Wat de impact van ons leven op het lichaam is, ervoer Olivia Laing (1977) al als kind. Haar moeder was lesbisch en had een complexe relatie met een alcoholiste, terwijl Laing opgroeide in de homofobische jaren tachtig. Ze kreeg het doodsbenauwd als ze op school iets moest zeggen over haar gezinssituatie. Bovendien voelde ze zich absoluut geen meisje, maar ‘iets ertussenin’.

In haar twintiger jaren kreeg ze weer een ander perspectief op het lichaam toen ze praktijk hield als natuurarts, waarbij ze haar rol vooral zag als klankbord, iemand aan wie patiënten hun verhaal kwijt konden. ‘Voor hen fungeerde hun ziekte als een mogelijkheid om erkenning of uitdrukking te geven aan een pijn die ze op een andere manier niet konden toelaten: hun lichamelijke verschijnselen vormden een idioom waarmee ze andere dingen konden verwoorden,’ schrijft ze in Ieder een lichaam. Over verzet, verlangen en vrijheid.

Toen ze dertig was, stopte ze met haar praktijk omdat ze niet langer in haar eentje de verantwoordelijkheid wilde nemen voor die lichamen waarover zoveel onbekend was. Daarna werkte ze een paar jaar als cultuurcritica voor The Observer voor ze in 2011 debuteerde met To the River, het verslag van een wandeling langs de rivier The Ouse waarin Virginia Woolf zichzelf in 1941 verdronk.

Laing staat bekend om haar volstrekt originele en veelgeprezen non-fictiewerken die een soort mengvorm zijn van memoir, cultuurkritiek, biografie, reisverslag en psychoanalyse.

Olivia Laing

Karakterpantser

Voor Ieder een lichaam liet Olivia Laing zich in eerste instantie inspireren door psychoanalyticus, denker en activist Wilhelm Reich (1897-1957), die zijn carrière begon als protegé van Sigmund Freud. Vlak na de Eerste Wereldoorlog ontstond bij Reich het idee dat zijn patiënten hun ervaringen in hun lichaam met zich meedroegen: emotionele pijn zorgde voor spierspanningen die een soort pantser vormden, het zogenoemde ‘karakterpantser’. Ook zag hij opmerkelijke verbanden tussen seksuele onderdrukking en politiek.

In 1933 schreef hij Die Massenpsychologie des Faschismus, waarin hij een analyse maakte van de manier waarop Hitler inspeelde op onbewuste seksuele angsten, zoals angst voor besmetting en bezoedeling, om antisemitische sentimenten te voeden. Reich zag dat het ‘fysieke ik’ voortdurend wordt bedreigd door factoren als zijn verleden, zijn gemoedstoestand, de cultuur en het politieke klimaat waarin hij leeft.

Laing vindt zijn ideeën over het lichaam en (politieke) vrijheid fascinerend en ziet zijn invloed op alle vrijheidsstrijders van de twintigste eeuw. In Ieder een lichaam zoekt ze naar dwarsverbanden tussen Reich en kunstenaars, filosofen en vrijheidsstrijders als Nina Simone, Susan Sontag, Andrea Dworkin en Malcolm X.

Ergens in de communicatie tussen uitgever, agent en mij was het idee ontstaan dat Laing problemen met haar stem had, waardoor het interview alleen via de mail kon plaatsvinden. In een mail bekende Laing echter dat ze geen Zoom-gesprekken meer kon verdragen en dat dit verhaal zijn eigen leven is gaan leiden. Op het moment dat dit misverstand uit de wereld was geholpen, waren we al in zo’n sprankelende correspondentie terechtgekomen, dat we besloten het interview op deze manier voort te zetten met het lichaam als inzet, culminerend in een virtuele omhelzing, ‘a covid safe hug (masks on!)’, aldus Laing.

Ik ben natuurlijk bekend met de stijve lichamen die angst, pijn en weerstand uitdrukken, maar ik kende de noemer ‘karakterpantser’ van Wilhelm Reich niet. Wat een prachtwoord! Als ik niet oplet, bijvoorbeeld als ik aan het werk ben, heb ik een verschrikkelijke houding, met opgetrokken schouders en een hoofd dat naar voren hangt, een beetje zoals bij een gier. Als we elkaar zouden ontmoeten, zou ik waarschijnlijk mijn houding aanpassen en schouders en rug rechten, maar o wee als ik te ontspannen ben. Stel dat we tegenover elkaar zouden zitten, hoe zouden we ons lichaam dan presenteren?

‘Gedurende de pandemie heb ik het ontzettend gemist om de lichamen van mensen, in het bijzonder van vreemden, om me heen te hebben. Gewoon in de metro of op straat, niet zelfbewust bij elkaar. Ik denk dat ik bij een ontmoeting zou proberen om geen ineengezakte houding aan te nemen. Ik heb een klassiek Reichiaans karakterpantser met heel stijve schouders. Mijn jeugd was behoorlijk traumatisch en dat heeft zijn weerslag gehad op de lichamelijke spanning; dat is ook wat mij in eerste instantie bij Reich bracht.’

En dan zitten we met onze vreemde Reichiaanse karakterpantsers tegenover elkaar. Waar zou ons gesprek dan plaatsvinden?

‘Laten we ons inbeelden dat je bij me langskomt in Suffolk. Houd je van koffie?’

Zeker! Hoe zou u de koffie serveren? Dit soort details zouden iets kunnen zeggen.

‘Kies maar,’ mailt Laing bij een vrolijke foto van een kabinet met kleurrijke koffiekopjes en schoteltjes in alle maten en soorten. Ik wil wel zo’n blauw kopje, mail ik terug, en u?

Laing stuurt een foto van een grote stevige blauw-geel-groene mok, boven op een stapel boeken op de salontafel. ‘We kunnen in de zitkamer onze koffie drinken.’

Hangt er veel kunst? Wat is uw favoriete werk?

‘Er hangt heel veel kunst in het huis. Ik zal je een van mijn favoriete kunstwerken laten zien: een portret van de kunstenaar David Wojnarowicz, gemaakt door Esme, de dochter van mijn vriendin Chantal Joffe (kunstenaar, DM). Ze maakte het jaren geleden voor mijn verjaardag.’

Laing is gek op het werk van Wojnarowicz. Hij maakte onder meer een serie portretten onder de titel Arthur Rimbaud in New York. Op elke foto is een man te zien die een masker van Arthur Rimbaud draagt. Wojnarowicz maakte de foto’s op straat, in de metro, in een afbraakpand: op plekken die voor hem betekenisvol zijn

‘Geweld kenmerkte zijn kinderjaren als een vuur dat verteert, uitholt en sporen nalaat’, schrijft u in uw boek De eenzame stad (2016) over Wojnarowicz. Herkent u iets in hem?

‘Wojnarowicz’ jeugd was fysiek gewelddadig, daar kwam ook verwaarlozing en seksueel misbruik bij kijken. Zijn jeugd was veel extremer dan de mijne, maar ik denk dat we zeker iets gemeenschappelijks hebben, waardoor ik me zo tot hem aangetrokken voel. Een van mijn favoriete werken is One Day This Kid, dat bestaat uit tekst (zinnen die allemaal beginnen met One Day This Kid, DM) rondom een afbeelding van hem als kind met grote hazentanden en grote oren. Het is een ontroerend beeld – het beschrijft het geweld dat hem omringt, omdat “hij ernaar verlangt om met zijn blote lijf op het blote lijf van een ander jongetje te gaan liggen”. Wojnarowicz’ woede over hoe de samenleving optreedt tegen bepaalde lichamen en bepaalde soorten verlangens is zeker een voedingsbron geweest bij het schrijven van Ieder een lichaam.’

Ieder een lichaam begint met de omschrijving van uw ervaring met Reichiaanse therapie: een combinatie van praten en massage. Die massages maakten iets los wat u omschrijft als ‘door mijn lichaam stromende energie, vanuit mijn onderbuik langs mijn benen omlaag, waar het als kietelende kwallendraden bleef hangen. Het was een prettig gevoel, niet per se seksueel, maar alsof er een hardnekkig obstakel was losgekomen. (…) Het was een van de redenen waarom ik terug bleef gaan: om dat nieuwe, lévende, trillende lichaam te ervaren.’ Reich vroeg zich af of dit ‘stromen’ ‘libido zelve’ was. Wat zijn uw gedachten hierover?

‘Ik denk dat we libido moeten uitleggen als levenskracht. Die kan seksueel zijn, maar het kan ook een positieve energie zijn die we in ons werk investeren, in het bijzonder in creatief werk, vriendschap en liefde. Je zou het ook zo kunnen uitleggen: libido is onze essentiële energie.’

‘Mijn ideale look is de Elizabethaanse prins! Vandaar mijn liefde voor ruches.’

Welke rol speelde uw lichaam bij het schrijven van Ieder een lichaam?

‘In zekere zin is het lichaam van de schrijver onvermijdelijk ondergeschikt, geforceerd in oncomfortabele posities. Ik schrijf zittend op de bank met mijn benen onder me gekruld, zo zit ik er soms urenlang bij. Tegelijkertijd denk ik met mijn lichaam en probeer ik mijn denken zo belichaamd mogelijk te maken. Daarmee bedoel ik dat ik wil laten zien hoe ideeën ontstaan uit lichamelijke levens en dat ze consequenties hebben voor bestaande lichamen.

Neem bijvoorbeeld Freud: in Ieder een lichaam wilde ik hem laten zien als een oude man; een lichaam in intense pijn (Freud leed jarenlang aan mondkanker, DM), omdat dat zo’n groot onderdeel is van het verhaal over zijn breuk met Reich, en zijn toenemende conservatisme. Ook riep het schrijven van dit boek intense reacties op in mijn eigen lichaam; van afgrijzen, claustrofobie en vreugde. Ik heb geprobeerd die zo helder mogelijk over te brengen, zodat ze ook voelbaar zijn voor de lezer.’

Ieder een lichaam leunt op de biografie van Wilhelm Reich en vele andere biografieën. In academische kringen wordt er in navolging van de Franse filosoof Roland Barthes voortdurend op gehamerd dat de auteur dood is, maar in uw boeken zijn juist de autobiografische verhalen onmisbaar, de basis van alles.

‘Ik kan me soms ook wel vinden in de gedachte dat de auteur dood is; je kunt een boek lezen en beoordelen op zijn eigen interne logica en voorwaarden. Maar dat doe ik niet. Ik gebruik kunst en literatuur om grotere thema’s te onderzoeken – denk aan belichaming, eenzaamheid, zelfdestructie – dus is het voor mij belangrijk om niet alleen te kijken wat het kunstwerk vertelt, maar ook onder welke omstandigheden het is ontstaan. Neem bijvoorbeeld De eenzame stad. Ik wilde graag begrijpen wat voor soort afzondering verschillende kunstenaars hadden ervaren om te begrijpen welke rol dat speelde bij het werk dat ze maakten. In The Trip to Echo Spring, dat over schrijvers en alcohol gaat, wilde ik de mythen en leugens die alcoholisten verspreiden begrijpen, dus was het belangrijk om in “echt” materiaal te grasduinen, zoals dagboeken, brieven en ook fictie, in een poging om dat glibberige gebied in kaart te brengen.’

In Ieder een lichaam wemelt het van de controversiële, moreel of psychisch uitgedaagde figuren tot wie u zich verhoudt op een heel open, niet veroordelende en soms ook meelevende manier. Naast Wilhelm Reich denk ik bijvoorbeeld aan Louise Hay, die er gevaarlijke ideeën op nahield over hoe om te gaan met ziekte, en Markies de Sade, die moreel onbegrensd leek. Hoe kwam u tot deze bonte verzameling?

‘Ik weet niet hoeveel compassie ik heb met Louise Hay. Maar met de overige figuren heb ik dat wel. Dit boek gaat over ontzettend complexe figuren die er bevrijdende ideeën op nahielden, maar ook beschadigd waren en in staat waren anderen te schaden. Ik heb gekozen voor karakters die echt onder mijn huid zijn gaan zitten: dappere mensen die hun stem lieten horen, diep hebben nagedacht en werk hebben gemaakt dat rijk en complex is. Ik ben niet geïnteresseerd in pasklare antwoorden of voorbeeldige levens. En ik heb natuurlijk gezocht naar mensen die op de een of andere manier een dwarsverband hadden met Reich, hoewel het vermoedelijk ingewikkelder is om iemand te vinden die betrokken was bij vrijheidsstrijd in de twintigste eeuw die níét bekend was met het werk van Reich.’

Reich wilde mensen seksueel bevrijden. Seksuele vrijheid heeft ook een keerzijde, zoals geweld, misbruik en verkrachting. De Sade is daar vaak van beschuldigd, en ook schuldig aan bevonden. Maar we kunnen ook van hem leren. U schrijft: ‘Absolute vrijheid lijkt meer op Auschwitz dan op Eden.’ Zouden we ons meer moeten openstellen voor de ideeën van mensen die morele grenzen overschrijden?

‘We leven op dit moment in een tijd van morele censuur. Daar maak ik me erg veel zorgen om. Ik denk niet dat het helpt of bijdraagt aan gerechtigheid. Veel van de karakters in dit boek zijn moeilijk of in overtreding; ze hebben dingen gedaan die moreel verwerpelijk zijn. Reich en Nina Simone werden bijvoorbeeld later in hun leven gewelddadig. Tegelijkertijd hebben ze werken voortgebracht die prachtig, waarachtig, krachtig en complex zijn. Ze hadden werkelijk bevrijdende ideeën. Volgens mij hebben we geen kunstenaars of activisten nodig die toonbeelden van voorbeeldig moreel gedrag zijn. Ik doe geen poging om slecht gedrag goed te praten, maar ik vind dat het niet aan mij is om te veroordelen. Ik probeer het verleden te begrijpen, niet te cancellen. Ik wil de complexe relaties tussen lichamen, geweld en vrijheid begrijpen en niet verkondigen wie wel of niet acceptabel is als mens.’

Olivia Laing

De radicale feministe en voormalig sekswerker Andrea Dworkin leverde in Pornography (1981) veel kritiek op De Sade. U verwijt haar gebrek aan verbeelding bij haar interpretatie van zijn werk; ze kan niet verder kijken dan zijn gewelddadigheid en misogynie. U schrijft: ‘Een puur imaginair domein bestaat (volgens Dworkin, DM) niet. Wat verbeeld wordt, heeft altijd impact op iemands lichaam, hetzij letterlijk, hetzij door het klimaat te scheppen dat het mogelijk maakt.’ Is dat niet het grootste probleem van het bezitten van een lichaam, dat de meeste mensen het verbeeldingsvermogen missen om verder dan het lichaam te kijken?

‘Het belangrijkste probleem van een lichamelijk bestaan is dat mensen eerder in lichaamscategorieën denken dan in individuen en daar een enorme hoeveelheid culturele informatie aan verbinden. Dat is een van de belangrijkste redenen waarom het lichamelijke bestaan zo pijnlijk is, in het bijzonder voor degenen die in de lichamelijke categorieën passen die beschreven worden als “anders”. Mensen worstelen met het idee dat de lichamen waarvan ze geleerd hebben dat deze minderwaardig zijn door échte mensen worden bewoond. Ik denk dat mensen ook enorme hoeveelheden woede, angst en haat projecteren op andere lichamen.’

Reich zegt dat het verleden niet alleen in onze gedachten blijft hangen, zoals Freud dacht.

Dworkin constateerde dat als een lichaam geweld wordt aangedaan, het door een ander als ‘inwisselbaar, een ding, vuilnis’ wordt behandeld. U schrijft: ‘Met andere woorden: het lichaam wordt zijn eigen gevangenis waaruit ontsnappen niet mogelijk is, zijn behoeften worden tegen hem gekeerd, het wordt gereduceerd tot een ondraaglijk, niet te negeren gevoel. Dat is de ware gruwel van geweld, dat de jij die jij bent nog altijd daarbinnen zit.’ U benadert het lichaam als ‘het huis van de ziel’. Stelt u zich die scheiding tussen lichaam en geest kunstmatig voor, om erover te kunnen schrijven? Of gelooft u echt dat lichaam en geest in oorsprong en uiteindelijk gescheiden zijn, of maakt een trauma, zoals een verkrachting, dat lichaam en geest zich scheiden?

‘Ik heb hier heel veel over nagedacht tijdens het schrijven van Ieder een lichaam, omdat ik het lichaam noodzakelijkerwijs isoleerde als concept van waaruit we een persoon of wezen kunnen aanspreken. Maar ja, we zíjn lichamen. Dat werd me ontzettend duidelijk toen ik medicijnen studeerde; op cellulair of moleculair niveau bestaat er geen mogelijkheid om het “zelf” te scheiden van het lichaam. Ik ben katholiek opgevoed en oude gewoonten zijn moeilijk af te leren: ik vind het moeilijk om het lichaam niet als huis van de ziel te beschouwen, een “notendop” om met Hamlet te spreken, waarin de rondzwervende ziel en onze verbeelding meer of minder graag huizen. Als je pijn lijdt, kun je je bijvoorbeeld gevangen voelen in je lichaam. Dat idee is zo verankerd in het Europese denken dat het bijna niet af te schudden is. Daarom is Reichs theorie zo radicaal. Hij zegt dat het verleden niet alleen in onze gedachten blijft hangen, zoals Freud dacht. In plaats daarvan huist trauma in het lichaam, het is opgeslagen in het lichaam, ís in feite het lichaam. Dat is zo’n radicale gedachte, en op elegante wijze omzeil je daarmee die zogenaamde scheiding tussen lichaam en geest.’

In De eenzame stad schrijft u dat u zich helemaal niet prettig voelt in het genderhokje waar u in bent gestopt, het is een soort gevangenis: ‘Ik had me nooit op mijn gemak gevoeld met de eisen van het vrouw-zijn, had me altijd meer jongen gevoeld, homojongen, had altijd al gevonden dat ik een genderpositie innam die ergens tussen de tweedeling van man en vrouw in lag, een onmogelijke tussensoort, een onmogelijk allebei.’ Hebt u iets veranderd aan uw lichaam of uiterlijke verschijning sinds deze ‘coming out’?

‘Ik ben een trans-persoon. Ik identificeer me als non-binair, en het grootse deel van mijn leven had ik een redelijk androgyn voorkomen, hoewel dat de afgelopen jaren misschien is toegenomen. Mijn ideale look is de Elizabethaanse prins! Vandaar mijn liefde voor ruches.’

Vormt uw voorkomen een obstakel voor u of hebt u het gevoel dat u voortdurend verkeerd wordt ingeschat door mensen?

‘Ik ben eigenlijk best ontspannen en blij met mijn voorkomen. Ik blijf bij mezelf. In een ideale wereld, als ik nu jong was geweest in deze meer trans-geletterde wereld, had ik een operatie aan de bovenkant van mijn lichaam ondergaan, maar los daarvan past mijn gevoel bij mijn voorkomen: een non-binair persoon die de middelbare leeftijd nadert.’

Ervaart u uw vrouwenlichaam ook als een gedaante waarmee u mensen om de tuin kunt leiden, alsof u een masker draagt?

‘Ik ben lange episodes van mijn leven ingeschat als vrouw en hoewel ik me er niet prettig bij voel, begrijp ik de culturele ervaring van een bestaan in dat hokje. En ja, dat verschaft me materiaal dat ik als schrijver kan gebruiken. Voordat ik als trans uit de kast kwam, stuitte ik altijd op veel weerstand omdat men vond dat ik te veel over mannen schreef. Door het schrijven over mannelijkheid – en in het bijzonder queer mannelijkheid – heb ik mezelf beter leren begrijpen. Het is een heel krachtige spiegel voor mij geweest.’

Zou ‘mannelijkheid’ opnieuw gedefinieerd moeten worden?

‘De belangrijkste verandering begint volgens mij bij het begrip dat mannelijkheid en vrouwelijkheid deel uitmaken van een spectrum en dat individuen elke gewenste positie in dat spectrum kunnen innemen, en hun positie op elk moment kunnen veranderen. Er ontstaan problemen als we blijven vasthouden aan biologische en culturele bepalingen, en als we kinderen rollen laten spelen van extreem uitgesproken mannelijkheid en vrouwelijkheid. Er bestaat zoveel angst rondom fluïditeit, maar persoonlijk denk ik dat dit onze natuurlijke staat is, waarom zouden mensen “gender” anders zo agressief bewaken?’

In het publieke discours wordt vaak gerefereerd naar lichamen in een activistische context; lichamen als de behuizing van politieke identiteiten − denk aan het zwarte lichaam, het vrouwenlichaam, het geschonden lichaam. Ook u benadert het lichaam als politieke entiteit. Wat gebeurt er als onze lichamen niet corresponderen met onze (politieke) gevoelens?

‘We torsen enorme lasten met ons mee. Onze individuele lichamen zeulen het gewicht van de geschiedenis en alle vooroordelen gebaseerd op het soort lichaam dat we bewonen. Voor sommige mensen vormt dat een actief gevaar. Het lichaam kan een bron van misbruik, vervolging of terreur zijn. Of het kan simpelweg een dagelijkse frustratie vormen, bijna onzichtbaar, behalve als een soort pijn.’

Als we lichaam en geest steeds zo nadrukkelijk scheiden in het politieke of maatschappelijke debat, is de uiterste consequentie dan niet dat mensen geen verantwoordelijkheid dragen voor het ‘huis van hun ziel’?

‘Dat zien we bijvoorbeeld op het internet, waar lichaam en geest in zekere zin gescheiden zijn. De consequentie is zowel wreed als bevrijdend. Onderdeel van de utopische mogelijkheden die internet ons in de begintijd bood, was een ruimte waar mensen contact konden leggen zonder de ingewikkelde bewijslast van hun lichaam, zonder die bagage van hun voorkomen en de betekenis die dat cultureel en politiek uitdrukt. Een ruimte voor probleemloze ontmoetingen. Maar het internet is grotesk geworden: een zone vol pakhuizen en echokamers, waar mensen samenkomen met gelijkgestemden en de andersdenkenden haten.’

‘Ik verkies het ketterse paradijs van de aarde, deze vergankelijke, materiële werkelijkheid.’

U stopte een paar jaar geleden met Twitter, omdat u ernstig verslaafd was geraakt aan de voortdurende interactie. Welke rol speelde de scheiding tussen lichaam en geest bij die verslaving?

‘Wat ik niet leuk vond aan Twitter waren de wreedheden, de pesterijen en de voortdurende schreeuw om aandacht van iedereen die de behoefte voelt zijn mening elke minuut van de dag te verkondigen. Ik ben geen voorstander van makkelijke provocaties op basis van een simplistische moraal. Ik ben meer van de rustige overpeinzing. Ik wil nadenken, uitweiden en onderzoeken. Dat is ook lichamelijk. Ik realiseerde me dat Twitter ertoe leidde dat ik me ging haasten en ik kon me eigenlijk geen door adrenaline aangevoerd, paniekerig tempo veroorloven. Ik ben een behoorlijk snel persoon, maar mijn lichaam en geest vroegen om meer rust.’

Ieder een lichaam eindigt met de zinnen: ‘Stel je heel even voor hoe het zou zijn om zonder angst te hoeven hebben een lichaam te bewonen. Stel je eens voor wat we dan konden bereiken. Wat voor wereld we dan konden opbouwen.’ Staat een lichaam zonder angst niet gelijk aan een dood lichaam? En wat is leven zonder angst, als er niets op het spel staat?

‘Een recensent zei dit ook, en ik was er behoorlijk door geschokt. Ik ben voortdurend angstig, maar ik geloof dat ik dacht dat andere mensen daar geen last van hadden. Toen ik dit opschreef, probeerde ik het me voor te stellen als een moment, een wild moment, alsof je op een grote golf surft, of danst. Ik wilde weten in welke cultuur we zouden leven als onze lichamen vrij zouden zijn in plaats van bang.

Freud zou het met je eens zijn dat een lichaam zonder angst een dood lichaam is. Hij dacht dat angst aangeboren was en dat we door middel van civilisatie onze grootste impulsen kon beteugelen. Maar Reich zag iets anders in ons: een verlichte republiek.

Op dit moment in de geschiedenis is het moeilijk om ons voor te stellen dat er betere tijden in het verschiet liggen, maar ik denk dat we een keuze hebben met onze lichamen, onze geesten, onze geest-in-lichamen om vrijheden voor elkaar te vergroten en te weigeren angst te zaaien. Er bestaat een verschil tussen gezonde angst bij het nemen van een risico en de toxische angst van de dreiging van geweld.’

Schrijver Jeanette Winterson is geobsedeerd door artificiële intelligentie en de gedachte dat we in de toekomst geen lichaam meer hoeven te bewonen. Wat vindt u van de gedachte dat de geest zijn eigen harnas of verpakking kan kiezen? En hoe zit het dan met de ziel?

‘Dat is niks voor mij. Ik verkies het ketterse paradijs van de aarde, deze vergankelijke, materiële werkelijkheid. Als ik klaar ben, ben ik stof en ik zou het niet anders willen. Sterfelijkheid geeft betekenis aan ons bestaan.’

Olivia Laing, Ieder een lichaam. Over verzet, verlangen en vrijheid, vertaald door Henny Corver, Atlas Contact, € 22,99