In juni 2013 ontving de jonge VVD-premier Mark Rutte in bijzijn van de Duitse bondskanselier Angela Merkel de prestigieuze Ludwig-Erhard-herdenkingsmunt, vanwege zijn ‘standvastige pro-Europese koers’ en het bedwingen van het rechts-populisme. In progressieve kring wekte de keuze voor juist deze laureaat enige bevreemding, want was Mark Rutte niet de man die de PVV salonfähig had gemaakt door een coalitie met gedoogsteun van Geert Wilders te sluiten? Dat diezelfde coalitie een jaar eerder voortijdig ten val was gekomen, deed daar weinig aan af.

Deze week op uitslagenavond kwamen er ook felicitaties uit Duitsland, maar dan voor Geert Wilders vanwege zijn monsteroverwinning op de VVD, van niemand anders dan Alice Weidel, leider van de rechts-radicale AfD, die door de Duitse veiligheidsdiensten nauwlettend in de gaten wordt gehouden.

De PVV werd veruit de grootste met 37 zetels, de VVD verloor er 10: de eerste daverende nederlaag van de liberalen sinds Mark Rutte in 2010 voor het eerst premier werd.

De grote vraag is niet alleen: hoe is de enorme winst van de PVV te verklaren, maar ook: waar ging het mis met de VVD?

Voor opiniepeiler Maurice de Hond kwam de overwinning van Geert Wilders bepaald niet als een verrassing. Toen ik hem de dag voor de verkiezingen sprak, liet hij een grafiekje zien met de stijgende lijn die de PVV al sinds deze zomer in de peilingen vertoont: een gegeven dat volgens De Hond door de hele parlementaire pers over het hoofd werd gezien. De trend is duidelijk, zei hij. De vraag is niet óf de PVV de grootste wordt, maar alleen: met hoeveel zetels.

Het taboe eraf

De opmars van de PVV in de peilingen begon op exact het moment dat Ruben Brekelmans, prominent lid van de VVD-fractie, in juli in EW Magazine verklaarde dat de VVD niet langer de PVV als coalitiepartner uitsloot, zoals Mark Rutte consequent had gedaan sinds de val zijn eerste kabinet: ‘Het kan nodig zijn met Geert Wilders tot oplossingen te komen’. Zo was voor veel kiezers op de rechterflank het taboe eraf: opeens had het toch zin op Wilders te gaan stemmen.

Na het zomerreces was het de PVV-leider zelf die opvallend mild voor de dag kwam, en verklaarde dat hij uiteraard tot compromissen bereid was als het op regeren aan zou komen. Vervolgens was het Dilan Yesilgöz die de zorgvuldig geprepareerde boodschap van Brekelmans verschillende keren herhaalde, onder het motto: wij sluiten geen kiezers uit, in de hoop dat de kans op een rechtse coalitie de kiezers over de streep zou trekken.

Pas toen de PVV een week voor de verkiezingen over de vluchtstrook voorbij dreigde te komen, heette het bij monde van Yesilgöz opeens dat de VVD niet in een coalitie onder premier Wilders zou stappen, maar toen was het al te laat.

Het heeft er alle schijn van dat de VVD, tot voor kort nog een geoliede campagnemachine waar iedere boodschap uitvoerig wordt getest met focusgroepen en waar niets aan het toeval wordt overgelaten – zoals treffend beschreven door oud-Kamerlid Ybeltje Berckmoes in haar boekje Voorlichting loopt met u mee tot het ravijn – deze keer in zijn eigen zwaard is gevallen.

Maar het was niet alleen de strategische misrekening van de VVD die de poort voor de PVV openzette. Wie de monsterzege van de PVV ziet als niets meer dan de zoveelste oprisping van racistisch populisme nu de VVD de deksel van de put heeft gehaald, doet de werkelijkheid weinig recht.

verdwenen busverbinding

Toen ik kort na de grote overwinning van de Lijst Pim Fortuyn in 2002 voor Vrij Nederland op pad ging in Noordoost-Groningen om in kaart te brengen waarom de LFP juist in het traditioneel rode Oldambt zoveel kiezers had getrokken, kwamen de dorpsbewoners die ik sprak in Finsterwolde en Nieuw-Beerta met verhalen die niets met racisme te maken hadden. Ze begonnen stuk voor stuk over de verschralende voorzieningen: over de verdwenen busverbinding, de dreigende sluiting van het buurthuis, de dorpsschool en het zwembad, over de wethouder die hen niet meer kende omdat het gemeentehuis zich vanwege de gemeentelijke schaalvergroting drie dorpen verderop bevond.

Precies zulke verhalen waren te horen toen BBB vorig jaar een grote overwinning boekte bij de Provinciale Statenverkiezingen. Wat in eerste instantie een revolte leek van boze boeren tegen het stikstofbeleid, bleek al snel – althans: voor wie het wilde zien – een breed en al jaren sluimerend protest van Nederlanders buiten de Randstad, en uiteindelijk ook in de grote steden, die zich niet gehoord en gezien voelden en wisten.

Geen wonder dat het bij deze verkiezingen tot de zoveelste uitbarsting van ongenoegen gekomen is.

Sinds de opkomst van Pim Fortuyn, die daar als eerste een stem aan gaf, hebben achtereenvolgende kabinetten op vele manieren bijgedragen aan het voortwoekeren van dat begrijpelijke sentiment. De schaalvergroting en privatisering van overheidsdiensten, de arbeidsmigratie uit andere Europese landen en de verschraling van de ouderenzorg en de jeugdzorg werden verkocht als onontkoombare processen, de burger werd in toenemende mate met wantrouwen tegemoet getreden – met de toeslagenaffaire als mensonterend gevolg – en de zorgen van de burger over al die ontwrichtende ontwikkelingen werden als populistische oprispingen veroordeeld.

Geen wonder dus dat het bij deze verkiezingen tot de zoveelste uitbarsting van ongenoegen gekomen is. De grote vraag is nu of Geert Wilders, die er opnieuw in is geslaagd als boegbeeld van het ongenoegen op het schild gehesen te worden, in staat zal zijn de diepere oorzaken van de maatschappelijke onvrede te bestrijden.

Als de PVV-leider straks in het Torentje huist, is het in ieder geval niet meer genoeg om de asielzoekers en de islam de schuld van alle onheil in de schoenen te schuiven.