Een meisje, ongeveer een jaar of zeven, met staartjes verspreid over haar hoofd, wijst op een boterham. Appelstroop, alstublieft. Op de tafel voor haar liggen twee schalen met volkoren boterhammen, kaas, ham, smeerkaas – en appelstroop dus. Erachter drie vrouwen, drie vrijwilligers, die elke dag om kwart voor acht ‘s ochtends op basisschool OBS Holendrecht, Amsterdam-Zuidoost, samenkomen om de broodjes te smeren. Voor kinderen die niet ontbeten hebben. Dus ook vandaag, op een koude dinsdag in februari. Elke dag twee schalen vol, elke dag gaan ze op.
Stoepranden
De laatste jaren buitelen de adviezen en alarmerende berichten over de Nederlandse jeugd over elkaar. Sportkoepel NOC*NSF kwam in actie met een groep sportcoaches, want de ‘Nederlandse jeugd bewoog veel te weinig’. De Nederlandse Sportraad sloeg alarm en wil alle kinderen op alle scholen elke schooldag twee keer een half uur laten bewegen. Ze spelen veel minder buiten, wist de belangengroep Jantje Beton; de iPad wint het van het stoepranden.
Uit de waarschuwingen rijst een beeld op van een generatie kinderen die allengs dikker wordt, indolent starend naar een tablet, voor wie ravotten iets is wat hun ouders deden. Gevoelsmatig een groot verschil met vroeger, toen we met frisse wangen buiten speelden, speelgoed bestond uit zelf geknutselde torens van wc-rollen en één uur testbeeld per week óók leuke televisie was.
Meer dan helft van de kinderen voldoet gewoon aan de ‘beweegnorm’ zoals die is opgesteld door de Nederlandse Gezondheidsraad.
Maar alle alarmerende berichten missen een paar belangrijk punten. Vorig jaar bracht het Centraal Bureau voor de Statistiek voor het eerst onderzoek naar buiten naar hoeveel kinderen tussen de 4 en 12 jaar bewegen. En wat blijkt: meer dan helft voldoet gewoon aan de ‘beweegnorm’ zoals die is opgesteld door de Nederlandse Gezondheidsraad (drie keer per week sporten, één uur per dag bewegen).
In een periode dat mobieltjes alomtegenwoordig werden, zijn jongeren niet en masse op de bank blijven liggen.
Of dat goed of slecht nieuws is, is niet alleen afhankelijk van interpretatie (dat een flinke 45 procent van de kinderen niet genoeg beweegt, blijft natuurlijk óók waar), maar ook van context. Want of het een groeiend probleem is, weten we niet: eerdere data over kinderen in de basisschoolleeftijd zijn er niet. De cijfers die er wel zijn, zijn van kinderen vanaf 12 jaar, en die zijn sinds 2001 niet minder gaan bewegen. Let wel: dat betekent dat in een periode dat mobieltjes alomtegenwoordig werden, met in het kielzog Snapchat en Instagram, jongeren niet en masse op de bank bleven liggen.
Minder motorisch vaardig
Het klopt dat het aantal kinderen met overgewicht verdubbelde tussen 1980 en 1997. Maar sinds 1990 is het percentage gelijk gebleven, en bij hele jonge kinderen zelfs licht gedaald. Dat wil uiteraard niet zeggen dat er geen probleem is – kinderen zijn bijvoorbeeld minder motorisch vaardig geworden, waarschuwen meerdere onderzoeken.
Het aantal kinderen met een Nederlandse achtergrond dat kampt met overgewicht: 9 procent. Kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond: 23 procent.
Belangrijker: de verschillen tussen groepen kinderen is groot, en soms heel groot. Uit recente CBS-cijfers blijkt hoe groot. Het aantal kinderen met een Nederlandse achtergrond dat kampt met overgewicht: 9 procent. Kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond: 23 procent. Ook de gemeente Amsterdam heeft fraaie overzichten van treurige gezondheidsongelijkheid. Het aantal middelbare scholieren in stadsdeel Centrum dat minder dan drie uur per week beweegt, is bijvoorbeeld slechts zeven procent. In Zuidoost is dat 24. Meisjes uit de Bijlmer bewegen het minst: liefst 44 procent beweegt per week minder dan drie uur.
Er is lang niet alleen verschil op grond van etnische achtergrond – en ook niet alleen op grond van inkomen. De kloof loopt langs opleidingsniveau: kinderen van hoogopgeleide ouders zijn vaker gezond, bewegen sneller voldoende en hebben minder snel overgewicht dan even oude kinderen uit een lager opgeleid milieu. ‘Gezondheidsproblemen worden vaak van generatie op generatie doorgegeven,’ aldus Jo Lucassen, senior onderzoeker aan het Mulier Instituut voor sportonderzoek. ‘Het zijn vaak gezinnen die het in meerdere opzichten moeilijk hebben: minder geld, minder opleiding, minder opgegroeid met een gezond eet- en leefpatroon. Het is ontzettend moeilijk zo’n aangeleerd patroon te doorbreken.’
Specifiekere soorten maatregelen
Uit onderzoek van de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) blijkt dat maar liefst 35 jaar aan maatregelen, initiatieven en campagnes voor een betere volksgezondheid die verschillen niet alleen niet minder hebben gemaakt, maar in sommige gevallen juist groter. ‘Ook onder kinderen neemt die kloof toe,’ stelt WRR-lid Marianne de Visser.
Bij een one-size-fits-all-beleid profiteren voornamelijk de groepen die het toch al goed doen
Het onderzoek wijst op het feit dat bij een one-size-fits-all-beleid voornamelijk de groepen profiteren die het toch al goed doen. De Visser: ‘Hogeropgeleiden zijn toch al meer bezig met hun gezondheid, maar ze hebben ook meer mogelijkheden om wat te doen aan bijvoorbeeld hun overgewicht.’
Epidemie
Algemene oproepen van adviesraden en experts, zoals NOC*NSF en de Nederlandse Sportraad, dat álle kinderen meer moeten gaan bewegen, hebben dus voornamelijk effect bij de groepen die het het minst nodig hebben. De Visser: ‘Je hebt veel specifiekere soorten maatregelen nodig om echt winst te boeken.’
Die specifieke maatregelen zijn er landelijk niet. Gemeenten vinden vaak ieder voor zich het wiel uit – de één doet dat met meer succes dan de ander. Eén van de potentiële succesverhalen is de gemeente Amsterdam, dat met haar beleid internationale aandacht trok. Reden: onder het bewind van (inmiddels ex-) wethouder Eric van der Burg (VVD) nam het percentage kinderen met overgewicht af, van 21 procent in 2012 tot 18,5 procent in 2015. De Volkskrant zette vraagtekens bij die daling – misschien kwam die wel doordat armere gezinnen de stad uit waren gevlucht door de hoge huizenprijzen – maar niettemin zijn de cijfers veelbelovend.
‘Het was Eric van der Burg die zei: als we in de stad 27.000 kinderen hebben die aan mazelen lijden, zouden we dat een epidemie noemen,’ stelt Karen den Hertog, programmamanager van de Aanpak Gezond Gewicht bij de GGD Amsterdam. ‘Maar omdat het om overgewicht ging, vonden we het er een beetje bijhoren. En de wetenschap mocht dan al wel decennia weten van de gezondheidsverschillen tussen groepen, maar heel veel mensen, politici en beleidsmakers wisten gewoon niet wat ze daaraan moesten doen. Sommigen weten dat nog steeds niet, trouwens.’
Een signaal
De Amsterdamse aanpak kenmerkt zich door zich, heel grof gezegd, met zo’n beetje álles te bemoeien – met name bij zogenoemde risicogroepen (wat ze noemen: ‘lager SES – lager sociaaleconomische status). Vanuit het idee dat bijvoorbeeld overgewicht bij kinderen nooit op zichzelf staat, maar een signaal is van een riedel andere problemen. Van begeleiding bij de zwangerschap tot opvoeden, van het inventariseren van de hoeveelheid slaap tot voedingsadvies. Amsterdam trekt jaarlijks miljoenen uit om het beleid te ondersteunen. En ook hier signaleren ze een groeiende tweedeling: Den Hertog: ‘We hebben de indruk dat die scheidslijn tussen hoog en laag scherper wordt. Mede omdat middeninkomens uit de stad vertrekken wordt de tegenstelling zichtbaarder. We hebben buurten waar 1 op de 10 kinderen overgewicht heeft. Een paar buurten verderop is dat 1 op de 4.’
De enige plek waar alle jonge kinderen samenkomen, ongeacht afkomst of opleiding van de ouders, is de basisschool. En dus investeert de gemeente Amsterdam in die basisscholen die het nodig hebben – zoals OBS Holendrecht, gelegen in een buurt met vrijwel alleen maar sociale huurwoningen, veel werkloosheid en een gemiddeld inkomen van minder dan 24.000 euro.
‘Laatst kwam een jongetje te laat op school, de kruimels van een donut nog rond zijn mond. Gestolen, bij de Vomar. Wiens verantwoordelijkheid is dat dan, op dat moment?’
‘Kinderen uit groep acht klaagden vaak over misselijkheid en hoofdpijn,’ vertelt directeur Klaas de Roij. ‘Als we het vroegen, bleek dat ze nog niks hadden ontbeten.’ Maatregelen volgden, voor ontbijten en tegen ongezonde traktaties, suikerdrankjes, croissants en worstenbroodjes. En soms volgt een gesprek met de ouders, als een ongezond broodtrommeltje gepaard gaat met vaak te laat komen (wat weer een signaal kan zijn dat een kind alles zelf moet doen in de ochtend). Het betekent óók dat een school veel verder achter de voordeur komt dan voorheen, met alle lastige keuzes van dien. ‘Laatst kwam een jongetje te laat op school, de kruimels van een donut nog rond zijn mond. Gestolen, bij de Vomar. Wiens verantwoordelijkheid is dat dan, op dat moment? Die van de school? Of die van de Vomar?’
Kindermarketing
Het WRR-rapport fileert fijntjes falend overheidsbeleid op gezondheidsverschillen, niet in laatste plaats dankzij een eenzijdige focus op ‘eigen verantwoordelijkheid’. ‘Het is (…) de vraag of de verwachtingen van de overheid hier wel altijd even realistisch zijn,’ aldus de onderzoekers. ‘Steeds vaker wordt erop gewezen dat het vermogen van mensen om ‘gezonde’ keuzes te kunnen maken en zich tevens hieraan te houden, nogal eens wordt overschat.’
‘Kinderen hébben helemaal geen vrije keuze. Er gaat zoveel geld in die marketing om.’
Niet voor niets gaat een flinke deel van de aandacht van het Amsterdamse programma naar het tegengaan van kindermarketing: bij metrostations is kinderreclame al verboden, bij evenementen waar kinderen komen én de gemeente deels betaalt, ook. Den Hertog: ‘Kinderen hébben helemaal geen vrije keuze. Er gaat zoveel geld in die marketing om.’
Het vorig jaar gesloten Preventieakkoord van staatssecretaris Blokhuis is na acht jaar Edith Schippers – die zacht gezegd niet zo gek was op preventie – weliswaar een verbetering, maar alle geïnterviewden zijn het erover eens: nog altijd zijn gezondheidsverschillen onderbelicht – met alle potentiële gevolgen van dien. Marianne de Visser: ‘Het is teleurstellend dat toch wordt doorgegaan op de bekende weg, terwijl wij net hebben aangetoond dat dat niet zo zinvol is. Wij vinden dat de nationale overheid te weinig echt specifieke aandacht heeft voor de meest kwetsbare groep. Neem specifieke maatregelen, zorg dat de zorgverzekeraars aan tafel gaan zitten en concrete afspraken maken, voer strijd tegen frisdranken, houd op met de zelfregulering. Wees eens dapper.’



Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.