‘Ik zou willen beginnen met het maken van een statement over deze verkiezingscampagne,’ zegt Pieter Omtzigt. ‘We zitten momenteel in de grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog. Een medische crisis, maar vooral ook een sociale crisis, een economische crisis en een crisis op het gebied van onderwijs. Daarnaast zijn er twee grote problemen waar we het allemaal over eens zijn: de volkshuisvesting en de relatie tussen overheid en burger.’

Wat is uw verklaring voor het feit dat de belangrijkste problemen in de campagne niet uitgebreid besproken worden?

‘Dat komt door de politiek-bestuurlijke crisis in Nederland. Journalisten vinden niets leuker dan ophef. En dat is een heel ander speelveld. Neem de problemen die ik hierboven noem. In een volwassen democratie zou je daar op dit moment een politiek debat over voeren. We zouden het over de oplossingen kunnen hebben van de problemen waar we het over eens zijn. Maar dat gebeurt te weinig.’

Hadden we het niet al veel langer over die maatschappelijke problemen moeten hebben? Vooral waar het die woningnood en de relatie overheid burger betreft? Sociale grondrechten zijn verankerd in de Grondwet. Wonen staat daar ook tussen. Is het niet gewoon een grondwettelijke taak om daar mee aan de slag te gaan?

‘Ja. Ik vind ook dat we dat veel serieuzer moeten nemen, maar zolang we artikel 120 (de rechter mag niet beoordelen of wetten en verdragen kloppen met de Grondwet, AJK) in de Grondwet laten staan, blijft die Grondwet een soort lijst met goede voornemens.’

‘Politieke partijen waren vroeger ideeënmachines en machtsmachines. Maar door het verlies van hun wortels in de samenleving zijn het nu vooral machtsmachines.’

Als in een geloofsbelijdenis zonder praktische consequenties?

‘Voor onze grondrechten vallen we terug op het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Dus elke rechter in Nederland mag toetsen aan het EVRM. Daarnaast kun je de gang naar het Europees hof maken. Maar dat duurt heel lang. En delayed justice is no justice. Dan hebben we dus een Grondwet en dan denken wij dat we problemen oplossen door ze in de Grondwet te zetten, waar de Tweede Kamer zich niet altijd aan houdt of negeert. Dan is er maar één oplossing en dat is ergens een formele toetsing aan de Grondwet beleggen.’

Dus om de Grondwet weer tot leven te wekken hebben we een grondwettelijk hof nodig?

‘Ja. En dan zou ik vooral voor toetsing aan de klassieke grondrechten zijn. Daarnaast zouden de interbestuurlijke verhoudingen ook getoetst moeten worden door het grondwettelijk hof. Denk bijvoorbeeld aan het recht op documenten van een Kamerlid.

Het toetsen aan de sociale grondrechten is ingewikkelder. De overheid moet bijvoorbeeld huisvesting en onderwijs en bestaanszekerheid bevorderen. Dat is te vaag. Het gaat niet om bevorderen maar of je wel of niet een huis krijgt. Daar kun je dus moeilijk op toetsen.’

Wat is de verantwoordelijkheid van politieke partijen?

‘Politieke partijen waren vroeger ideeënmachines en machtsmachines. Maar door het verlies van hun wortels in de samenleving zijn het nu vooral machtsmachines. Die ideeënarmoede is een van meest nijpende dingen. Ze hebben ook hun wetenschappelijke bureaus bijna wegbezuinigd.’

In uw boek gaat het vooral ook over de modellen van planbureaus

‘We hebben al die maatschappelijke problemen platgewalst door er het poldermodel over heen te gooien, met grote akkoorden waar ze gedepolitiseerd worden. En daarbinnen zijn de modellen van de planbureaus leidend.’

In de politiek is het de gewoonte om de werkelijkheid als een complexe weergave van het model te zien, in plaats van het model als een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid.

‘Ja. En er zit heel veel níét in de modellen. Maar alles wat in de modellen past, doen we. Dat zien we bij de economie, de koopkracht, de coronacrisis, het stikstofbeleid… Maar modellen zijn een hulpmiddel voor als je een idee hebt. En nu doen we het andersom. Het model is leidend voor ideeën van politici. Dat draagt er niet toe bij dat we echt een debat over maatschappelijke problemen voeren.’

‘Het eerste wat in bestuurlijk Nederland gebeurt, is zorgen dat er niet één iemand verantwoordelijk is voor een probleem.’

U hebt het over een sociaal contract. Nederland heeft, zeker in vergelijking met landen om ons heen, altijd gedreven op het middenveld. Dus tussen het individu en de staat hadden wij altijd een buffer: de civil society. Na de verzuiling zijn staat en individu ongemedieerd overgebleven…

‘Exact. Sterker nog, het middenveld is verschoven van het hokje samenleving naar het hokje overheid. Veel middenveldorganisaties zijn een verlengstuk van de staat geworden. Die verenigingen waren ooit van de samenleving, van de burger. Sommigen zijn dat nog. Maar veel zijn al in de overheidsfuik gezwommen. De voedselbanken bijvoorbeeld zwemmen nu langzaam de fuik in. De sociale diensten zullen zich steeds intensiever gaan bemoeien met wie er wel en geen voedselpakketten kan krijgen.’

Dan wordt de overheid een free rider op het middenveld?

‘Nee je krijgt iets dat nog veel enger is. Voor de regering is dat pseudo-maatschappelijk middenveld heel aantrekkelijk. Omdat zij niet verantwoordelijk is voor de fouten die daar gemaakt worden. Alles wordt op afstand gezet. Dat middenveld is geen onderdeel van de rijksdienst. De subsidierelatie kan elk moment gestopt worden. Door het op afstand te plaatsten, is er een politiek zwart gat ontstaan in Nederland. De Belastingdienst is de enige dienst waar we nog echt op kunnen sturen.’

In de afhankelijkheid van subsidies zit ook het verdampen van de tegenmacht?

‘Nou, het eerste wat verdampt in Nederland is een heldere verantwoordelijkheidsverdeling. In een normale organisatie weet je wie verantwoordelijk is voor een bepaalde taak, een leraar is er bijvoorbeeld verantwoordelijk voor dat jouw kind veilig in de klas zit. Maar het eerste wat er in bestuurlijk Nederland gebeurt, is zorgen dat er niet één iemand verantwoordelijk is voor het probleem. Dat zit heel diep in onze polderende rijksdienst.’

Wat betekent dat voor de uitvoering?

‘Die uitvoerder wordt gillend gek. Net als de burger. Beiden zien dat het niet werkt. Beiden hebben niet de middelen om er iets aan te doen.’

De Franse denker Alexis de Tocqueville zou dat mild despotisme noemen. Bureaucratische systemen die niemand nog onder controle heeft en die willekeur en onrechtmatigheid veroorzaken. Alle checks and ballances hebben duidelijk gefaald…

‘Al die checks and balances en de instituties die er mee samenhangen zijn een voor een uitgeschakeld omdat dat politiek goed uitkwam. Dat gaat al terug naar de Oekaze Kok, die stelt dat Kamerleden zich niet meer mochten laten informeren door ambtenaren.’

Moet er ook niet iets aan de kant van de samenleving gebeuren? Hoe kan het dat we dit hebben laten gebeuren in de relatie overheid-samenleving?

‘Ja, dat is noodzakelijk. Maar je kan het niet afdwingen.’

Je kan die relatie wel kapotmaken

‘Ja, daar zijn we buitengewoon goed in.’

Democratietheoretici zeggen dat het decentraliseren van democratie, het verbinden van gekozen nationale politici met hun lokale roots, een manier kan zijn om lokale gemeenschappen te versterken.

‘Ja, daar pleit ik voor. Een districtenstelsel zodat vertegenwoordigers een mandaat ophalen bij hun lokale achterban en daar ook verantwoording aan afleggen.’

U doet in uw boek een aantal voorstellen die voor meer tegenmacht moeten zorgen, zoals dat districtenstelsel, constitutionele toetsing, minder akkoorden, professionals serieuzer nemen, meer denktanks om de modellenmakerij in balans te brengen. Uiteindelijk moeten die voorstellen ook zorgen voor het oplossen van maatschappelijk vraagstukken die we nu niet terugzien in de campagne. Wat is daarvoor nodig?

‘Samenleving en bestuurders zien dat de tien punten die ik voorstel nodig zijn. Maar bestuurders durven het niet aan omdat ze onzeker zijn over wat het nieuwe landschap oplevert. Die angst heeft met de partijpolitiek te maken en niet met het politieke: de maatschappelijke vraagstukken. Maar doe het nou gewoon. Maak die instituties sterker. Dat heeft ook een normerend effect op de samenleving.’

Pieter Omtzigt en Albert Jan Kruiter werden beiden gehoord door de commissie Bosman die onderzoek deed naar het verlies van de menselijke maat bij uitvoeringsorganisaties. Dit is een verkorte weergave van het gesprek dat Kruiter en Omtzigt voerden. Het hele gesprek leest u in Vrij Nederland nummer 4.