Het regent al uren als Sef (geboren als Yousef Gnaoui, 1984) druipend zijn fiets afstapt voor het Ambassadehotel. Met een brede lach pelt hij zijn regenpak af. Hij heeft zijn zoon Aziz, van zeven, al naar school gebracht en komt fris uit de sport­school. Om half acht vanmorgen heeft hij een link naar zijn nieuwe album IJsland geappt, de vrucht van een samenwerking met Abel van Gijlswijk, voorman van de activistische punk­ band Hang Youth, met wie hij eerder De machine maakte. ‘Afgelopen december speelden we dat nummer samen in Para­diso, en dat ontplofte,’ blikt Gnaoui terug. Drie maanden later boeken ze samen met de Antwerpse producer Faisal Chatar een afgelegen boshuisje aan de grens met Duitsland. Omdat ze alle­bei een ‘compleet lijpe agenda’ hebben, geven ze zichzelf vier dagen om een compleet album te maken, met alleen een laptop, een batterij speakers en een gammele microfoon. Het resultaat is IJsland, een hoekig, elektronisch album, bij vlagen verluch­tigd door een aarzelende piano of een lome beat. In elf com­pacte tracks fileren ze in hoog tempo de mores van hedendaags Nederland.

Bestel 'm hierDit is het coververhaal van de nieuwe VN! Heb jij hem al in huis?1 juli 2024

Gnaoui: Dit is IJsland, voor de helft weiland, ijskoude ziel, alles glimt, Philipp Pleinland. En als het zes uur is, gaat de deur dicht, want met afgesloten grenzen dan gourmet je toch het lekkerst, iedereen zijn eigen hachie aan het redden, dat is prettig, dat is netjes en we houden het gezellig!

Het sociale klimaat is de laatste jaren steeds guurder geworden, licht Gnaoui toe, terwijl hij zijn handen warmt aan een kop kamillethee. ‘Dat kostuum van tolerantie, wat altijd al een crazy kostuum was, is echt versleten. Mensen doen niet eens meer moeite om te veinzen.’

‘In Nederland regeert het kapitalisme, de vermarkting van alles. De zorg of het onderwijs moet je niet inrichten als winstge­vend bedrijf, want dat gaat meestal ten koste van mensen. We blijven maar doen alsof de groei nog niet genoeg is. Dat als we de markt nog vrijer laten, het vanzelf beter wordt. En als ik kijk naar het nieuwe regeerakkoord… De stupiditeit is krankzinnig. Waarom zou je sporten en lezen duurder maken? Stop gewoon met fossiele subsidies uitdelen, dan kun je al je sport, boeken en de hele cultuursector financieren.’

Gnaoui, die net de veertig heeft aangetikt, heeft er twintig rapja­ren opzitten. Vanaf 2008 produceert zijn rapformatie Flinke Namen, opgericht met Thomas, alias producer The Flexican, zijn buurjongen in de Amsterdamse Pijp, met collega’s als Dio, The Opposites en Gers Pardoel knallende hits als Aye, Broodje Bakpao en Bagagedrager – odes aan het stadsleven waar ‘Bro’s before Ho’s’ komen en de zelfspot nooit ver weg is.

Met De leven, zijn solodebuut, verwoordt hij in 2011 feilloos het levensgevoel van zijn generatie, dansend op de vulkaan, in een wereld waar zekerheden als een vaste baan of een eigen woning steeds verder uit beeld drijven.

Dit is de leven
En ik weet dat dit de leven is
En ik weet niet of het nog lang duurt
Maar zolang het er nog even is
Geniet ik ervan, elke dag

De melancholie en maatschappijkritiek, die bij De leven nog een subtiele onderstroom vormen, worden in 2023 manifest op het album Ik Zou Voor Veel Kunnen Sterven Maar Niet Voor Een Vlag, waarvan hij ook een theatervoorstelling maakt. De plaat wordt in maart 2024 bekroond met een Edison voor beste album. Gna­oui, droogjes: ‘Ik ben gezegend met veel te laat, of vrij laat, prij­zen te krijgen.’ Geflankeerd door een liveband met strijkers en een achtergrondkoor bezingt hij thema’s als ontbossing, acti­visme en identiteit, met als nuchtere constatering: ‘Het enige goede systeem is een geluidssysteem.’

Die boodschap vindt weerklank bij Abel van Gijlswijk, die zijn activistische band Hang Youth in 2020 nieuw leven heeft inge­blazen. Als de twee elkaar ontmoeten bij een brainstorm klikt het snel. Uiteindelijk worden ze vrienden. ‘We zijn allebei supergedreven als het gaat om ideeën over wat kunst zou kunnen zijn. Ik ben een discussieerpersoon, vaak vinden mensen dat irritant, ik weet soms niet goed wanneer het genoeg is. Met Abel kan ik tot in den treure doordiscussiëren. We zijn een beetje good cop, bad cop. Alleen dan liever geen cops,’ zegt Gnaoui, wijzend op zijn t-shirt waar in Arabisch slang Fuck the police staat geschreven.

Gnaoui is onlangs begonnen met de podcast Een goed systeem, waarin hij met socioloog Willem Schinkel in alle rust maat­schappelijke thema’s uitpluist. Van Gijlswijk bespeelt niet alleen festivals als Lowlands en Pinkpop, maar trad ook op bij blokka­des van Extinction Rebellion en bij een steundemonstratie op de Dam, na de verkiezingswinst van de PVV. In Prada stelen rapt Van Gijlswijk dat hij ‘fascisten wil neerclubben’. Over het gebruik van die term was geen discussie nodig, vertelt Gnaoui. ‘Totaal niet, want dat is het gewoon. Het valt me op dat fascisme altijd wordt gebruikt als iets uit het verleden. Als dreigement van ‘dit nooit meer’. En als iets in de toekomst, van daar moeten we niet naartoe, dat is gevaarlijk. Waardoor er altijd gedaan wordt alsof het er nooit is. Het is er geweest en het kan komen. Maar het is er niet. Dat is gek, want we verschuiven die definitie con­tinu. Ja, we hebben in Nederland nu niet exact hetzelfde fas­cisme als in de Tweede Wereldoorlog. Maar er zijn absoluut fascistische tendensen. Kamervoorzitter Martin Bosma die in de Tweede Kamer zegt dat je extreemrechts niet zo mag noemen. Maar extreemlinks mag wel. Leg dat eens uit?’

Bij zijn optredens komt Gnaoui weinig PVV­-stemmers tegen, maar hij weet precies wat hij tegen ze zou willen zeggen. ‘Je bent terecht boos, maar je bent boos op de verkeerde. Degene waar jij nu op stemt, wil helemaal niet dat jouw situatie beter wordt, anders zouden er hele andere keuzes worden gemaakt. Dan moet alles socialer worden, in plaats van beter voor het bedrijfsleven.’

‘Thema’s als ongelijkheid houden mij nu erg bezig,’ vervolgt hij. ‘Ik ben opgegroeid met het idee van rechts is echt verkeerd, en links is sociaal. Dat is volledig omgedraaid. Gisteren zag ik zo’n gekke hyperkapitalistische zakeninfluencer op Instagram, die zei: ‘Linkse mensen zijn alleen maar bezig met jou de les te lezen, daarom zijn ze niet succesvol. Ze zijn alleen maar bezig met anderen.’ Ik dacht: je legt nu per ongeluk uit wat jouw probleem is. Want bezig zijn met anderen, en niet alleen met jezelf, is in principe toch wat je wil, als mens?’

Hoe doseer je zo’n boodschap op een album, zodat mensen niet afhaken?

‘Nou, misschien is dat wel iets wat je van de markt meepakt, je giet het in een coole verpakking. Je maakt het catchy. Alleen nu lijkt het alsof wij propaganda maken, maar we maken gewoon muziek. In ons nummer M/V/X is het refrein: ‘Ben je een chick, maar heb je een pik? All riiiight!’ Verder wordt er niks over gezegd. Dat ‘all right’ is een soort Rorschachtest. Sommige mensen worden heel ongemakkelijk van dat nummer.’

Op Instagram plaatsten jullie een foto, waarop Abel en jij elkaar bijna lijken te gaan zoenen. Sommige mensen vonden dat niks.

‘Dat vind ik interessant, want dan hoeven wij niets te zeggen, dan gebeurt precies wat we bedoelen met die foto. Namelijk: who gives a fuck op wie je valt? Daarna komt een ander num­mer, De vrucht van het geloof, waarin Abel rapt: Boze mannen die stressen op mannen die vallen op mannen. Waar was die energie toen ze olie wilden tappen uit de Wadden? Of toen ze de moeder van m’n gappie weg-gentrifieden uit De Banne. Hoe ben je banger voor een batty dan voor een motherfokking nazi dan, slappe? Hij zegt daarmee: hoe kan het dat je banger bent voor homo’s of transmensen, dan voor nazi’s die zeggen dat jouw leven slechter wordt door het leven van die mensen? Want dat is gewoon niet waar.’

Batty als in ‘batty boy’, slang voor homoseksuele man?

‘Ja. Maar in de zin daarna corrigeert hij zichzelf omdat hij dat scheldwoord gebruikt. Dat vind ik tof en verantwoord. Zo laat je zien dat je menselijk bent, zonder dat je politiek correct wordt.’

 

Op IJsland wordt scherp en geestig geduid en getreiterd. Maar in het breekbare Mensen (zoals wij), gloort hoop. Als Van Gijlswijk zingt: ‘We gaan het doen, de wereld samen redden, van mensen zoals wij,’ antwoordt Gnaoui zachtjes: ‘Ik zou ook wel willen huilen, maar nu is niet de tijd. Het water staat al hoog genoeg, er kan geen traan meer bij.’

Gnaoui groeit op in een ‘vrij sociaal, links gezin’, als enig kind van een Nederlandse moeder en een Marokkaanse vader. Zij werkt in de zorg, hij is theatermaker en verwerft bekendheid als acteur in de comedy Prettig geregeld. ‘Het was eind jaren zeven­tig toen mijn vader hierheen kwam. Hij heeft ooit een gedich­tenboekje geschreven, daarin sijpelt door dat hij heel erg ‘de ander’ was. Hij was niet alleen Marokkaan, hij was ook nog een zwarte Marokkaan. Hij schreef dat hij zich alleen voelde en eenzaam. Ver van huis. Terug in Marokko was hij ook niet meer dezelfde, dat zag ik wel. Hij zweefde in limbo.’

In Land dat niet bestaat zeg jij iets vergelijkbaars:‘Minstens 50 procent van mijn genenpakket, maar gewoon een toerist wanneer ik daar ben.’

‘Ja, dat voel ik sterk als ik in Marokko ben. Maar soms denk ik: whatever, ik spreek gewoon Engels. Ik hoef niet te doen alsof ik een local ben die perfect Arabisch spreekt. Mensen willen dat je kiest. Ben je nou Nederlands, Marokkaans, Amsterdammer, of Europeaan? Maar ik heb er hard voor gewerkt om juist geen identiteit te hoeven kiezen. Het is niet makkelijk om overal tus­sen te vallen. Ik heb dat met alles gehad: met mijn interesses, met mijn muziek, en met mijn afkomst. In een Jumbo in Dren­the deed ik vaak net iets aardiger tegen iedereen, om te laten zien dat ik veilig ben. Dat ik oké ben. Maar dat vind ik eigenlijk niet aan mij, om dat te doen.’

Vader Hassan overlijdt als Gnaoui 17 is. ‘Hij was al heel lang ziek, maar mijn ouders vertelden dat pas toen ik zestien was. Achteraf besef ik dat hij me al die jaren levenslessen mee probeerde te geven. Hij zei altijd: ‘Probeer niet te oordelen over mensen, want je weet niet wat ze drijft.’ We hadden een schotel thuis, daarmee kwam de hele wereld binnen. Via Al Jazeera zag ik het nieuws ook vanuit een ander perspectief. Door de oorlog in Palestina moet ik veel aan onze gesprekken denken. Ik was jong, dan denk je dat je alles weet. Ik zei: ‘Geweld gebruiken is toch nooit verantwoord?’ Hij zei: ‘Dat is ook niet oké. Maar als je geen leger hebt, als je wordt onderdrukt, wat moet je dan doen?’ Niet om het goed te praten, maar om het te begrijpen.’

Je vader was moslim, je moeder is christelijk opgevoed.Wat kreeg je daarvan mee?

‘Ik ben niet streng religieus opgevoed. Mijn moeder had een afkeer van de kerk gekregen. Mijn vader hervond zijn geloof pas toen hij ziek werd. Ik zag dat het hem rust en houvast gaf, om vijf keer per dag te bidden. Ik heb nooit willen kiezen voor één georganiseerde religie. Maar laatst reed er een auto langs die Koranverzen draaide, en ik kreeg er een warm gevoel van. O ja, zo voelt het als ik in Marokko op straat loop. Het herin­nerde me aan mijn vader. Ik denk dat mensen dat nodig heb­ben, het gevoel dat ze onderdeel zijn van een groter geheel. Anders ben je alleen, en dat is doodeng, toch? Dan ben je verlo­ren. We zoeken het in de natuur, in yoga, in concerten. Daarom vind ik het raar dat je als overheid concerten duurder maakt, en dat je cultuur ziet als een hobby. Cultuur is wat ons mens maakt. We hebben het nodig om domme onhandige onlogische omwegen te nemen naar dingen die we niet hoeven te doen. Anders kunnen we alles net zo goed door een machine laten runnen.’

Hoe heb je afscheid genomen van je vader?

‘Ik was er niet bij toen hij overleed, wel bij de begrafenis. Ik vond het heel moeilijk. Hij ging twee weken naar Marokko. Daar ging het opeens heel slecht, in een paar dagen was het afgelopen. Ik had sterk het idee dat zijn lichaam of zijn geest daar dacht, oké, we zijn terug. Dat hij het daar los kon laten. Dat vond ik mooi. Het is ook mooi dat hij daar begraven is. Het was goed zo.’

Normaal gesproken zet je je als tiener af tegen je ouders.

‘Wij waren juist heel hecht met z’n drieën. Ik vond het raar als mensen een hekel hadden aan hun ouders. Hè? Hoezo? Zo’n verlies bindt heel erg. Het was niet: nu ben je de man in huis, maar ik had wel het gevoel dat ik in één klap volwassener was geworden, en serieuzer dan mensen om me heen. De zus van mijn moeder overleed vier weken na mijn vader. Het was ellende op ellende. Maar ik raakte ook van iets verlost, verlicht. Ik dacht: falen…op wat voor manier dan ook, who gives a fuck? Als een project niet lukt… Hoe erg is dat? Niet zo erg als je vader verliezen. De dood van mijn vader heeft dingen altijd helder gehouden. Als in, wat is er nou echt belangrijk? Mijn moeder en ik zijn nog steeds super close. Dat is leuk van een kind krijgen. Als hij bij haar logeert, dat ik dan even een kopje thee bij haar drink op zondagochtend.’ Met een glimlach: ‘Iemand steelt veel shine als hij doodgaat. Je steelt de show. Ik denk dat ik dingen altijd heb kunnen doen doordat ik zoveel support van mijn moeder kreeg en krijg.’

Gnaoui is een selfmade man. Op de middelbare school ontdekt hij via de cassettebandjes van een vriendje de rauwe energie van hiphop – Wu­Tang Clan, Kool Keith, Mobb Deep. Het liefst wil hij kunstenaar worden. Tevergeefs meldt hij zich aan bij de Rietveld Academie en de Filmacademie. Hij is zeventien. ‘Ze vonden me te jong.’ De junioracademie voor art direction lijkt hem wel wat. ‘Ik dacht: ik heb ideeën, maar ik weet niet hoe het moet, geef me de tools!’ Na twee jaar houdt hij het voor gezien. Alles wat hij wil doet hij toch al: clips regisseren, theater maken, en cd-­hoezen ontwerpen.

Gnaoui schaakt nog steeds op meerdere borden tegelijk. Hij is artdirector voor het label TopNotch en werkt aan een ‘videoachtig ding’ voor Wende Snijders. Voor de VPRO heeft hij een pilot gemaakt voor een televisievariant van Yous & Yay, de ontspannen podcast die hij maakt met Pepijn Lanen van de Jeugd van Tegenwoordig, voor wie hij een nieuw festi­valdecor ontwierp. Binnenkort vertrekt hij voor vakantie naar Marokko, maar eigenlijk moet hij verder met zijn nieuwe soloalbum, dat begin 2025 moet verschijnen.

Enthousiast: ‘Ik schrijf alles op mijn telefoon, in een notitie­app. In het vlieg­tuig gaat het – trrrrrr! – heel snel. Omdat je nergens heen kan. Als ik diep in een albumproces zit, ziet mijn familie vooral mijn achterhoofd. Ik kijk continu: is het eerlijk? Gaat het alleen maar over mij, of is het ook nog interessant op een andere manier? Herschrijven deed ik nooit zoveel, ik dacht dat haalt de ziel eruit. Maar het wordt er beter van. Mijn vij­and is duidelijkheid. Dat vind ik de achilleshiel van veel muziek die ik vroeger heb gemaakt. Als ik dat luister kan ik er meteen in mee, ik begrijp het helemaal. Dat vind ik niet zo interessant. Ik wil niet in een keurslijf van een genre of thema blijven hangen.’