Als politici beloven dat ze ergens ‘naar gaan kijken’, zouden meteen de alarmbellen af moeten gaan: bezweringsformule, mist, rookgordijn. Zo ging het van de week weer in een algemeen overleg in de Tweede Kamer over het zwaar bekritiseerde leenstelsel, dat in 2015 in plaats kwam van de basisbeurs.

Aanleiding van het debat: het plan van minister van Onderwijs Ingrid van Engelshoven (D66) om de rente op de studieleningen te verhogen, en de aanhoudende berichten dat er bedroevend weinig terecht komt van de ‘voorinvesteringen’ van zeshonderd miljoen die hogescholen en universiteiten zouden doen in de kwaliteit van het hoger onderwijs. Het antwoord van de minister, die zich aarzelend en hakkelend door het overleg probeerde te slepen: ‘Er wordt naar gekeken.’

Middelpunt van het debat was Zihni Özdil van GroenLinks, die zich afgelopen weekeinde in Trouw tegen het leenstelsel keerde. Pikant, want het was zijn eigen partijleider Jesse Klaver die het vorige kabinet van VVD en PvdA in 2015 samen met D66 aan een meerderheid hielp om de toen al zwaar omstreden stelselwijziging in te voeren. Het kwam Özdil tijdens het debat te staan op bittere verwijten van D66 en VVD: hij zou zich schuldig maken aan bangmakerij, onbetrouwbaarheid en electorale spelletjes. Maar zelf liep de parlementariër die dag als een bevrijd man rond over het Binnenhof: na jaren van groeiende frustratie was het hoge woord er eindelijk uit.

Rancunepolitiek

In 2015 was het al een raadsel waarom juist progressieve partijen als de PvdA, D66 en GroenLinks het een goed idee vonden studenten met grote leningen op te zadelen. Het argument voor de afschaffing van de basisbeurs – dat het onrechtvaardig zou zijn dat ‘de slager op de hoek moet meebetalen aan de studie van de advocaat’, zoals Wouter Bos het al in 2006 uitdrukte, kwam mij toen al voor als een staaltje modieus rendementsdenken en, erger nog, als rancunepolitiek: alsof hoger onderwijs een ‘product’ is waarvan alleen de student profiteert, en een luxe waar de gewone man niks aan heeft.

Na de afschaffing van de basisbeurs kelderde het aantal bijstandskinderen dat naar het hbo ging met bijna 10 procent.

Toen al kon je op je vingers uittellen dat er weinig terecht zou komen van de beloofde ‘kwaliteitsinvesteringen’, dat de toegezegde miljoenen zouden verdampen, dat een hele generatie studenten gebukt zou gaan onder hoge schulden en dat het leenstelsel een forse drempel zou vormen voor kinderen uit minder welgestelde milieus om überhaupt te gaan studeren. En zo ging het dus ook, zoals afgelopen jaar onder andere bleek uit een onderzoek van het CBS en de Universiteit van Amsterdam: na de afschaffing van de basisbeurs kelderde het aantal bijstandskinderen dat naar het hbo ging met bijna 10 procent.

‘Heel sociale’ leningen

Achtereenvolgende ministers – eerst Jet Bussemaker van de PvdA en nu Ingrid van Engelshoven van D66 – probeerden de aanzwellende kritiek te bezweren: het zou gaan om ‘tijdelijke effecten’, de leningen zouden juist ‘heel sociaal’ zijn door de lange looptijd en de lage rente, en het uitblijven van de voorinvesteringen was niet de schuld van de overheid maar van de universiteiten en hogescholen zelf, maar, en daar kwam ‘ie weer: ‘Er wordt naar gekeken.’

Des te belangrijk dus dat er in zulke gevallen Kamerleden opstaan die de politieke consensus durven te doorbreken, zoals Zihni Özdil die het waagde zijn eigen partijleider te trotseren – waarna Jesse Klaver zo verstandig was zich óók tegen het leenstelsel uit te spreken, onder het motto: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.

Steeds minder tegendraadsheid

In de Haagse arena is het de afgelopen decennia steeds ongebruikelijker geworden dat Kamerleden zich durven te onttrekken aan de fractiediscipline en de moed opbrengen in de openbaarheid af te wijken van de partijlijn. Het is een logisch gevolg van de politieke versplintering: in een land dat door wankele coalities met minimale meerderheden wordt bestuurd, worden dissidente geluiden al snel als bedreiging gezien.

Het devies is: allen achter de leider, want debat wordt al snel gezien als verdeeldheid, en verdeeldheid is slecht voor de peilingen.

Bij de VVD, sinds 2010 in de regering, heeft de afgelopen jaren geen enkel Kamerlid het gewaagd zich publiekelijk tegen de partijlijn te keren. Alleen de mislukte VVD-parlementariër Ybeltje Berckmoes deed ná haar vertrek uit de Kamer een boekje open over de kadaverdiscipline in de fractie, onder de fraaie titel ‘Voorlichting loopt met u mee tot het ravijn.’ Bij het CDA durft alleen het onverschrokken Kamerlid Pieter Omtzigt bij gelegenheid zijn eigen weg te gaan, de anderen voegen zich – althans in het openbaar – braaf naar de partijlijn. Ook binnen de oppositiefracties is de afgelopen jaren steeds minder tegendraadsheid te bespeuren. Het devies is: allen achter de leider, want debat wordt al snel gezien als verdeeldheid, en verdeeldheid is slecht voor de peilingen.

Hoe begrijpelijk ook: het gevolg van die cultuur is de versterking van het verlammende gevoel dat de politiek door wurgende afspraken en bangigheid wordt geregeerd. En dat is slecht nieuws voor de democratie. Alleen al daarom is het van belang dat eigenzinnige Kamerleden als Zihni Özdil hun stem durven te laten horen.

Het wachten is nog op dappere dissidenten bij de andere betrokken partijen: dan kan het onzalige leenstelsel eindelijk op de helling.