Liever luisteren? Lou-Anna Druyvesteyn leest voor.
Voor het eerst in bijna twintig jaar kon in april geen Maand van de Filosofie van start gaan. Het jaarlijkse initiatief moest door de coronacrisis uitgesteld worden. Geen lezingenreeks, geen interviews, geen debatten. Dat is jammer, voor mezelf (ik schreef dit jaar het bijbehorende essay) en ook voor de samenleving. Want als er iets heilzaam zou kunnen zijn voor onze verwarrende, verdeelde wereld, dan is het wel het cultiveren van de filosofische geestesgesteldheid.
Wat is het nut van de filosofie? Toen de Franse muziek- en moraalfilosoof Vladimir Jankélévitch deze vraag ooit werd gesteld, struikelde hij in zijn antwoord bijna over zijn eigen woorden. Want zodra je iets zinnigs probeert te zeggen over het nut van de filosofie, ondergraaf je haar betekenis en raison d’être. Zoals bij alles wat werkelijk van waarde is in het leven – vriendschap, liefde, kennis – is de betekenis van filosofie intrinsiek, niet instrumenteel. Wie in een vriend of geliefde een nut zoekt, heft de vriendschap en de liefde op. Zo is het ook met de filosofie.
Alicja Gescinska
Alicja Gescinska (Warschau, 1981) vluchtte in 1988 met haar ouders uit het communistische Polen naar België. Ze studeerde moraalwetenschappen aan de Universiteit Gent en promoveerde in de filosofie. Ze schreef onder meer De verovering van de vrijheid. Van luie mensen, de dingen die voorbij gaan (2011), een filosofisch pleidooi voor positieve vrijheid, en Intussen komen mensen om (2019), over politieke betrokkenheid, over de persoonlijke worsteling met politieke betrokkenheid en intellectuele verantwoordelijkheid. In 2016 verscheen haar debuutroman, Een soort van liefde.
Betere begrippen
Toch blijft het belangrijk om ons de vraag te stellen: wat is filosofie en wat hebben we er nu eigenlijk aan? Filosofie bestaat uit heel verschillende deeldisciplines en heeft heel verschillende onderwerpen als centraal studieobject: logica, kennisleer, metafysica, politieke filosofie, ethiek, taalfilosofie, filosofie van de religie, van de economie, van de geschiedenis, noem maar op. Het is haast onmogelijk om dat allemaal onder één noemer te brengen. Maar hoe uiteenlopend het werk van de logicus, de ethicus en de politiek filosoof ook moge wezen, er is wel een gemene deler: de kerntaak van filosofie is conceptuele analyse.
Begripsanalyse heeft een grote maatschappelijke betekenis, je zou zelfs kunnen spreken van een groot maatschappelijk ‘nut’.
Filosofie is de poging om een beter begrip te krijgen van de begrippen waarmee we de wereld proberen te begrijpen. Beter begrijpen met betere begrippen. Dat is niet zomaar een theoretische exercitie, geen terminologische haarkloverij. Begripsanalyse heeft een grote maatschappelijke betekenis, je zou zelfs kunnen spreken van een groot maatschappelijk ‘nut’. Dat geldt in het bijzonder voor begrippen die heel vaak gebezigd worden in het publieke en politieke debat en onze wereld vormgeven, maar waarvan de betekenis lang niet altijd duidelijk is. Zoals waarheid en vrijheid, of de tegenstelling elite versus volk.
Duel in plaats van dialoog
Wanneer we ons begrip van de wereld en onze medemens vergroten, kunnen we ook ons begrip voor de wereld en onze medemens vergroten. In onze gepolariseerde wereld is dat geen overbodige luxe. Het publieke debat neemt al te vaak de vorm aan van een duel in plaats van een dialoog. Het onbegrip aan weerskanten van het politieke en ideologische spectrum lijkt soms zo groot dat het debat nog slechts een dovemansgesprek dreigt te zijn.
Dat is nefast voor de democratie en de samenleving. Immers: het publieke debat is de olie die de motor van de democratie draaiende houdt. De kwaliteit van een open samenleving hangt in fundamentele mate af van de kwaliteit van het debat. Wanneer onbegrip en foute begrippen daar alomtegenwoordig zijn, wanneer we concepten hanteren waarvan de validiteit twijfelachtig is, foute associaties maken, vooronderstellingen voor onomstotelijke waarheden aannemen en platitudes debiteren alsof het gaat om doorwrochte inzichten van ons uitmuntend intellect, dan erodeert die zo fundamentele pijler van de democratie. De conceptuele analyse van de filosofie kan ons helpen om die erosie tegen te gaan door onbegrip en fout begrepen begrippen te bestrijden.
Fata morgana
Een van de begrippen die de voorbije jaren een centrale rol heeft gespeeld in het publieke debat en in de politiek, is waarheid. Politieke tegenstanders verwijten elkaar voortdurend dat ze de waarheid met voeten treden. De ene beweert dat de mainstream media enkel fake news genereren. De andere beweert dat populistische politici voortdurend liegen, of op z’n best ‘alternatieve feiten’ presenteren. Dat alles draagt ertoe bij dat we in een ‘post truth-tijdperk’ verzeild zijn geraakt.
Maar is dat wel zo? Enige filosofische reflectie zou ons terughoudender moeten maken in het verkondigen van de ondergang van de waarheid. De term post truth suggereert dat er een truth– en misschien ook een pre truth-tijdperk heeft bestaan. Maar wie daaraan gelooft, gelooft in een historisch fata morgana. Liegen, misleiden, manipuleren: het is altijd deel geweest van het politieke spel.
Daarop wijst ook Hannah Arendt in haar essay Lying in Politics (1972), haar reflectie over de leugen in de politiek naar aanleiding van de Pentagon Papers, de documenten waaruit bleek dat de Amerikaanse overheid systematisch loog over haar rol en aanwezigheid in Vietnam in de jaren voorafgaand aan de Vietnamoorlog.
Dat betekent uiteraard niet dat we de leugen in het politieke discours maar moeten normaliseren. En het betekent ook niet noodzakelijk dat de term post truth dan maar helemaal gedumpt moet worden. Elke omschrijving van een tijdvak of poging om een Zeitgeist te vatten, is immers onbevredigend. Dat is voor onze vermeende ‘post truth-tijden’ niet anders dan voor termen als ‘Renaissance’ of ‘Verlichting’, of ‘Dark Ages’.
Leugenachtige politici
Hoewel waarheid en leugen altijd deel zijn geweest van het politieke discours, komt ons bewustzijn van de precaire positie waarin de waarheid zich soms bevindt tegenwoordig meer tot uiting. Het lijkt soms wel een obsessie: het is onmogelijk om nog de krant open te slaan zonder dat er over waarheid en leugen geredekaveld wordt.
Als uitdrukking van die obsessie zou de term post truth misschien wel iets zinnigs over onze tijd en tijdsgeest kunnen zeggen. Betwiste waarheden zijn altijd inzet geweest van de politiek. Door voortdurend het beeld op te hangen dat we tegenwoordig opgezadeld zitten met een uitzonderlijk fenomeen – leugenachtige politici – bewijzen we de samenleving geen dienst. Democratische politiek kan immers slechts bestaan bij de gratie van het vertrouwen van de burger in zijn politieke vertegenwoordigers. En door voortdurend de leugenachtigheid van politici te benadrukken, dreigt ook een normaliseren van de leugen.
We moeten politiek, ondanks de overdaad aan bewijzen van het tegendeel, blijven zien als een eerbaar beroep. Anders wordt het wat we ervan maken. Daarvoor waarschuwde Václav Havel vele jaren geleden al: zij die voortdurend benadrukken dat politiek een vuile, leugenachtige stiel is, maken dat er ook van. Een politicus die de leugens aaneenrijgt, doet dan ook maar gewoon zijn werk.
De vermeende elite
Ook een andere term heeft de afgelopen jaren een opvallende, funeste rol gespeeld in het publieke debat: ‘de elite’. Het is een beproefde strategie van populistische partijen in binnen- en buitenland om een schisma in de samenleving te suggereren, waarbij een vermeende elite het volk onder de knoet houdt, een elite waarvan het volk dringend bevrijd dient te worden.
Politici als Thierry Baudet en Geert Wilders hameren er maar al te graag op. Vorige maand nog postte Wilders een foto van hem in het gezelschap van Baudet en Theo Hiddema met de boodschap dat PVV en Forum voor Democratie zouden samenwerken om Nederland op de elites te heroveren. De ironie wil natuurlijk dat de betreffende politici zelf het product en de belichaming zijn van een bovenlaag van de samenleving die ze zeggen te verfoeien. Het voortdurend cultiveren van de tegenstelling elite versus volk is weinig bevorderlijk voor de sociale cohesie. Dé elite is dé schuldige van hét kwaad in de samenleving. De geschiedenis leert dat er weinig goeds komt van de politieke toepassing van zulke zondebokretoriek.
Het gevoel dat ‘de elite’ de oorzaak is van bijna alles wat spaak loopt in onze samenleving, is wijdverbreid.
Het zijn echter niet alleen politici die drijven op tweespalt die deze dichotomie voor waar aannemen. Het gevoel dat ‘de elite’ de oorzaak is van bijna alles wat spaak loopt in onze samenleving, is wijdverbreid.
Twee jaar geleden ging een kort essay van de Italiaanse schrijver en filosoof Alessandro Baricco de wereld rond. Het werd in een mum van tijd in vele talen en verschillende kranten gepubliceerd. Zijn boodschap: ‘de elite’ had het de voorbije jaren toch al te bont gemaakt, door zich te wentelen in haar eigen comfort had ze haar maatschappelijke plichten verzaakt. Al te lang had die elite haar eigenbelang nagestreefd, had zij het volk behandeld als stumperds die bij de hand genomen of onder de duim gehouden moeten worden. Uiteindelijk heeft het volk zijn vertrouwen in de elite verloren, en dat verklaart het succes van populistische en anti-establishmentpartijen. De dingen die het volk wil, kan men pas begrijpen, aldus Baricco, door te zien wat werkelijk de bedoeling is: zich bevrijden van de elite.
Los zand
Maar conceptueel is die dichotomie volk – elite op los zand gebouwd. Precies daar zou wat meer kennis van de filosofie en een kritische filosofische geest van pas komen. In de politieke filosofie is men het concept van ‘de elite’ immers al vele decennia geleden gaan analyseren en fileren. Het achteloze gebruik van de term elite getuigt van intellectuele luiheid.
Wat is dat precies: ‘de elite’? Volgens Baricco gaat het om bijna iedereen die thuis meer dan honderd boeken bezit. Nou, dan worden wel heel veel mensen met heel uiteenlopende achtergronden – ook u, lezer van Vrij Nederland – direct aansprakelijk gehouden voor de grootste morele en maatschappelijke kwalen van onze tijd.
Onder anderen de Amerikaanse filosoof Robert Dahl heeft op overtuigende wijze beargumenteerd wat er allemaal schort aan de zogenoemde ruling elite theory. Aanhangers van deze theorie beweren dat er een elite bestaat die de touwtjes van de samenleving in handen houdt en het volk in een specifiek keurslijf dwingt. Een eerste probleem van die theorie is dat zij wetenschappelijk onverantwoord is, omdat zij nauwelijks falsifieerbaar is.
Dat laatste is namelijk alleen mogelijk onder drie voorwaarden: 1) de elite moet een heel precies omschreven groep in de samenleving zijn, 2) in cruciale kwesties is het standpunt van deze groep tegengesteld aan dat van andere, grotere groepen in de samenleving, 3) de besluitvorming in deze kwesties ligt steeds in het verlengde van wat de welomlijnde elite wil.
De aanhangers van de ruling elite theory, zeker in haar gepopulariseerde vorm, nemen echter niet de minste moeite om de elite ook maar enigszins conceptueel of demografisch af te bakenen. En dat maakt hun bewering over het bestaan van een allesoverheersende elite even falsifieerbaar als de bewering dat een geheim genootschap van eenhoorns de ware bestierder van de wereld is.
Het is hierbij ook belangrijk om op te merken dat er verschillende groepen in de samenleving bestaan die erg invloedrijk zijn in één domein, maar volstrekt geen zeggenschap hebben in andere. Er zijn elites, eerder dan een elite. En al die verschillende ‘elites’ – cultureel, economisch, politiek, militair – komen lang niet altijd samen of overeen. Er is een groot verschil tussen hun werkelijke en hypothetische macht. De voorwaarde waaronder een groep haar potentiële macht kan verwerkelijken, is dat het om een sterk unanieme groep gaat waarin alle neuzen in dezelfde richting staan. Wanneer dat niet het geval is, en het ís niet het geval, is het machtspotentieel van een vermeende elite slechts hypothetisch. En kun je dus eigenlijk niet zinnig spreken over een elite of dé elite die het ‘gewone volk’ onderdrukt.
Quatsch-detectoren
Enige kennis van de filosofische literatuur en wat meer filosofische twijfel over gangbare concepten zouden onze ‘quatsch-detectoren’ moeten activeren wanneer er weer een politicus of intellectueel opkomt voor het gewone volk en daarbij de elite verfoeit. Het vaag en algemeen gebruik van de term ‘elite’ is eerder filosofische kwakzalverij dan wetenschappelijk verantwoord. Dat het begrip toch zo veelvuldig wordt gebruikt, zorgt voor vertroebeling van het maatschappelijke debat en knaagt aan de maatschappij zelf. We laten erdoor na datgene te benoemen wat wél fout zit in een systeem, bijvoorbeeld de gevallen waarbij wel degelijk machtsconcentraties en -monopolies, netwerken en nepotisme de democratie aantasten. We krijgen geen beter begrip van die gevaren door vaag geklaag over ‘de elite’ die het volk verdrukt.
Wat we bij Baudet, Wilders en andere rechts-populistische politici in en buiten Europa zien, is niet het verlangen van het volk om zich van de elite te bevrijden, maar een al bevoorrechte groep in de samenleving die ernaar streeft – voor en achter de schermen – om nog meer macht naar zich toe te trekken, zodat een autoritair, weinig democratisch of zelfs antidemocratisch regime geïnstalleerd kan worden, waarbij rechten en vrijheden die in de liberale democratie als fundamenteel gelden eerder een last zijn dan een lust.
Deel van dit streven en de strategie van deze groep is het cultiveren van het beeld van de elite als homogene groep, en als vijand. Wat dus feitelijk onjuist is. Wie de liberale democratie aan het hart gaat en de bewering dat dé elite hét probleem van onze tijd is overneemt, biedt munitie aan haar eigen vijand.
De vlag van de vrijheid
Daarmee belanden we bij een ander belangrijk begrip dat vaak verkeerd begrepen wordt en al jaren een grote rol speelt in het politieke discours: vrijheid. Politici wapperen graag met de vlag van de vrijheid. Aan vrijheid kleeft immers een buitengewoon positieve connotatie. Maar onder de vlag van vrijheid gaat veel verdrukking schuil. In de geschiedenis zijn de grootste vrijheidsstrijders ook vaak de grootste verdrukkers geweest. En zij die de bevrijding van het volk prediken, dragen vaak bij tot de verknechting ervan.
Dat de blinde aanbidding van een leeg begrip van vrijheid kwalijk kan zijn, zien we heel goed in de manier waarop de VS de coronacrisis aanpakt. In de VS wordt vrijheid grotendeels opgevat als laisser-faire: vrijheid is de mogelijkheid om te doen en te laten wat je wilt. Vrijheid wordt ‘negatief’ gedefinieerd: vrijheid bestaat bij de afwezigheid van beperkingen en restricties. Elke vorm van staatsinmenging of regulering wordt al gauw begrepen als een schending van een of ander recht op vrijheid. Geen mondmasker hoeven dragen en niet in de pas hoeven lopen van aan ‘coronawaanzin’ lijdende virologen, lijkt voor grote groepen in de VS een fundamenteel mensenrecht. Met alle gevolgen van dien.
Het klinkt contra-intuïtief, maar het is zo: vrijheid bestaat alleen in beperkingen.
In Europa is een andere vrijheidsopvatting gangbaarder, dankzij de naoorlogse welvaartsstaat. Het is een ‘positieve’ vrijheidsopvatting. Vrijheid draait niet om wat je mag, maar om wat je kan doen. Om vrij te zijn is meer nodig dan louter de afwezigheid van restricties en beperkingen opgelegd door anderen. Soms zijn die restricties en beperkingen zelfs nodig om je vrijheid te vergroten.
Isaiah Berlin vergeleek het in zijn invloedrijke essay Two Concepts of Liberty (1958) met de vrijheid van de snoek en de witvissen. De vrijheid van de snoek resulteert in de dood van de witvissen. Dus die laatste zouden baat hebben bij regulering en bescherming. Je kunt het ook vergelijken met de vos en de kippen. De vrijheid van de vos is de dood van de kippen. En dus hebben de kippen baat bij omheining, bescherming. De kippen een laisser faire vrijheid gunnen, bekopen ze met hun dood. Het klinkt contra-intuïtief, maar het is zo: vrijheid bestaat alleen in beperkingen.
Het onverzoenbare
Dat is een inzicht dat we ook vandaag, in volle coronacrisis, niet uit het oog mogen verliezen. Kritische reflectie rond de betekenis van vrijheid is zeker in crisistijd een noodzaak. We moeten geen blind geloof hechten aan de klaagzangen van degenen die menen dat we nu in een totalitair systeem zijn beland omdat de overheid ons specifieke verboden oplegt over hoe we ons in de publieke en privéruimte kunnen gedragen. Sommige verboden zijn nodig om vrijheid mogelijk te maken. Maar we mogen ook niet doof blijven voor die klaagzangen.
Volgens de Poolse filosoof Leszek Kolakowski (1927-2009) laat het menselijke streven zich grotendeels verklaren door twee onverzoenbare verlangens: het verlangen naar veiligheid en het verlangen naar vrijheid. En een goed politiek regime probeert zo goed mogelijk een balans te vinden tussen het onverzoenbare. Hoe dat precies moet gebeuren, is een altijd open vraag. Alleen een dictator weet waar de precieze grenzen van de vrijheid liggen en wat ‘het beste’ is voor de bevolking.
Om de veiligheid (de volksgezondheid) te maximaliseren, zien we dat op dit moment heel wat vrijheden worden ingeperkt, in Vlaanderen nog meer dan in Nederland. Ik schrijf dit stuk nota bene onder een Antwerpse avondklok – dat is voor het eerst sinds mijn eerste levensmaanden in communistisch Polen en Jaruzelski’s staat van beleg!
Het instellen van een avondklok, het verbod op bepaalde verplaatsingen en bijeenkomsten, het quasi-volledig lamleggen van het culturele leven dat van vitale waarde is voor een democratie: het zou gevaarlijk zijn om daar geen gevaar in te zien. Veiligheid is belangrijk, maar al te veel vrijheden slachtofferen op het altaar van de veiligheid is ook niet gezond. Aangezien deze coronacrisis nog wel even zal duren, is het belangrijk om voortdurend het onmogelijke evenwicht te blijven zoeken tussen beide hartstochten.
Geen gemakkelijke waarheden
Als we ons gewapend weten met een kritische geest en filosofische twijfel, is de kans kleiner dat we ons laten meeslepen – of erger: misleiden – door politici die bedenkelijke denkbeelden of eenzijdige beleidsmaatregelen verdedigen. De filosofie wordt gedreven door de drang om te weten. Maar ze is ook doordrongen van het besef van de eigen onwetendheid: het inzicht dat er geen pasklare antwoorden zijn voor uiterst complexe maatschappelijke kwesties. Het is een ongemakkelijke waarheid dat er geen gemakkelijke waarheden bestaan.
Uiteraard spreek ik hier, zoals ze dat in het Vlaams fijn zeggen, voor mijn eigen winkel. Maar ik meen oprecht dat het cultiveren van de filosofische twijfel heilzaam is. Filosofie kan bijdragen tot meer conceptuele hygiëne en minder polariserende stelligheid in het publieke en politieke debat, dat te vaak een debat is van gebalde vuisten in plaats van een uitgereikte hand. Al te vaak domineert het geloof in het eigen grote gelijk. De filosofische houding maakt ons niet immuun voor verkeerde opvattingen en onjuiste overtuigingen. Maar ze wakkert wel de vurige wil aan om ons daarvan te bevrijden.
Dit jaar schreef Alicja Gescinka het essay voor de Maand van de Filosofie: Kinderen van Apate. Over leugens en waarachtigheid. De activiteiten voor die maand, die traditiegetrouw in april plaatsvindt, zijn vanwege corona verplaatst naar eind september en oktober: www.maandvandefilosofie.nl/agenda
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.