De literatuur is gezegend met een aantal genres waarmee op een adequate manier lucht gegeven kan worden aan woede. De filippica, de tirade, de polemiek, het fulmineren, de monoloog, de aanklacht: ze staan de schrijver allemaal ten dienste wanneer hem iets hoog zit. Er komt geen fysiek geweld aan te pas, en toch kan het om leven of dood gaan.

Jeroen Brouwers’ Cliënt E. Busken, de winnaar van de Libris Literatuur Prijs 2021, is een goed voorbeeld van zo’n genre, de woedende monologue intérieur, helemaal in de traditie van Dostojewski’s Aantekeningen uit het souterrain. Een innerlijk leven dat overkookt van gramstorigheid, verongelijktheid en scherpzinnigheid, geschreven met een virtuositeit die de woede voorziet van inhoud, substantie, motieven, drijfveren. Dit is vruchtbare woede.

Het gaat niet of nauwelijks over literatuur in De waarde van woede, Nico Konings boek over ‘opstandigheid en rechtvaardigheid’, maar je hoeft maar aan J’Accuse! te denken, de aanklacht in 1898 van Emile Zola in de krant L’Aurore tegen de behandeling van Dreyfus, om te zien hoezeer de literatuur een effectieve geciviliseerde vorm van woede kan zijn.

Vóórdat woede die geciviliseerde vorm aannam moesten er heel wat wegen bewandeld worden waarop de emotie nog een wilde gedaante had. Lange tijd was de woede het humeurig voorrecht van ‘heren’ in de gedaante van goden, koningen, edelen, stamhoofden of hoge functionarissen. Zoals koning Gilgamesj in het gelijknamige eerste literaire epos. In de hiërarchisch geordende wereld van Gilgamesj heerste ‘een verticale woedehuishouding’ waarin alles van boven naar beneden werd gedecreteerd. Van woede over onrecht was nog geen sprake, daarvoor was de afstand tussen vorst en onderdaan nog te groot.

Advertentie

Advertentie

rechtzet woede

Koning schrijft een beschavingsgeschiedenis van de woede: van wild naar geciviliseerd. De kern daarvan is dat woede ontstaat omdat er iets niet klopt, dat er iets rechtgezet moet worden. Het is dan ook een ‘rechtzet woede’. Dat betekent dat men niet in woede moest blijven steken, wat bij woede nog al eens het geval wil zijn. Het was een ‘veranderwoede’, maar het duurde eeuwenlang voor die veranderingen van onderop kwamen, ‘horizontaal’ ontstonden.

Er moest een ontwikkeling doorgemaakt worden: in het Gilgamesj-epos was nog sprake van wilde woede, in de Ilias en de Odyssee ging het om gematigde woede en in de Griekse tragedie om strategische woede. Maar nog geen veranderwoede. Onrecht werd nog niet vredelievend rechtgezet. Het was een en al moord en doodslag.

Een geciviliseerde woede, een woede waarover is nagedacht, die ‘gewogen’ is, ontstaat pas met de Reformatie in de zestiende eeuw. Dan wordt opstandigheid verbonden met rechtvaardigheid. De ontwikkeling van de woede gaat gelijk op met het ontstaan van rechtsgevoel.

Het in onze tijd dominant geworden woedende protest tegen onrecht, was ten tijde van de tragedieschrijvers Aeschylus, Sophocles en Euripides nog uiterst zwak. Bij Plato, Socrates en Aristoteles, dus in een hiërarchische en patriarchale orde, werd die orde gebruikt om uitingen van woede te remmen, te temmen en te beoordelen op juistheid en passendheid, op rechtvaardigheid. Het verstand moest zijn werk doen. Koning noemt dat een ‘waardenverschuiving’.

Maar die waarde verschuift weer met de komst van de stoïcijnen. Die nemen in de eerste eeuw na Christus in de geschiedenis van de woede een speciale plaats in. Zij zijn tot op de dag van vandaag aanwezig in het denken. Van emoties, grof gezegd, wilden de stoïcijnen niet veel weten, en van woede nog het minst. Koning zegt dat ze te boek staan als ‘de kampioenen van de woedebeheersing’.

‘Woede is gezond’, schrijft Koning, maar dat vraagt wel om ‘een vreedzaam soort vechtcultuur.’

Seneca schreef in zijn traktaat over Woede: ‘Woede heeft niets om op te staan. Zij ontwikkelt zich niet uit wat sterk en bestendig is, nee, zij is winderig en leeg en verschilt evenzeer van geestelijke grootheid als overmoed van dapperheid, als onbeschaamdheid van zelfvertrouwen, somberheid van ernst’.

De stoïcijnen worden ook de ‘eerste humanisten’ genoemd en hadden nogal wat invloed op de Renaissance en de Verlichting. Montaigne en Spinoza waren stevige stoïcijnen. Er was voor de stoïcijnen geen principieel verschil tussen elite, burgers en slaven. Die gelijkheidsgedachte, schrijft Koning, zette de poorten open voor dagelijkse woede. Het een bestond niet zonder het ander. Met hun gelijke menselijke waardigheid doorbraken ze de verticale woedehuishouding, maar ze hadden geen alternatieve horizontale woedehuishouding: ‘de kunst van het vreedzaam vechten stond nog in de kinderschoenen’.

kleine woede

‘Woede is gezond’, schrijft Koning, maar dat vraagt wel om ‘een vreedzaam soort vechtcultuur.’ Machteloze woede moet voorkomen worden. Er moet ruimte gemaakt worden voor het uiten van woede. Het gebruiken van geweld voor het uiten van woede is geen optie want de enige die geweld mag gebruiken is de staat, die heeft het ‘geweldsmonopolie’.

De ruimte voor het uiten van woede wordt geschapen door ‘pacificatie-instrumenten’, zoals godsdienstvrijheid, na lange tijd verworven via bloedige en woedende godsdienstoorlogen. Vrijheid van meningsuiting is het volgende instrument dat ervoor zorgt dat radicale meningen en woede ongeremd naar buiten kunnen komen. Elke beperking van menselijke ontplooiing en initiatief leidt tot woede, daarom is het verlenen van een schier oceanische ‘vrijheid’ het overkoepelende instrument dat frustraties voorkomt.

De ‘democratie’ die vrij bewegen, vrij ondernemen, vrij denken mogelijk maakt is het meest geschikte pacificatie-instrument voor het uiten én voorkomen van woede. De vrijheid van onderwijs, media, wetenschap en kunst betekent het bloeien van ideeën en initiatieven, maar ook het ontstaan van ‘kleine woede’ in de vorm van permanent conflict, dwarse inzichten, boosheid en teleurstelling. Dit vraagt, om met Norbert Elias te spreken, om een geduchte affecthuishouding, een verstandige omgang met emoties en gevoelens.

‘Wij leven in het tijdperk van de machtige woede’. Dat wil zeggen van een woede die vol aanwezig is en resultaat oplevert.

De waarde van woede wil ‘bijdragen aan de ontwikkeling van strategieën voor een horizontale civilisering van de woede’. Dat betekent dat Koning de primitieve woede achter zich laat (ook al blijven daar altijd resten van hangen), de verticale woedehuishouding als verleden tijd beschouwt en het overwinnen van de woede door middel van rationale middelen een illusie noemt. Woede blijft.

elk tijdperk zijn blinde vlek

Rest Koning, wat hij noemt, de ‘emancipatorische woede’, de woede als instrument voor het oplossen van zich permanent voordoende maatschappelijke, politieke en mentale problemen. Er is altijd iets recht te zetten, altijd iets te verbeteren. Alles en iedereen laat steken vallen, mensen, regeringen, tijdperken. Elk tijdperk heeft zijn blinde vlek. De Reformatie vergat de macht van de adel in te perken. De protestanten dachten dat ze uitverkoren waren. De Franse Revolutie vergat de arbeiders rechten te geven. De socialisten vergaten de vrouwen. De feministen vergaten de kinderrechten. Ook denkers hadden hun blinde vlek. Luther hoor je liever niet over de joden. Kant niet over de vrouwen. Nietzsche niet over de Herenmoraal. Er is een emancipatorische woede nodig om al deze vallende steken en blinde vlekken te corrigeren.

‘Moderne rechtstaten zijn het product van revolutionaire vuren uit het verleden. Voor de uitbouw en het onderhoud ervan moet een revolutionaire waakvlam blijven branden. Dat is een morele opgave’, schrijft Koning. Die waakvlam is speciaal voor het onderhouden van de democratische spelregels, maar ondertussen schrijft Koning ook: ‘Wij leven in het tijdperk van de machtige woede’. Dat wil zeggen van een woede die vol aanwezig is en resultaat oplevert.

Woede loont, maar neemt ondertussen wel erg vaak gewelddadige vormen aan, ook al zijn wij over het geheel genomen ‘vreedzamer’ geworden en valt het ‘vredessaldo’ gunstig uit. Maar vergeet de sluipende woede niet, die van Orban, of de lachende woede van Bolsonaro, of de openlijke van Erdogan. Zelfs het Malieveld is geen onschuldig grasveld meer. Dit is allemaal te leren uit dit tamelijk sublieme boek.

De waarde van woede. Over opstandigheid en rechtvaardigheid door Nico Koning, met een voorwoord van Hans Achterhuis, is uitgegeven door Damon.