Dat Abdul Karim Albrem nachtmerries heeft, is niet verwonderlijk.
Op een zomerdag in 2015 zat hij, negentien jaar oud, met zijn moeder en elfjarige broertje in de keuken van hun appartement in Aleppo. Ze wilden net gaan lunchen – kip, rijst, aardappelen en dolmades – toen ze een ijzingwekkende fluittoon hoorden aanzwellen. Na de klap van de inslag leek het even helemaal stil. Daarna drong zijn moeders geschreeuw Albrems bewustzijn binnen en zag hij het bloed dat uit het hoofd van zijn broertje gutste.
Het zijn pijnlijke herinneringen, maar Albrem moedigt aan om door te vragen. Want hij heeft een doel voor ogen: hij wil de zorg voor vluchtelingen radicaal veranderen en door te vertellen over zijn trauma’s, hoopt hij anderen voor zijn zaak te winnen. Als jongerenvertegenwoordiger van VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR doet hij zijn verhaal vandaag, maandag 7 oktober, ten overstaan van een zaal vol ministers, leiders van hulporganisaties en donateurs. Zelfs koningin Máxima komt naar de conferentie.
Albrems invloedrijke toehoorders zijn bijeen op een congres over psychosociale zorg aan mensen in nood. Dat is een van de speerpunten van minister Kaag van Buitenlandse Zaken, die de tweedaagse conferentie in het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam organiseert.
Psychosociale zorg aan mensen in nood is een van de speerpunten van minister Kaag van Buitenlandse Zaken.
‘“Heb je kleding nodig? Eten? Een buskaart?” – dat soort dingen werd me zo vaak gevraagd in de opvang,’ vertelt Albrem, ‘maar niet: hoe voel je je? Kan je slapen? Terwijl dát is wat ik nodig had – weet ik nu.’
Totale bullshit
Na het bombardement probeerde Albrem de draad weer op te pakken. Hij droomde ervan mensen in conflictgebieden te helpen en combineerde een economiestudie met een opleiding tot vertaler Engels.
De wijk waar hij met zijn vader, moeder, twee broers en zus woonde, zat ingeklemd tussen regeringsleger en opstandelingen en lag van beide kanten onder vuur. ‘Vanwege die dreiging stopte de bus naar de universiteit niet meer bij ons huis. Ik rende naar de dichtstbijzijnde halte en als ik bommen of schoten hoorde, dook ik weg in een portiek. Ik kwam bevend aan op mijn bestemming.’
Zijn nachtmerries werden erger en zijn lichaam verkrampte van de spanning. ‘Die bom was een dieptepunt, hij sloeg in op ons balkon, nog geen vier meter van waar we zaten. Maar het was maar een van de vele nare dingen die ik meemaakte. Op weg naar de bus zag ik dode mensen op straat liggen, hun lichamen uiteengereten. Dat soort ervaringen waren een dagelijkse realiteit voor iedereen die in Aleppo woonde.’
Zijn ouders zagen dat het niet goed met hem ging en zochten hulp bij hun dokter. ‘Die gaf me slaappillen en ibuprofen tegen de spierspanning, maar dat was totale bullshit, ik had daar niets aan. Het enige dat enigszins hielp, was als mijn moeder ’s avonds naast mijn bed kwam zitten. Dan kon ik in slaap komen.’

In een rubberboot
Albrems vader besloot dat het zo niet langer kon en zette zijn zoon – die nog nooit buiten Syrië was geweest – op een bus naar Libanon, van waaruit Albrem naar Istanbul reisde. ‘Ik zocht een hotel en sloot me met mijn laptop op in mijn kamer. Wanhopig zocht ik naar mogelijkheden om een werk- of studievisum te krijgen in een land waar ik de taal sprak. Jordanië, Egypte, Dubai, Saoedi-Arabië, maar al die landen hebben ons in de kou laten staan en hielden hun grenzen dicht.’
‘De dokter gaf me slaappillen en ibuprofen tegen de spierspanning, maar daar had ik niets aan.’
Ook in Istanbul kon hij niet blijven omdat het spaargeld dat hij mee had gekregen in rap tempo opraakte. ‘Ik kende er niemand, sprak de taal niet, en was bang dat ik zwervend op straat zou eindigen.’
Hij zag maar één uitweg: 1.500 dollar betalen aan een smokkelaar en plaatsnemen in een overvolle rubberboot, met alleen een vage notie van de richting waarin het beloofde Griekenland zich moest bevinden, ergens achter de horizon.
Tot weinig in staat
Albrems verhaal is een hoopgevend verhaal. ‘Toen ik uiteindelijk aankwam in Duitsland was ik een bevend hoopje ellende. Ik werd overmand door de herinneringen aan verminkte lichamen, de angstkreet van mijn moeder, de doffe klappen van de bommen. Ik was tot weinig in staat.’
Nu is hij voorzitter van de nationale jeugdadviesraad voor vluchtelingen op het gebied van verslaving en trauma, geeft hij stressmanagementtrainingen aan vluchtelingen en is hij jongerenvertegenwoordiger bij de UNHCR.
In zijn thuisland is psychische hulp voorbehouden aan wie ‘gek’ is: psychotisch of schizofreen. Het is niet voor mensen die iets naars is overkomen en daar last van hebben.
Met het vuur van een bekeerling praat hij over de verandering die hij heeft doorgemaakt. Op suggestie van een Duitse vrijwilliger die kleding uitdeelde in het asielzoekerscentrum en die hij hielp als vertaler, gaf Albrem zich op voor een tweejarige training tot psychosociaal dienstverlener.
De eerste drie maanden van dat traject bestonden uit psychische zelfverkenning, deels onder begeleiding van een therapeut. ‘Toen ik op die training werd gewezen, had ik onbestemd het gevoel dat ik daar behoefte aan had, maar toch twijfelde ik.’
In zijn thuisland is psychische hulp voorbehouden aan wie ‘gek’ is: psychotisch of schizofreen. Het is niet voor mensen die iets naars is overkomen en daar last van hebben. ‘Maar ik dacht: ik woon nu in Duitsland. Ik ken hier niemand. Wat maakt het uit?’
Beter slapen
Bij het eerste deel van de training, een soort lichaamsbewustzijnsoefeningen, ontdekte Albrem dat zijn lichaam constant in de vecht- of vluchtstand stond, dat hij hyperalert was. ‘Ik leerde die spanning herkennen en kreeg oefeningen om mijn lichaam tot rust te manen. Zoeken naar een plek in mijn lichaam die prettig voelt en daar mijn aandacht op richten, zodat die ontspanning zich verder uitbreidt door mijn lijf.’
‘Ik heb nog steeds nachtmerries en ben nog steeds bang. Maar nu ik mezelf gerust kan stellen na een nachtmerrie, voel ik me minder overweldigd door die dromen en beelden.’
Met dat soort lichamelijke oefeningen kon hij beter slapen. ‘Ik heb nog steeds nachtmerries en ben nog steeds bang. Maar nu ik mezelf gerust kan stellen na een nachtmerrie, voel ik me minder overweldigd door die dromen en beelden.’
Dankzij de ontspanning en betere nachtrust kwam Albrem steviger in zijn schoenen te staan. ‘Toen kon ik ook beginnen met praattherapie en veranderde langzaam mijn kijk op het leven. Ik begon een toekomst te zien.’
Alles is mogelijk
Albrem is ervan overtuigd dat ook andere vluchtelingen baat hebben bij psychische hulp. Mensen in asielzoekerscentra in Duitsland en Nederland, maar ook ontheemden onderweg of in opvang in de regio. Hij pleit niet alleen voor die hulp, hij wil die zelf organiseren. Hij zoekt fondsen om een organisatie op te zetten waar vluchtelingen van over de hele wereld als psychosociaal hulpverlener werken. ‘Dat is nog een lange weg, dat weet ik best. Maar nu ik op heb weten krabbelen uit de ellende, geloof ik dat alles mogelijk is.’
Is het niet paternalistisch om de westerse behandeling van trauma of depressie op te dringen aan mensen wier gemeenschappen daar doorgaans op andere manieren mee omgaan? Dat hangt ervan af hoe je het aanpakt, meent Albrem. ‘Het is niet mijn bedoeling iedere vluchteling tot therapie te dwingen. De eerste stap is goed uit te leggen wat stressmanagement en psychische steun precies zijn. Hoe dat kan werken. Vervolgens is het aan mensen zelf om daar wel of niet voor te kiezen.’

Cultuurverschillen
Daarnaast luisteren de randvoorwaarden voor die zorg nauw, ondervond Albrem tijdens een vergeefs therapietraject bij een Duitse psycholoog. ‘Je moet elkaar kunnen verstaan. Bij ons zat er een tolk naast en dat verstoorde het vertrouwen. Hij vertaalde ook niet letterlijk, maar gaf een soort samenvatting van wat wij zeiden, ontdekte ik toen ik een beetje Duits leerde. Daarmee ging een belangrijk deel van de betekenis verloren.’
Bovendien belemmerden cultuurverschillen het begrip tussen psycholoog en patiënt. ‘Toen ik vertelde dat sommige familieleden sceptisch zijn over therapie, suggereerde de psycholoog dat ik geen contact meer met hen moest zoeken. Nu ik zie dat familiebanden hier minder hecht zijn, kan ik die opmerking wel plaatsen. Maar voor mij als Syriër is het breken met familie echt geen oplossing en die suggestie deed afbreuk aan het gevoel dat hij me zou kunnen helpen.’
‘Dankzij die therapie heb ik mijn leven opgebouwd. Ik werk, betaal belasting en heb de taal geleerd, ik kan nu iets bijdragen.’
Albrems voornaamste kritiek op de huidige vluchtelingenopvang is dat er nauwelijks ruchtbaarheid wordt gegeven aan de mogelijkheden voor psychische zorg. ‘“Je hoeft geen nachtmerries meer te hebben,” reageerde een maatschappelijk werker die ik in vertrouwen nam. “Je bent hier veilig.” En daarmee was de kous af. Maar als je verantwoordelijk bent voor de zorg aan mensen die gruwelijke situaties zijn ontvlucht, uit landen waar psychische zorg vaak nauwelijks bestaat, dan moet je hen actief wijzen op de mogelijkheid steun te krijgen.’ Dat kost energie en geld, weet Albrem, maar dat ziet hij als diepte-investering. ‘Dankzij die therapie heb ik mijn leven opgebouwd. Ik werk, betaal belasting en heb de taal geleerd. Ik kan nu iets bijdragen.’
Uiteindelijk hoopt Albrem vanuit zijn werk met de Syrische diaspora ook de opvattingen over psychische zorg in zijn thuisland te veranderen. ‘Als de oorlog straks voorbij is en wij terug kunnen naar Syrië, nemen we onze positieve ervaringen met psychische steun met ons mee. Op termijn zal ook daar de scepsis worden doorbroken.’ Zodat toekomstige bevende en slapeloze Albrems door hun dokters niet met slaappillen en ibuprofen naar huis worden gestuurd.
Zijn eerste bekeerling heeft Albrem al gevonden. ‘Aanvankelijk heb ik mijn moeder niet verteld dat ik in therapie ging, omdat dat zo gevoelig ligt. Maar in onze telefoongesprekken merkte ze dat het beter met me ging en daarom heb ik haar in vertrouwen genomen.’ Ze bleek te reageren zoals moeders vaak reageren op dingen die goed blijken voor hun zonen. De stem van Albrem, relatief onaangedaan bij de beschrijvingen van het bombardement van zijn huis en de boottocht naar Europa, breekt pardoes. ‘Ze is ontzettend trots dat ik dat heb aangedurfd.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.