Mirjam Grandia, assistent professor Internationale Veiligheid aan de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) en Afghanistan-veteraan

‘In een internationale crisissituatie leeft bij politici soms het idee dat niets doen geen optie is, dat er “iets” moet gebeuren. Zonder altijd goed te bedenken waar dat “iets” uit bestaat en hoe dat er in de praktijk dan uitziet. De krijgsmacht wordt wel eens gezien en gebruikt als een Zwitsers zakmes: een multitool wat alles kan, maar dat is het natuurlijk niet. Mensen moeten kunnen accepteren dat een militaire interventie niet duurzaam is als er geen politieke oplossing komt voor het conflict.

Het antwoord op de vraag of je moet interveniëren, en zo ja, voor hoe lang, hangt echt af van wat je doel is als land. Is het puur en alleen om een tegenstander een militaire genadeklap toe te brengen, of wil je ook iets doen aan wederopbouw? Dat zijn twee totaal verschillende taken waar ook verschillende middelen voor nodig zijn. Bij wederopbouw zul je toch eerder het accent op NGO’s moeten leggen in plaats van op de krijgsmacht. Tijdens de interventie in Afghanistan zag je dat deze zaken vanuit de politiek door elkaar heen gingen lopen. Het is daarom ook frustrerend om politici soms te horen beweren dat ze “erin gekletst” zijn. Een interventie is een politiek product, en in de politiek wordt altijd een belangenafweging gemaakt.

Die belangenafweging kan om het goedhouden van een internationale coalitie gaan, of om burden sharing. Dat is natuurlijk prima, maar achteraf kun je dan niet doen alsof je een militaire missie ingerommeld bent. De Kamer heeft een controlerende taak en het debat omtrent de inzet van de krijgsmacht zou moeten gaan om het doel dat we met een militaire missie willen bereiken. Als het debat in de Kamer gaat over hoe de missie eruit moet gaan zien en als nationale en partijpolitieke belangen de boventoon gaan voeren, dan zegt dat wat over de manier waarop de Kamer invulling geeft aan haar controlerende taak. Te vaak wordt er naar de militairen gewezen als zaken niet goed gaan − Chora, Hawija, et cetera − maar waar blijft de politieke verantwoording voor het feit dat we daar überhaupt zitten?’

bastiaan van apeldoorn, professor geopolitiek aan de vrije universiteit en sp-senator

‘Of we niet beter thuis kunnen blijven? (Lacht) Dat lijkt me wel duidelijk. Afghanistan is een evidente case waarom we het niet moeten doen. In zijn algemeenheid ben ik persoonlijk geen pacifist en dus niet per se categorisch tegen elke vorm van militair ingrijpen. Wel moet het een stevig volkenrechtelijk mandaat hebben want als je de internationale rechtsorde gaat ondergraven ben je verder van huis.

De voorbeelden uit de geschiedenis van wanneer militair ingrijpen echt een effectief middel is geweest, zijn erg gering. In Afghanistan zijn we na twintig jaar weer terug bij af. Na de val van Kabul in 2001 waren de Taliban bereid zich over te geven en samen te werken met een nieuwe bewind, maar dat hebben de Amerikanen gevetood. Door oorlog te voeren in plaats van te werken aan een politieke oplossing kreeg Amerika de vijand waar ze naar op zoek waren. Die houding staat toch wel symbool voor de hele oorlog tegen terreur. Het antwoord van contraterreur heeft terrorisme niet verslagen maar alleen versterkt. Dat zagen we ook in Irak: Al Qaida is misschien verslagen, maar we kregen er een ergere versie in de vorm van IS voor terug.

‘In zekere zin heeft president Biden gelijk: als je het na twintig jaar niet voor elkaar krijgt in Afghanistan, wat zal vijf jaar extra dan nog uitmaken?’

Het idee dat het land nu is overgenomen omdat de VS heeft opgegeven klopt overigens ook niet helemaal. De Taliban waren al aan de winnende hand en ook al sterk groeiende toen Amerika er nog tienduizenden troepen had. In die zin heeft de Amerikaanse president Biden wel gelijk: als je het na twintig jaar niet voor elkaar krijgt, wat zal die vijf jaar extra uitmaken?

Ik kan mij goed herinneren hoe ik vier jaar geleden als Eerste Kamerlid in het parlementaire NAVO-assemblee zat. Dat is een praatclub met Atlantici en na de speech van secretaris-generaal Stoltenberg over Afghanistan was mijn constatering: deze oorlog heeft al 1,5 triljoen dollar gekost, we zitten er al zestien jaar, en dan schrijft de NAVO zinnen als “hebben vooruitgang geboekt maar nog niet voldoende” en “blijven committeren aan stabiliteit en vrede”.

Mijn vraag was: in al die zestien jaar is het verhaal niet veranderd, behalve in termen van kosten in mensenlevens en geld. Wanneer heb je de targets behaald? Wat is je einddoel? Wat is de exitstrategie? Er kwam geen antwoord op die vraag. Wel diepgevoelde ontsteltenis vanuit de andere sprekers, zo van “hoe durf je”. Wat ik vroeg kon echt niet want − zo liet een Amerikaans congreslid in reactie op mijn vraag verontwaardigd weten − de Verenigde Staten waren aangevallen door die mensen, we “moesten iets want 9/11”. Dat is de houding van de NAVO en bondgenoten al die jaren geweest. En dat twintig jaar lang.’

Lees ookHoe breng je je idealen in praktijk?12 augustus 2021
luitenant-generaal b.d. mart de kruif, voormalig commandant van de navo-troepen in afghanistan

‘In de loop der jaren ben ik mij na al die missies steeds meer gaan afvragen wat precies de effectiviteit is van het militaire middel. Er moet bij een interventie goed gekeken worden naar de aard van het conflict en de karaktereigenschappen van het militaire optreden. Is dat wel geschikt in die fase van het conflict?

Neem bijvoorbeeld voormalig Joegoslavië. Daar hebben de Verenigde Staten op een gegeven moment de duidelijke keuze gemaakt om de Verenigde Naties uit het veld te halen en gericht te bombarderen om druk uit te oefenen. De strijdende partijen op de grond hebben toen eieren voor hun geld gekozen. Je kunt hier dus zeggen: militair optreden heeft wel degelijk zin gehad. Het grote verschil is dat er wel een plan aan vast zat: voormalig Joegoslavië wilde uiteindelijk bij Europa en de NAVO horen, en die integratie is ze ook in het vooruitzicht gesteld. Dan biedt je ook een bredere toekomst.

Militairen doen wat de politiek hen opdraagt, dus verantwoording voor missies ligt in het parlement. Los daarvan zien wij veteranen ook de beelden van de situatie uit Afghanistan en dan dringt de vraag zich op: heeft het wel zin gehad? Voor mij heeft zingeving twee dimensies: ben je succesvol met de missie geweest en heb je gedaan waar je voor staat?

Het is wel duidelijk dat het in Afghanistan niet is geslaagd, daar moet je helder over zijn. Maar zingeving is meer dan alleen succes hebben. Want de kern van militaire operaties is dat je dingen uitvoert waarbij succes geen garantie is, je doet ze omdat je ervoor staat. Dat is geen universeel begrip. Ik zou als mens nooit kunnen dienen in een Russisch leger. Dus los van het avontuur en met mensen werken zit er bij militairen echt wel een overtuiging van het goede doen in. Dan weet je dat je offers moet brengen, dat je niet altijd zult slagen, maar je hebt het wel gedaan. Daar haal ik zingeving uit.’

bernard bot, voormalig diplomaat en cda-minister van buitenlandse zaken (2003-2007)

‘Of militaire interventie altijd zin heeft is een boeiende vraag waar ik vaak over heb nagedacht. Op basis van mijn ervaringen heb ik de algemene observatie dat mensen in een land liever onder een eigen potentaat leven dan onder vreemde overheersers. Zelfs als die laatsten er zijn met de beste bedoelingen. We zijn wijs geworden door onze ervaringen in Indonesië, Vietnam en Afghanistan − daar zitten allemaal lessen. Je moet echt goed nadenken wanneer je in een land met vreemde troepen orde tracht te scheppen.

‘Ik ben het er niet mee eens dat de interventie in Afghanistan voor niets is geweest. Het is een optelsom van allemaal kleine dingen die toch een geheel vormen.’

Voor wat betreft Afghanistan waren er duidelijke redenen het destijds wel te doen: het dreigde een bolwerk te worden van terreurorganisaties. Daarnaast lag er ook een duidelijk verzoek van de Afghaanse regering zelf. De vraag was ook om mee te helpen aan de ontwikkeling en vooral wederopbouw van het land. Net zoals dat ook in Irak het geval was. Dat militairen ter plekke een helpende hand in bieden en dus wederopbouwtaken uitvoeren, is niet zo gek. Je kunt niet van militairen verwachten dat wanneer een NGO een waterput slaat, ze daar met de handen in de zakken naast blijven staan terwijl ze een truck of een graafmachine hebben staan. Zo werkt dat in de praktijk niet. Mensen benaderen het op afstand vaak heel erg theoretisch, waarin taken een vastomlijnde kader hebben.

Overigens ben ik het er niet mee eens dat alles voor niets is geweest. De wegen en dijken die zijn aangelegd, die zijn daar nog steeds. De klinieken blijven er hopelijk ook nog een hele tijd. Het is een optelsom van allemaal kleine dingen bij elkaar die toch een geheel vormen. De Afghanen hebben zo toch meegekregen wat er nog meer mogelijk is. De vraag is natuurlijk in hoeverre de Taliban daarin mee zullen gaan. We moeten afwachten wat er beklijft, pas dan is het tijd om een oordeel te vellen over het nut.’

henk kamp, voormalig vvd-minister van defensie (2002-2007)

‘Als Nederlandse gemeenschap stellen we nooit de vraag of de politie bij misstanden moet kunnen ingrijpen. Als de internationale gemeenschap van mening is dat een misstand ergens in de wereld niet geaccepteerd kan worden, dan moet evengoed de bereidheid tot ingrijpen bestaan. Voor de besluitvorming daarover hebben we in de eerste plaats de Verenigde Naties en de Veiligheidsraad. Afghanistan is een voorbeeld. De terroristen van Al Qaida die de drieduizend doden op 9/11 op hun geweten hadden, werden door het Taliban-regime in Afghanistan gefaciliteerd. Een internationale coalitie onder leiding van de VS greep terecht in. Daarmee ontstond ook de verantwoordelijkheid voor de internationale gemeenschap om de Afghanen de kans te bieden hun land opnieuw op te bouwen, zonder extremisme en zonder grootschalige schending van de mensenrechten.

Opbouw begint met veiligheid en stabiliteit en daarvoor hebben militairen uit Nederland en vijftig andere landen zich ingezet op een wijze die bewondering en dankbaarheid verdient. Door militairen en met bescherming van militairen is toen vanaf het begin gewerkt aan opbouw. Opbouw van een legitiem overheidsbestuur, van politie en justitie, van een krijgsmacht, van wegen, woningen, scholen en ga zo maar door. Een begin van stabiliteit en veiligheid in een land als Afghanistan krijg je niet met welzijnsmedewerkers, daar heb je militairen voor nodig.

In Nederland wordt de keuze om wel of niet militairen in internationaal verband uit te zenden naar een crisisgebied in de wereld niet zomaar genomen. De ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie komen in overleg met de minister-president met een voorstel naar de ministerraad. Als die tot uitzending besluit, is het laatste woord aan de Tweede Kamer. Geen uitzending zonder instemming van de volksvertegenwoordiging. Een getrapte, zorgvuldige en democratische besluitvorming dus. Ik ben niet van mening dat die besluitvorming bemoeilijkt wordt door partijbelangen of coalitiepolitiek, zoals wel wordt beweerd. Eenieder doet vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid zijn best om het goede te doen en op een geordende wijze komt een meerderheidsbesluit tot stand.

Het onderscheidt tussen vechtmissie of opbouwmissie is een valse. Ze zijn voorwaardelijk: je moet eerst stabiliteit en veiligheid brengen en bereid zijn te vechten als dat nodig is. Alleen zo wordt opbouw mogelijk.’

laila al-zwaini, arabiste, jurist en voormalig hoofd van de rechtstaat-unit van de vn-missie in afghanistan (2007-2009)
‘De waarheid ligt ergens in het midden. Militaire interventies hebben nooit zin als ze niet onder een politieke of civiele missie vallen, je hebt een ondersteunende militaire tak nodig.

In de praktijk moet er wel een goede afstemming zijn tussen militaire en civiele zaken. Militairen moeten militaire dingen doen, en zich dus niet gaan bezighouden met civiele aangelegenheden zoals het opbouwen van de rechtsstaat. Je geeft ook een heel verkeerd signaal als je tijdens een civiele missie bewapend rondloopt in uniform, dat is ook heel concreet wat er mis is gegaan in bijvoorbeeld Irak. Bij de VN in Afghanistan merkte ik bijvoorbeeld dat militairen het allemaal veel te langzaam vonden gaan. Die zijn van het doen, doen, doen. Terwijl wij bezig waren met afstemmen met onze Afghaanse partners en terugkoppelen naar de VN in New York werden de militairen ongeduldig. Dus daar moet je echt goed over nadenken.

‘De bescherming, de belangen en de behoeftes van de burgers daar − het land waar je intervenieert − moeten vooropstaan. Zij veilig, wij veilig.’

Het meest schrijnende van de interventies in de afgelopen twintig jaar vind ik dat wij teveel tegen onze eigen morele waarden en zelfs internationaal recht zijn ingegaan. Kijk bijvoorbeeld naar de geheime gevangenissen, die zaten in Afghanistan gewoon op een legerbasis, en dat werden ook kraamkamers voor terreur. Amerikanen hanteerden ook een quotum voor het aantal Talibanstrijders dat ze moesten oppakken om te laten zien dat de War on Terror goed verliep.

Onschuldige mensen zijn gewoon opgepakt in koffiehuizen. Een zo’n man zou een tank in zijn achtertuin hebben verborgen, terwijl de afmetingen van zijn veel te krappe tuin hem al vrij pleitten. Die heeft dus wel vijftien jaar vastgezeten. Er wordt amper rekenschap afgelegd voor dit soort zaken. Ook in Nederland niet. Kijk maar hoe wij omgingen met de burgerslachtoffers die zijn gevallen in Hawija (Irak) door Nederlandse bombardementen. We nemen iedereen elders continu de maat, maar in de spiegel kijken is lastig.

De laatste jaren hamer ik erop dat de bescherming, de belangen en de behoeftes van de burgers daar − het land waar je intervenieert − voorop moeten staan. Zij veilig, wij veilig.’