‘Kijk mama! Hertjes!’ schalt het door de stiltecoupé in de intercity tussen Almere en Lelystad. Het jongetje drukt enthousiast zijn neus tegen het raam van de trein. Zijn moeder kijkt wat verontschuldigend om zich heen en legt haar zoontje uit dat hij nog een paar minuutjes, tot eindstation Lelystad, zachtjes moet doen.

Het jongetje tuurt naar de Oostvaardersplassen, links van het spoor, waarover de maatschappelijke gemoederen vorig jaar hoog opliepen. Het gebied was al langer onderwerp van discussie. Natuurlijke processen kregen zo veel mogelijk ruimte en als gevolg daarvan was er in strenge winters te weinig voedsel voor de duizenden grote grazers in het gebied. Het deel van deze dieren dat de winter niet zou overleven, werd vanuit ‘vroeg reactief beheer’ afgeschoten om onnodig leed te voorkomen. Dit tot grote ontzetting van dierenactivisten en -liefhebbers, terwijl biologen en ecologen zich weerden met het argument dat sterfte en leed nu eenmaal onderdeel uitmaken van de natuur.

Vorig jaar kwam het conflict tot een kookpunt toen boswachters met de dood bedreigd werden. Dierenactivisten eisten dat de dieren werden bijgevoerd of uit het gebied werden gehaald. Op sociale media werd het natuurgebied omgedoopt tot de Doodvaardersplassen, de hertenhel, de Nederlandse Killing Fields en Auschwitz voor grote grazers. Boswachters werden uitgemaakt voor nazi’s, kampbewaarders en ‘rasechte Mengele-zonen’.

In maart 2018 zwichtte de provincie Flevoland voor de druk, vooral om de veiligheid van de boswachters te garanderen. De Gedeputeerde Staten verzochten om de runderen en paarden in het gebied bij te voeren als er sprake was van voedselschaarste.

Daarmee kwam er een einde aan een tijdperk. Het ooit innovatieve idee dat Nederlandse natuur opnieuw ‘wild’ kon worden, werd ten grave gedragen. Waar is het fout gegaan? En wat kunnen we leren van de Oostvaardersplassen?

Foto van heide in de Oostvaardersplassen

Unieke ecologische potentie

Het gebied waarin de Oostvaardersplassen liggen, werd in 1968 ingepolderd. Aanvankelijk was een deel van de polder bedoeld voor de ontwikkeling van industrie, maar toen het voor het grootste deel drooggelegd was, bleek de behoefte aan grond voor industrie afgenomen. Een slordige 5500 hectaren bleven onontgonnen.

Al snel werd duidelijk dat het gebied een unieke ecologische potentie had. Zo vormde het moerassige landschap een perfecte bescherming voor grauwe ganzen, die in de rui een maand lang niet kunnen vliegen. De Oostvaardersplassen waren daardoor de enige plek in Nederland waar de ganzen in rui te zien waren. De grauwe ganzen zorgden er bovendien voor dat het moeras niet dichtgroeide tot bos, doordat ze bladeren en rietwortels aten.

Om hun periode buiten de rui door te komen, hebben grauwe ganzen echter ook grasland nodig om te kunnen aansterken. En hoewel de Oostvaardersplassen ook een droog gedeelte hebben, zou dat zonder menselijke interventie binnen de kortste keren dichtgroeien.

Het devies was: de natuur weet het zelf het best.

Bioloog Frans Vera, de geestelijk vader van de Oostvaardersplassen, had daar een oplossing voor. Om de hoger gelegen delen van het moeras open te houden, moesten grote grazers geïntroduceerd worden. Op die manier zou de natuurlijke dynamiek in stand blijven en kon er een balans ontstaan tussen de verschillende soorten en het gebied waarin zij leefden. De mens zou een oogje in het zeil houden en zorgen dat de randvoorwaarden in het leefgebied werden geoptimaliseerd (denk bijvoorbeeld aan het waterpeil).

Zo werden er in 1984 34 heckrunderen geïntroduceerd. In de jaren erna volgden verschillende soorten grote grazers, zoals konikpaarden en edelherten; allemaal soorten die qua gedrag lijken op hun voorouders die duizenden jaren geleden ook al een dominante rol hadden in het onderhoud van het Nederlandse landschap.

Het devies bij de Oostvaardersplassen was: de natuur weet het zelf het best. Er werd zo min mogelijk geïntervenieerd om zo een natuurlijke balans, een ‘nieuwe wildernis’ te laten ontstaan.

Suggestie van volmaaktheid

Maar of die natuurlijke balans daadwerkelijk bestaat? Wetenschapshistoricus en bioloog Bert Theunissen (Universiteit Utrecht) heeft zijn twijfels. ‘De belangrijkste reden dat het experiment van de Oostvaardersplassen is mislukt, is een verkeerde conceptie van de natuur die heel diepe historische wortels heeft,’ zegt hij. Die conceptie berust volgens hem op het ideaal van harmonie; het idee dat in de natuur alles een functie of een doel heeft. ‘Biologen zouden eigenlijk hebben moeten weten dat dat idee van de natuur achterhaald was.’

Dat idee is nog op allerlei plekken terug te vinden. Als je een willekeurig biologieboek voor het voortgezet onderwijs openslaat, vind je daarin cirkeldiagrammen en andere schematische weergaven van de natuur, met pijltjes, plusjes en minnetjes die verbanden weergeven. Die schema’s wekken een suggestie van volmaaktheid: de natuur bestaat uit perfecte cycli van opbouw en afbraak. Populaties van roofdieren en prooien zijn constant op zoek naar een balans en houden elkaar in het gareel. Elk organisme vervult in dat systeem een functie, waardoor het ecosysteem als geheel zich ook als één organisme lijkt te gedragen.

Volgens Theunissen vindt dat idee haar oorsprong in het Bijbelverhaal over de Hof van Eden. Daar was de natuur ook een volmaakt, harmonisch geheel. Aan die balans kwam volgens de Bijbel een einde toen Adam en Eva van de verboden vrucht aten, met alle gevolgen van dien. En hoewel het verhaal over de Hof van Eden de afgelopen tweeduizend jaar qua geloofwaardigheid flink heeft ingeleverd, is het achterliggende idee van de natuur als harmonieus geheel wel blijven hangen.

In de Hof van Eden gold blijkbaar hetzelfde devies als in de Oostvaardersplassen: de natuur weet het zelf het best. Die kun je dus maar beter zoveel mogelijk de ruimte laten.

‘Natuurlijke situatie’

En dat is ook precies waarom het volgens activisten fout is gegaan bij de Oostvaardersplassen. Het was immers de mens die de Oostvaardersplassen op de zee veroverde en er vervolgens een hek omheen zette. Hoe kunnen we spreken van een natuurlijke situatie, als dieren geen mogelijkheid hebben om te migreren in tijden van schaarste? Het menselijk ingrijpen zou de ‘natuurlijke situatie’ uit balans hebben gebracht.

Foto van konikpaard in de Oostvaardersplassen

De gedachte dat de dieren in de Oostvaardersplassen opgesloten zitten, ligt ook ten grondslag aan veel van de clandestiene acties van de actievoerders. Zo knipten ze in de nacht van 19 op 20 mei 2018 een van de hekken door die het gebied omheinen, zodat de dieren konden migreren naar voedselrijkere gebieden (waarschijnlijk hadden de actievoerders de Veluwe op het oog). Maar wie vanuit de Oostvaardersplassen naar de Veluwe wil, zal over de A6 moeten. Omdat de edelherten in hun vluchtpoging naar de Veluwe de verkeersveiligheid rondom de snelweg in het geding brachten, werden ze de volgende ochtend afgeschoten.

Wat in het algemeen schort aan de redenering dat de dieren in de Oostvaarderplassen opgesloten zitten, is dat elk ecosysteem, of het nou een eiland in de Grote Oceaan of de Afrikaanse savanne betreft, zijn begrenzingen heeft. Ook op die ‘eindeloze’ Afrikaanse savanne is het niet ongebruikelijk dat de zebrapopulatie in een slecht jaar door voedselschaarste decimeert. Van balans is ook daar weinig sprake, omdat de natuur nou eenmaal dynamisch is.

De wolf als oplossing

Volgens veel biologen en ecologen is de belangrijkste reden dat de Oostvaardersplassen mislukt zijn dat er geen grote roofdieren in het gebied leefden. Hoe kan een ecosysteem immers in balans zijn als er niemand bovenaan de voedselketen staat? De wolf wordt gezien als een geschikte kandidaat om die rol van superroofdier te vervullen.

Boswachter Hans-Erik Kuypers van Staatsbosbeheer, een rijzige man met een aanstekelijk enthousiasme voor vogels, is ervan overtuigd dat het wel wat ingewikkelder is dan dat.

Terwijl hij in een pick-uptruck door het kerngebied van de Oostvaardersplassen rijdt, legt hij uit dat wolven in een roedel opereren en dat het gebied daar waarschijnlijk niet groot genoeg voor is. Soms onderbreekt Kuypers even kort zijn zin om het geluid van een vogel te identificeren.

Naast het feit dat de Oostvaardersplassen waarschijnlijk te klein zijn om een wolvenroedel te huisvesten, is de komst van de wolf in Nederland ongeveer net zo omstreden als de Oostvaardersplassen zelf. De kans dat een dergelijke ‘oplossing’ gepaard gaat met maatschappelijke onrust is dus groot.

Weinig accurate voorspellingen

Het is daarnaast maar de vraag of de introductie van een groot roofdier werkelijk effect heeft op de populatie van grote grazers. Het bestuderen van roofdier-prooi-relaties is complex, maar de situatie in Isle Royale, gelegen in Lake Superior in de Verenigde Staten, biedt een interessante casus.

Rond 1900 is daar op onduidelijke wijze een aantal elanden naartoe gemigreerd. Die leefden daar van de waterlelies en de populatie kon, althans zo leek het, door de afwezigheid van roofdieren groeien tot een aantal duizenden elanden. Net als in de Oostvaardersplassen rees de vraag of er niet iets aan regulering gedaan moest worden, omdat er in een slechte winter duizenden elanden stierven van de honger. Maar omdat de elanden op eigen houtje op het eiland waren gekomen en er dus sprake was van een natuurlijke situatie zag men van ingrijpen af.

Foto van zwerm vogels in de Oostvaardersplassen

Foto van landkaart en verrekijkers

Alsof het Gods voorzienigheid betrof, liepen er in de late jaren veertig ook een aantal wolven over het ijs naar Isle Royale. Dit maakte het eiland een uitermate geschikte plek om de relatie tussen prooi en roofdier te onderzoeken. In 1958 ging daarom een onderzoeksproject van start.

Het argument dat de Oostvaardersplassen ‘mislukt’ zijn door een gebrek aan grote roofdieren is niet overtuigend.

De hypothese was dat, zoals we kunnen leren uit biologieboeken, roofdier en prooi elkaar in balans zouden houden. Door de komst van de wolven zou het aantal elanden afnemen. Vervolgens zou het aantal wolven afnemen doordat ze uiteindelijk niet genoeg te eten zouden hebben. Daardoor zou de elandenpopulatie weer kunnen herstellen, waarna uiteindelijk de wolvenpopulatie ook weer zou groeien doordat ze genoeg te eten hadden, enzovoorts.

Wat er in werkelijkheid gebeurde, zegt veel over de onvoorspelbaarheid van de natuur. Er gebeurde namelijk niks noemenswaardigs. De invloed van wolven op de elandenpopulatie was nihil, en andersom bleken de elanden ook weinig invloed te hebben op de wolven. De ontwikkeling van de elandenpopulatie had meer te maken met milde winters en de afwezigheid van teken. Het succes van de wolvenpopulatie hing daarentegen vooral af van het percentage vrouwelijke wolven in de roedels en de migratie van nieuwe wolven naar het eiland.

De roofdier-prooi-relatie tussen de wolven en de elanden bleek dus van marginaal belang voor de ontwikkeling van beide soorten op het eiland. Een van de voorlopige conclusies van het onderzoeksproject luidde: ‘De nauwkeurigheid van onze voorspellingen over de wolven- en elandenpopulatie van Isle Royale is vergelijkbaar met voorspellingen over het weer op de lange termijn, of die van financiële markten.’ Niet erg accuraat dus. Het argument dat de Oostvaardersplassen ‘mislukt’ zijn door een gebrek aan grote roofdieren is dan minder overtuigend.

Reset

Een meer directe maar ook meer controversiële methode om populaties van grote grazers in het gareel te krijgen, is afschot. Dat is, ondanks felle kritiek van verschillende natuurorganisaties, de huidige modus operandi van Staatsbosbeheer Flevoland om de natuur terug in ‘balans’ te krijgen. Het aantal edelherten moet worden teruggebracht tot 490, waarvoor 1830 edelherten moeten worden afgeschoten. In het rapport van de Commissie Van Geel, het adviesrapport dat werd gebruikt als beleidskader van Provincie Flevoland voor de Oostvaardersplassen, wordt enigszins eufemistisch gesproken over een reset van het gebied.

Ook die keuze heeft tot veel onvrede geleid. Hoewel het conflict redelijk bekoeld is sinds de dieren in tijden van schaarste worden bijgevoerd, heeft het afschieten van gezonde in plaats van uitgemergelde dieren Staatsbosbeheer Flevoland ook niet populairder gemaakt.

De natuur heeft geen richting of een vooropgezet plan. Die weet het niet beter. Die doet maar wat.

Maar het afschieten van edelherten is volgens boswachter Kuypers minder onethisch dan doorgaans gedacht: ‘Edelherten leven in complexe sociale structuren en zijn zeer moeilijk te vangen. Je kunt ze wel verplaatsen, of ze steriliseren, maar naast de vraag of dat wel daadwerkelijk effect heeft, levert het ontzettend veel stress op voor de dieren. Uit verschillende rapporten is gebleken dat afschot voor nu de beste methode is om de huidige doelstellingen te halen. Maar we blijven zoeken naar de meest duurzame oplossing. Zo zijn er onderzoeken gaande naar sterilisatie van edelherten. Als de resultaten worden gepubliceerd, zullen we kijken of die methode ook toepasbaar is op de Oostvaardersplassen.’

Hoewel nog niet zeker is of de doelstelling van 1830 edelherten gehaald wordt, lijkt het er wel op dat Staatsbosbeheer en faunabeheerders ‘een heel eind komen’, zo liet gedeputeerde Harold Hofstra (ChristenUnie) aan Omroep Flevoland weten.

Foto van open autoraam met uitzicht op de Oostvaardersplassen

Vliegende deur

Hoewel Hans-Erik Kuypers de commotie over de sterfte van de grote grazers goed begrijpt, betreurt hij dat de overige soorten in het gebied zo weinig aandacht krijgen. Ook in de media gaat het vooral over koetjes en kalfjes, maar over het feit dat de Oostvaardersplassen verschillende beschermde dier- en plantensoorten huisvesten, wordt nauwelijks gerept.

De boswachter wijst vanuit de pick-uptruck naar een langsvliegende grote zilverreiger. ‘Ik kan me nog goed herinneren dat toen ik jong was, deze soort niet in Nederland voorkwam,’ zegt hij. ‘Het is toch fantastisch dat die vogel nu weer te zien is hier?’

Het spectaculairste voorbeeld van de nieuwe soorten die de Oostvaardersplassen huisvesten, is waarschijnlijk de zeearend, die vanwege zijn spanwijdte ook wel ‘de vliegende deur’ wordt genoemd. In 2006 deed de zeearend voor het eerst sinds eeuwen in Nederland een broedpoging, in de Oostvaardersplassen, waar de vogel sindsdien jaarlijks te bewonderen is.

Het verhaal beperkt zich niet tot het dierenrijk. Hetzelfde geldt voor planten als de moerasandijvie, die in de Europese Unie de status van beschermde soort geniet, en in de Oostvaardersplassen weelderig groeit. Daarop is het nieuwe beleid dan ook geënt: het behoud van de soortenrijkdom in het gebied, en niet langer de natuurlijke processen.

Goed voor ons

‘Weinig mensen beseffen,’ zegt Theunissen, ‘dat de biodiversiteit van een gebied slechts een getal is. Het is niet goed of mooi of leuk. Het is gewoon een getal. Het is dus ook een illusie dat meer biodiversiteit ook noodzakelijk beter is voor de natuur. De enige soort die zich bekommert om biodiversiteit is de mens, omdat wij dat leuk vinden. Biodiversiteit is goed voor ons.’

Overigens verschillen op dit punt de meningen. Wetenschapsjournalist Rolf Schuttenhelm schreef in het augustusnummer van Vrij Nederland dat het massaal afsterven van natuurlijk leven het grootste duurzaamheidsprobleem van onze tijd is. De massale sterfte van insecten zal bijvoorbeeld een probleem vormen voor onze voedselvoorziening en het landschap om ons heen fundamenteel veranderen. De natuur zal er uiteindelijk wel bovenop komen, maar de mens kan het duur komen te staan.

Lees ookDe biodiversiteit in Nederland holt achteruit - maar er is iets aan te doen18 juli 2019

Boswachter Kuypers gelooft net als Theunissen dat de natuur onverschillig is. Maar dat is volgens hem nog geen reden om alles maar op zijn beloop te laten: ‘Het klopt dat de natuur niet echt een richting heeft. Het maakt voor de natuur ook niet wezenlijk uit of de zilverreiger of de zeearend terug in Nederland is. Maar toch heeft die natuurlijke rijkdom een soort aantrekkingskracht op de mens. En dat maakt het de moeite waard om dit gebied zó in te richten dat zoveel mogelijk soorten hier een geschikte habitat vinden.’

Het nieuwe beleid is dus tot stand gekomen vanuit de gedachte dat de natuur niet uit zichzelf tot een harmonisch geheel komt, maar soms een klein duwtje in de rug nodig heeft.

In het nieuwe beleid beweegt de mens met de natuur mee waar mogelijk, en grijpt in waar nodig.

Vanuit die gedachte wordt menselijke interventie in de Oostvaardersplassen dus minder geschuwd dan voorheen. Een van die menselijke interventies is dat de Oostvaardersplassen samen met de Lepelaarsplassen, het Markermeer en de Markerwadden onderdeel worden van het Nationaal Park Nieuw Land, waarvoor verschillende nieuwe passages aangelegd moeten worden zodat de dieren van het ene naar het andere gebied kunnen.

In het nieuwe beleid beweegt de mens met de natuur mee waar mogelijk, maar grijpt in waar nodig. ‘We zitten als het ware achter de knoppen,’ legt Kuypers uit, ‘zonder altijd precies te weten wat al die knoppen doen. We reageren constant op de natuur en kijken wat er gebeurt en hoe we het best voor de natuur kunnen zorgen.’

Blijven communiceren

Kuypers is blij met het feit dat het beleid in de Oostvaardersplassen proactiever is dan vroeger. ‘Ook natuurbeheer is onderhevig aan maatschappelijke ontwikkelingen. Als de onvrede over het beleid zo groot is als vorig jaar, moet je jezelf achter de oren krabben of je nog de juiste weg bewandelt.’

Misschien is dat wel een van de belangrijkste lessen van de Oostvaardersplassen: de natuur staat niet los van de maatschappij, maar vormt eerder een projectiescherm van maatschappelijke opvattingen. Diezelfde les is van toepassing op de huidige discussie over de wolf in Nederland. Het feit dat die wolf zich hier op een natuurlijke manier heeft gevestigd, zegt niets over de wenselijkheid van die ontwikkeling. De natuur heeft immers geen richting of een vooropgezet plan. Die weet het niet beter. Die doet maar wat. Het is aan ons, de mens, om te kiezen hoe we reageren als de wolf zich in Nederland vestigt.

Op weg naar de uitgang van het gebied passeren we een man met een grote camera om zijn nek. De boswachter draait zijn raam naar beneden. ‘Nog wat moois gezien?’ ‘Nee, ik ben er pas net,’ antwoordt de man een beetje schuchter. ‘Wat gaan jullie met die hekken doen?’ vraagt hij.

Die worden gebruikt om een vangweide te bouwen waar een aantal konikpaarden in quarantaine wordt gebracht, legt Kuypers uit, om ze vervolgens naar Wit-Rusland te verhuizen. De man knikt instemmend. ‘Hopelijk laat de zeearend zich nog even zien vandaag,’ zegt Kuypers. ‘Veel plezier in elk geval!’

Hij draait het raampje weer dicht. ‘Zo makkelijk is het. Je moet gewoon blijven communiceren.’