. Daarin verschilt Wael van eerder werk van zowel Jansen als Westerman, waarin de verteller steeds een expliciete rol speelt.

‘Alles is gekleurd: het is een selectie van wat mij heeft geboeid, verbaasd of ontroerd.’

‘Toen ik De graanrepubliek af had, stelde ik mijzelf pas de vraag waarin mijn boek nu verschilde van andere hedendaagse geschiedschrijving,’ zegt Frank Westerman. Een paar jaar eerder was die andere non-fictieklassieker verschenen, Hoe God verdween uit Jorwerd van Geert Mak. ‘Dat ging over een eeuw geschiedenis van een Fries dorp, ik vertelde over een eeuw boerengeslachten in Groningen. Ik had zijn boek niet durven lezen, maar toen ik mijn verantwoording moest schrijven, vroeg ik me toch af: hoe doet Geert dat nou? Hij schreef zoiets als: dit is het verhaal van de mooie Gais Meinsma, van Fedde met zijn acht koeien, van de kruidenier en zijn heimwee, en van Peet die stierf in de boerenkool.’

Westerman antwoordde met een rijtje waarin hij zijn subjectiviteit benadrukte: zijn hoofdrolspelers waren de hereboer, de communist, de landbouwhervormer én de verteller. ‘Ik schreef: “Dit is níet het verhaal van de turfsteker van Hoornderveen, van de logementhouder Hommes, de herenboer Boelo Luitjen of van Sicco Mansholt. Dit is míjn verhaal. Niets is verzonnen, maar alles is gekleurd: het is een selectie van wat mij heeft geboeid, verbaasd of ontroerd.”’

Minder idyllisch

Aan de keukentafel in de Jordaan – dezelfde waaraan ze al zaten in Moskou, waar Westerman eind vorige eeuw correspondent werd voor NRC Handelsblad en waar Jansen toen al werkte voor Independent Media van Derk Sauer en Annemarie van Gaal – wordt af en toe een tweepersoons redactievergadering bijeengeroepen. Vroeger schreven ze allebei thuis. Dan daalde hij voor zo’n overleg als gevestigd schrijver af naar de keuken vanuit zijn werkkamer in het lichte bovenhuis, terwijl zij als beginnend auteur naar boven klom vanuit haar duistere souterrain. Jansen: ‘Ik heb Het pauperparadijs helemaal in dat souterrain geschreven, ik werd gek daarbeneden, er was geen daglicht. Tegenwoordig werk ik buitenshuis, als antikraakwacht in kantoorgebouwen.’

Bij die huiselijke vergaderingen kan het er heftig aan toe gaan, geen van beiden houden ze van compromissen. ‘We zijn genadeloos.’

In de complimenteuze naschriften die ze aan elkaar wijden, is van die heftigheid weinig terug te vinden. ‘De betrokkenheid van Suzanna Jansen is van een buitencategorie,’ beweert Westerman achterin Stikvallei. ‘Frank Westerman heeft in alle fasen meegedacht en meegelezen, en altijd in dit verhaal geloofd – ook als ik dat even niet deed,’ antwoordde Jansen in Ondanks de zwaartekracht. ‘Kritisch en scherp,’ noemt hij haar in een ander nawoord. ‘Hij heeft me de magie van de taal getoond en me geleerd verhalen te zien in een zee van feiten,’ schrijft zij dan weer over hem.

De werkelijkheid is een stuk minder idyllisch: er gaat altijd een felle woordenstrijd aan vooraf. Als om dat te illustreren, zijn ze het hartgrondig oneens aan de keukentafel, terwijl de vrij rondvliegende parkiet door hun verbale steekspel heen kwettert.

‘We mogen over één alinea in elkaars boek zeggen: dáár ga ik voor liggen. En de andere afspraak is dat plagiaat is toegestaan binnen het huwelijk.’

‘Als jij al te mooi over mij schrijft, schrap ik dat,’ zegt Jansen. ‘Hou het even zakelijk, denk ik dan.’

Westerman: ‘We hebben elkaar per boek één vetomogelijkheid gegeven.’ Dus, zegt hij lachend, ‘zelfs over zo’n bedankzin hebben we in principe vetorecht.’

Jansen: ‘Hoezo, dat verzin je erbij voor het verhaal, we hebben helemaal geen vetorecht.’ Westerman houdt vol: ‘We mogen over één alinea in elkaars boek zeggen: dáár ga ik voor liggen. En de andere afspraak is dat plagiaat is toegestaan binnen het huwelijk.’

Jansen: ‘We stellen hoge eisen en kunnen dus ontzettend vervelend zijn tegen elkaar.’ Westerman: ‘De onderlinge kritiek is ongezouten. Als ik jouw aantekeningen lees in mijn kantlijn, is mijn eerste reactie: wtf is dít?’ Jansen: ‘Uit jouw eerste reactie blijkt meestal dat je mijn commentaar niet snapt.’ Westerman, verzoenend: ‘We zijn elkaars scherpste criticus.’ Jansen: ‘Absoluut. Dat kan pijn doen, maar onverschilligheid is vele malen erger.’ Westerman: ‘We zijn meedogenloos.’ Jansen: ‘We steken veel meer tijd in elkaars boeken dan de beste redacteur ooit kan doen. Ik heb weleens uitgerekend dat ik in de beginperiode per boek zo twee à drie maanden in jouw werk heb geïnvesteerd.’ Westerman: ‘Maar ik heb dat ruimschoots terugbetaald door jou vier jaar lang te onderhouden terwijl je Het pauperparadijs schreef.’ Jansen: ‘Dat moest ook wel, er was een jaar bij dat ik niet meer dan vijftien euro aan verdiensten kon invullen bij mijn belastingaangifte.’ Westerman: ‘Later hebben we dat verrekend.’

Eindelijk een echt beroep

Op de middelbare school was Frank Westerman (Emmen 1964) al gegrepen door de reportages van het New Journalism: niet zozeer het show don’t tell à la Tom Wolfe, eerder In Cold Blood van Truman Capote en De zaak 40/61 van Harry Mulisch. Zelf schrijver worden was sindsdien zijn doel.

‘Ik had nog nooit een boek geschreven, maar ik zei vol overtuiging tegen Suzanna: hier woont dus mijn uitgever.’

‘Een week na het duinpanafspraakje met Nescio fietsten we samen over de Spiegelgracht naar de Herengracht,’ zegt Suzanna Jansen. ‘Frank wees me op een groot grachtenpand.’ Onder de naamplaat ‘Moszkowicz – advocaten procureurs’ hing daar een kleiner bordje met ‘Uitgeverij Atlas’. Daar hield Emile Brugman kantoor. ‘Emile had ooit Een bocht in de rivier van V.S. Naipaul uitgegeven, nu was hij vertrokken bij De Arbeiderspers en voor zichzelf begonnen,’ zegt Westerman. ‘Ik had nog nooit een boek geschreven, maar ik zei vol overtuiging tegen Suzanna: hier woont dus mijn uitgever.’

Suzanna Jansen: ‘Dat is een groot verschil tussen ons: jij was al schrijver voor je iets had gepubliceerd, mijn droom was dat niet. Zelfs nu, met een bestseller op mijn naam, voel ik me geen schrijver. Maar ze noemen mij nu eenmaal zo en het is best handig om eindelijk eens een echt beroep te hebben.’

Het pauperparadijs begon ooit als een krantenstukje voor Trouw, en dat is uit de hand gelopen, vertelt ze. ‘Een boek schrijven leek me verschrikkelijk, ik zag bij Frank hoe zwaar dat was. Je staat er als schrijver alleen voor. Maar dit verhaal moest verteld en ik was degene die dat zag. Dus er zat niets anders op.’

Naïef idee

Twee keer werd Westerman uitgeloot voor de School voor de Journalistiek, zijn beoogde opstap naar het schrijverschap. ‘Dat was alleen maar een aanmoediging, ik dacht: daar gaan ze spijt van krijgen.’ Hij koos voor een studie tropische landbouw in Wageningen en trok voor zijn afstudeerscriptie vol idealisme naar Peru om daar het irrigatiesysteem van de Aymara indianen te onderzoeken. ‘Ik zag daar zoveel andere mooie onderwerpen: Lichtend Pad, de guerrillabeweging die afbrak wat ontwikkelingswerkers probeerden op te bouwen, schrijver Mario Vargas Llosa die president wilde worden en daarin faalde, de cocateelt, de War on Drugs. Maar ook de tachtig verschillende hulporganisaties die elkaar en de lokale bevolking voor de voeten liepen. Dus daar ging ik erover schrijven, voor Inter Press Service en later ook voor Het Parool.’

Na zijn terugkeer, in 1992, belde de Volkskrant of hij correspondent wilde worden in het uiteenvallende Joegoslavië. Het werd de basis van zijn eerste boek, De brug over de Tara – jaren later keek hij terug in De slag om Srebrenica, een reconstructie van de val van de enclave en de erop volgende massamoord. ‘Ik was er destijds als 27-jarige zogenaamd objectieve verslaggever. Al vrij snel had ik een deserteur uit Bosnisch-Servisch gebied in huis, die later een spion bleek. Het was een nogal naïef idee dat je je zou kunnen beperken tot het simpelweg “objectief” noteren van wat je meemaakte. Vanaf dat moment kon ik dan ook niet anders dan partij kiezen. Ik had mijn engagement weer terug.’

Sufgenomineerd

Toen Suzanna Jansen vijftien jaar geleden begon aan wat ‘na vier jaar ploeteren’ Het pauperparadijs zou worden, betekende dat een ingrijpende rolverwisseling. Van redacteur werd ze auteur, van beoordelaar beoordeelde. ‘Ik was in Moskou een tijdje correspondent geweest voor De Morgen, maar daarmee hield mijn schrijfervaring op. En er zat thuis iemand met me mee te lezen die al heel wat nominaties in de wacht had gesleept.’ Westerman beaamt het tevreden: ‘Iemand zei zelfs dat ik was sufgenomineerd.’

Jansen: ‘Als ik iets schrijf, weet ik maandenlang zeker: mijn god, dit gaat echt níemand willen lezen. En jij denkt op het moment dat de eerste versie van een hoofdstuk uit je printer rolt: wow, dit is briljant.’

Jansen: ‘We zitten zo anders in elkaar. Als ik iets schrijf, weet ik maandenlang zeker: mijn god, dit gaat echt níemand willen lezen. En jij denkt op het moment dat de eerste versie van een hoofdstuk uit je printer rolt: wow, dit is briljant.’

Westerman: ‘En dan zet jij er vervolgens “S&W” bij in de kantlijn, dat staat voor “Suske en Wiske”. Dan was het dus helemaal niet briljant, maar een flauwe grap. Of je wijst me op een bruggetje dat wel erg in het oog springt. Dan trek ik me boos terug in mijn schrijfhol.’

Jansen: ‘Niets erger dan twee passages die niet bij elkaar horen geforceerd met elkaar verbinden.’ Westerman: ‘Het is ongelooflijk fijn om iemand in huis te hebben die je in zo’n geval de waarheid zegt en je níét laat wegkomen met de een of andere drogredenering.’

Het ongerijmde

De zoektocht naar het ongerijmde is wat hem drijft, zegt Frank Westerman. ‘Er zijn zaken die ik ongewis vind, die me dwars zitten. Dan ga ik veldwerk doen, eropuit, met verwondering als kompas.’

‘Ik moet mijn verhaal kunnen enten op de werkelijkheid.’

Hij probeert voor zo’n abstract idee steeds een concrete vorm te vinden. ‘Ik heb een thema waar ik naar wil reiken. Bijvoorbeeld in Ararat: hoe verhoud ik me tot het geloof van mijn jeugd. De vorm is dan: ik beklim de berg waarop volgens de overlevering de Ark van Noach vastliep. Op die berg is het zeventien graden onder nul en lig je te rillen in een tentje, dan heb je niet zoveel gedachten. Later, achter mijn schrijftafel, maak ik de tweede reis en die is veel spannender. Het idee in El negro en ik was: hoe verhoud ik me tot de vreemdeling. De vorm: achterhalen hoe een “opgezette neger” op een voetstuk in een museumpje bij Barcelona belandde. Het idee voor Stikvallei: wat is een verhaal? De vorm: in een vallei in Noordwest-Kameroen stierven tweeduizend mensen en alle dieren van de ene op de andere nacht zonder spoor van verwoesting. Ik vatte dat op als een proefopstelling voor het ontstaan van nieuwe verhalen.’

Hij loopt soms jaren rond met zo’n thema, op zoek naar een vorm. ‘Ik moet mijn verhaal kunnen enten op de werkelijkheid.’

Braakliggend terrein

Soms lukt dat niet meteen, zoals zijn poging om de geschiedenis te vertellen van de Molukse treinkapingen, die hij als jongen van tamelijk dichtbij meemaakte. ‘Ik was al ruimschoots onderweg toen bleek dat ik niet wist wat mijn vorm was. Hoe je een waar verhaal vertelt, is braakliggend terrein. In romans is vrijwel alles geprobeerd – klinkers weglaten, achterstevoren vertellen, you name it. Niets van dat alles bij de kunst van de reportage.’

 ‘Als je niet kritisch meer bent, neem je elkaar niet serieus. Dan blijft er ook van je huwelijk weinig over, trouwens.’

Hij legde het verhaal weg om het pas zo’n tien jaar later te hernemen toen hij wel de juiste vertelvorm had gevonden in Een woord een woord. ‘Concessies zijn bij ons verboden,’ zegt Suzanna Jansen, streng, aan de keukentafel. ‘Je moet het beste maken wat je kunt. Als je niet kritisch meer bent, neem je elkaar niet serieus. Dan blijft er ook van je huwelijk weinig over, trouwens. Dan houdt alles op.’

Westerman: ‘Redigeren moet beginnen vanuit bewondering, dat je alles eruit wilt halen wat er erin zit. Het mooiste van het mooiste.’

Jansen: ‘Dat is het niet altijd even goed voor de relatie. Toen jij mijn teksten begon te corrigeren, zei je niet wat er niet goed aan was. Je schreef gewoon een nieuwe zin voor de mijne in de plaats. Dat was intimiderend, ik raakte erdoor verlamd en ik dacht: dit is niet míjn zin, want zo’n mooie kan ik nooit maken. Dan raakte ik dagen geblokkeerd. Tot ik erachter kwam dat dat niet hoeft: ik schrijf gewoon ándere zinnen.’

Westerman: ‘Na een paar keiharde botsingen was de afspraak om kritiek niet uit te spreken maar in de kantlijn te schrijven. Maar dat komt net zo hard aan.’

Jansen: ‘Tegenwoordig weet ik dat je het ook een tijdje kunt negeren. Begin deze week heb je mijn manuscript van Wael bekeken en becommentarieerd, maar de voorlaatste versie ligt al bij de uitgever terwijl ik je aantekeningen nog niet eens heb gelezen.’

Haar vorige boek, Ondanks de zwaartekracht, was een bijna Westermanniaanse tour de force, een onderzoek naar de kracht van verbeelding en het maatschappelijk belang van kunst waar ze vijf jaar voor uittrok. ‘Ik begon eraan als reactie op de grote kunstbezuinigingen en het enorme dedain waarmee er, met name door VVD’ers als Halbe Zijlstra, over kunst wordt gesproken. En van buiten de culturele sector hoorde ik niemand opkomen voor de kunsten, dat vond ik schokkend. Dit boek was mijn weerwoord.’

De twee hoofdpersonen zijn danseres Steffa Wine, die een balletschool had in Slotermeer, waar de schrijfster opgroeide. En Cornelis van Eesteren, architect van de westelijke tuinsteden. ‘Honderd jaar geleden waren de kunstenaars en ontwerpers van De Stijl en Bauhaus een stelletje rare artiesten die niet helemaal serieus werden genomen. En kijk eens wat een invloed hebben ze gehad.’

Steffa Wine en Cornelis van Eesteren worden bij elkaar gebracht door de verteller, Suzanna Jansen zelf, die ooit haar hoge ideaal moest loslaten om balletdanseres worden. ‘Zo’n ik-persoon is voor mij geen voorwaarde,’ zegt Jansen. ‘Het was toevallig tweemaal de beste vorm.’

Tussen droom en nachtmerrie

For the record wil ze graag het misverstand uit de weg ruimen dat ze met Het Pauperparadijs een familiegeschiedenis heeft willen schrijven. ‘Het portret van vijf generaties was de vertelvorm, de rode draad die ik pas ontdekte nadat ik al een paar maanden aan het schrijven was. Het gaat me niet alleen om vroeger en het gaat me niet om mijn familie, maar om hoe we ook tegenwoordig nog omgaan met armoede.’

Westerman: ‘De droom van de samenleving of van een individu om er wat van te maken, pakt soms desastreus uit. Dat kantelpunt tussen droom en nachtmerrie is waar het ook in mijn boeken om draait.’ Jansen: ‘Iemand gelooft in iets, we hollen er achteraan en dan wordt het te groot en mislukt. En dat steeds weer opnieuw.’

Suzanna Jansen introduceerde zichzelf als personage in het boek omdat van haar voorouders in de bedelaarskolonie Veenhuizen niets was overgeleverd dan geboorte-, trouw- en sterfdata. ‘Door mijn reactie op het materiaal dat ik had gevonden mee te nemen in het het boek, kon ik mijn personages leven inblazen.’

‘Ik vind dat ik mag doen wat ik wil. Ik gebruik geschiedenis om een verhaal te vertellen en dat staat me helemaal vrij.’

Voor historici is zo’n ingreep taboe, hoe goed het verhaal ook is gedocumenteerd. Zoals ze ook zouden kiezen voor een ‘echte’ biografie van Sicco Mansholt in plaats van de prachtige honderd pagina’s over die fascinerende boer en PvdA-politicus in Westermans De Graanrepubliek. En voor een boek over de Molukse treinkapingen zónder ontmoeting op Cuba met een fascinerend ex-RAF-lid met kinderen die zijn vernoemd naar Ulrike Meinhof en Holger Meins of een in het verhaal gevlochten reportage over een tweeweekse cursus onderhandelingen met terroristen op de politieacademie, zoals in Een woord een woord.

‘Je zult wel weten wat voor kritiek er in historische kringen is op jouw werk,’ zei een historicus eens tegen Suzanna Jansen. ‘Nou nee, antwoordde ik. Vertel,’ zegt Jansen. Het punt bleek dat we volgens historici nu eenmaal onmogelijk iets kunnen weten over mensen en hun gevoelens in het verleden. ‘Ik had het dan wel sluw aangepakt door alles via mijn ik-persoon te vertellen, maar het bleef volgens haar toch fake,’ zegt Jansen. ‘Ik glimlach daarom, ik vind dat ik mag doen wat ik wil. Ik gebruik geschiedenis om een verhaal te vertellen en dat staat me helemaal vrij.’

Raconteur

De reportage als genre heeft niets met wetenschap te maken maar alles met kunst, vindt Westerman. Hij ziet reportages als een literaire vorm, en zichzelf als schatplichtig aan wat hij de grote raconteurs noemt, behalve local heroes als Gerard van Westerloo en Elma Verhey van Vrij Nederland auteurs als Ryszard Kapuscinski, Hanna Krall, Curzio Malaparte – romanschrijver en oorlogs­verslaggever – en Gabriel García Márquez. ‘Terwijl ik De graanrepubliek schreef, bladerde ik voortdurend in Honderd jaar eenzaamheid om een voorbeeld aan hem te nemen. Volgens García Márquez is de reportage in essentie filosofisch, in een goede reportage mag hardop worden gedacht. Liefst met een voice under, dus tussen de regels door. Je bouwt dan een betoog op zonder de betoogtrant.’

Lees ookElma Verhey en Gerard van Westerloo: De bestuurders van lijn 1627 september 1984

Over het onderscheid tussen fictie en non-fictie – die hij ook wel ‘feitenliteratuur’ noemt – heeft Westerman vaak geschreven, bijvoorbeeld in zijn inleiding tot de door hem in De draagbare Kapuscinksi verzamelde reportages. Zijn held Kapuscinski bleek te hebben gewerkt voor de communistische geheime dienst en had het in zijn bewonderde reportages niet altijd even nauw genomen met bronnen en feiten. Toch bleef hij een van zijn voorbeelden, zegt Westerman.

‘Mezelf in een literaire traditie plaatsen, daar wil ik niet mee bezig zijn,’ zegt Suzanna Jansen. ‘Stromingen, genres, daar mogen wetenschappers en recensenten zich over buigen. Mij belemmert het alleen maar. Ik maak wat ik op dat moment wil maken en daar kies ik de vorm voor die erbij past. Zoals de theatervoorstelling Het Pauperparadijs waarvoor ik samen met de regisseur Tom de Ket mijn boek uit elkaar heb gehaald om met de belangrijkste elementen het verhaal op een andere manier weer in elkaar te steken; de monoloog die ik ga schrijven als Wael in de winkel ligt; de vertel-wandelingen over mijn boeken in Veenhuizen, de Jordaan, Slotermeer en het Rijksmuseum.’

De feiten moeten natuurlijk wel kloppen. ‘Die respecteer ik. Maar als ik “roman” op de kaft zet, hoeft zelfs dat niet eens.’

Westerman: ‘Jij worstelt en je test uit wat wel werkt en wat niet.’ Jansen: ‘Het schiet bij mij alle kanten uit. Dat maakt ook dat ik zo verschrikkelijk lang doe over een boek. Jij bent gelukkig achter je computer. Ik niet! Tijdens het schrijven ben ik steeds op zoek, naar het verhaal en naar de vorm. Over Zwaartekracht heb ik vijf jaar gedaan. Ik ben begonnen zonder ik-persoon, met het idee: dat heb ik al eens gedaan. Ik heb ook nog geprobeerd om een fictief personage door het verhaal te vlechten. Dat bleek allemaal niet te werken, uiteindelijk bleek dit de beste vorm.’ De feiten moeten natuurlijk wel kloppen, beaamt ze. ‘Die respecteer ik. Maar als ik “roman” op de kaft zet, hoeft zelfs dat niet eens.’

Patholoog-anatoom

‘Een van de redenen dat ik geen fictie schrijf,’ zegt Frank Westerman, ‘is omdat ik bang ben dat de woorden dan losgezongen raken van de ondergrond. Ze verwijzen op den duur alleen nog naar elkaar en uiteindelijk vervluchtigen ze.’

Suzanna Jansen werkt aan een monoloog waarvoor ze in het hoofd van haar personage kruipt. ‘Zo’n monoloog is per definitie fictie, dus dat is een nieuwe stap voor mij.’ Het betreffende hoofd is van de broer van een negentiende-eeuwse Duitse uitvinder, de eerste mens die vloog. ‘Ik verzin wat er in hem omgaat, maar ik gebruik wel alle historische gegevens, het is fantastisch materiaal.’

Westerman ontleedde El Negro en ik voor zijn Leidse studenten in het anatomisch theater van Museum Boerhave. ‘Ik vertelde hoe het in elkaar zit, hoe de twee verhaallijnen zijn verweven en sneed het boek aan flarden om het ook fysiek te analyseren. Al vrij snel lag de kaft eraf, de epidermis, daarna de rug. Daarna drong ik door tot in de haarvaten van het notenapparaat en aan het eind lag het boek in snippers verspreid op de snijtafel.’

‘We exposeren de realiteit, maar dan wel door onszelf uitgelicht en gerangschikt. Wij redigeren de werkelijkheid.’

Afgezien van dat eenmalige optreden als literair patholoog-anatoom ziet hij de schrijver van ‘feitenliteratuur’ als een soort curator. ‘We exposeren de realiteit, maar dan wel door onszelf uitgelicht en gerangschikt. Wij redigeren de werkelijkheid.’

Suzanna Jansen: ‘Juist in tijden van nepnieuws, waarin veel mensen niet meer lezen dan de tekstjes bij Instagramfoto’s, is het van belang om de wereld om ons heen van betekenis te blijven voorzien.’

De boeken van Frank Westerman (frank-westerman.nl) worden uitgegeven door Querido Fosfor, de boeken van Suzanna Jansen (suzannajansen.nl) verschijnen bij uitgeverij Balans.