Er is een moment in Troost in filosofie dat je de allegorische figuur Filosofie naar de hel wenst. Zij is dan op bezoek bij het alter ego van Boëthius dat, net als de echte Boëthius tijdens het schrijven van het boek, in de gevangenis zit. Ook al was hij zijn naaste raadgever, hij is door koning Theoderik van Italië van landverraad beschuldigd.
Het moment doet zich voor wanneer Filosofie een rijtje deugden en ondeugden aan het aflopen is waarvan zij de meeste in de morele prullenmand laat verdwijnen. Rijkdom, roem, prestige, schoonheid, macht, autonomie, lichamelijk genot: geen van alle brengen ze de gelukzaligheid dichterbij, integendeel, stuk voor stuk wordt hun soliditeit door Filosofie ondergraven.
Ze maken nooit waar wat ze beloven. Rijkdom is verdacht, zorgt voor jaloezie en is uiterst vergankelijk. Roem is een wisselvallig bezit. Prestige maakt je afhankelijk van anderen. Macht is onveilig. (Koningen kennen meer ellende dan geluk). Schoonheid is kortdurend. Autonomie is een illusie.
De titel Troost in filosofie is lichtelijk misleidend want van troost is niet veel te merken.
En ‘genot’? ‘Wat te zeggen van lichamelijk genot’, vraagt Filosofie op een pesterige manier zodat je haar naar de hel wenst. Wat een ziektes veroorzaakt het niet, wat een ondraaglijke pijn. Hoe heerlijk ‘zwelgen in minderwaardig genot’ ook mag zijn, het ‘einde is altijd droevig.’ Het najagen van genot is een zorgelijke aangelegenheid en ‘bevrediging baart spijt.’ Er deugt niets van. Zelfs de kinderen die er uit voortkomen moeten het ontgelden: Filosofie onderschrijft wat Euripides zou hebben gezegd: ‘dat wie kinderloos is het geluk heeft pech te hebben.’
christelijk gekleurd
Je zou makkelijk kunnen denken dat Boëthius hier in het jaar 524 het hele repertoire van de door het christendom afgewezen ondeugden te kijk zet. Al dat najagen van roem en rijkdom is louter ijdelheid in het licht van de eeuwigheid en sterfelijkheid. En met dat jagen wil men een hemel op aarde creëren terwijl er pas na de dood sprake mag zijn van een hemel, in het hiernamaals.
Troost in filosofie mag ‘christelijk gekleurd’ zijn, zoals vertaler Piet Gerbrandy zegt, in werkelijkheid komen hier verschillende filosofische en theologische richtingen samen: Plato, Aristoteles, de Stoa, het christendom en neoplatonisme. Dat maakt het ingewikkeld, maar heeft niet verhinderd dat Troost in filosofie (of De vertroosting van de filosofie, zoals de vertaling van R.F.M. Brouwer uit 1990 luidt) een van de meest vertaalde en becommentarieerde boeken uit de wereldliteratuur is, vooral in de Middeleeuwen.
immuun voor tegenslag
De titel Troost in filosofie is lichtelijk misleidend want van troost is niet veel te merken. Een enkele keer wordt de gevangene door Filosofie ‘diep getroost’ wanneer ze een gedicht voorleest waarin de liefde de wereld bij elkaar houdt. Ook al heeft Filosofie het een enkele keer over de gevangene als ‘mijn jongen’, ze is geen zachte heelmeester. ‘Waarom zit je toch te huilen, waarom druip je van tranen’, vraagt ze hem. ‘Als je wilt dat de dokter je helpt moet je je wond laten zien.’ Hij zegt dat Fortuna tegen hem ‘te keer gaat’ en dat hij daarom nu in de gevangenis zit in plaats van in zijn bibliotheek waarin hij normaal met Filosofie discussieerde ‘over alles wat er op menselijk en goddelijke vlak te weten valt.’ Fortuna staat hier voor ‘de vraatzuchtige paleishonden’ die hem hebben aangeklaagd bij de koning.
In plaats van troost zit in Troost in filosofie het nodige strenge stoïcisme. Dat wil zeggen dat het alter ego van Boëthius ‘immuun moet worden voor tegenslag.’ En dat hij tot zich door moet laten dringen dat Fortuna veel nuttiger is wanneer ze mensen tegenwerkt. Dan komen ze tenminste in actie.
Het doorprikken van illusies: dat is steevast de platonische conclusie: ‘opperste gelukzaligheid’ zal nooit bereikt worden omdat de meeste mensen slecht zijn.
Ook in de gedichten (waarvan er negenendertig door de gesprekken zijn geweven) wordt dat stoïcisme uitgedragen: ‘Veel zoeter smaakt het karwei van de bijen/als je mond eerst door bitterheid is gebeten.’ Omdat in het stoïcisme altijd eerst geleden moet worden voor er genoten mag worden, sluit het makkelijk aan op het christendom. Zoals het platonisme zich ook makkelijk laat voegen naar het christendom, vooral wanneer, zoals hier, het idee van het Goede als het hoogste wordt beschouwd. Het Goede is dan een abstract Idee dat nooit zijn volmaaktheid bereikt, maar waarnaar wel gestreefd moet worden.
doorprikken van illussies
Heel wonderlijk is dat rijkdom, roem, prestige, succes, schoonheid, macht, autonomie en lichamelijk genot in de eerste helft van het boek afzonderlijk door Filosofie stuk voor stuk worden voorgesteld als iets beschamends om naar te streven. Maar in het tweede deel (vanaf Boek III) krijgen ze een nieuwe status die hen ontdoet van de negatieve kanten. Filosofie ziet ze dan niet meer los van elkaar.
Wanneer iemand deze idealen allemaal tegelijk wil bemachtigen, onlosmakelijk met elkaar verbonden en elkaar beïnvloedend, dan is het goed en is men uit op de door God goedgekeurde ‘opperste gelukzaligheid.’ Maar daar laat ze het niet bij: ‘O jongen’, zegt ze, ‘dat inzicht kan je gelukkig maken’, ware het niet dat deze ‘opperste gelukzaligheid’ in deze ‘sterfelijke en wankele wereld’ nooit werkelijkheid kan worden. Het doorprikken van illusies: dat is steevast de platonische conclusie: het ‘hoogste goed’ en de ‘opperste gelukzaligheid’ zullen nooit bereikt worden omdat de meeste mensen (‘de meerderheid van de mensheid’) slecht zijn.
Het is nogal wat dat iets wat tekortschiet ten opzichte van het ideaal ophoudt te bestaan.
Filosofie is zo’n orthodoxe platoniste, die altijd het Goede met een hoofdletter voor ogen heeft, dat ‘slechte mensen’ voor haar niet bestaan: ‘ik beweer dat ze geen deel hebben aan het zijn in zijn zuivere en eenvoudige vorm.’ Men komt hiermee in de krochten van het platonisme of neoplatonisme terecht. Daarin geldt dat ‘wat ten opzichte van het goede tekortschiet, ophoudt te zijn.’
Het platonisme lijkt misschien een onschuldige filosofie, maar is in al zijn abstractheid in werkelijkheid tamelijk rigoreus: het is nogal wat dat iets wat tekortschiet ten opzichte van het ideaal ophoudt te bestaan. Maar het kan nog vreemder (of idioter): iemand die volgens Filosofie ‘gedeformeerd’ is omdat zijn gedrag niet deugt, kunnen we ‘niet meer als mens beschouwen.’ Hij wordt een wolf wanneer hij op gewelddadige manier iemand berooft. Hij wordt een leeuw als hij zijn woede niet in de hand heeft. Een hert als hij voor niets angstig is. Een ‘gore zeug’ als hij zich ‘in schandelijke lusten’ dompelt.
premiddeleeuwse scholastiek
Zo neemt Troost in filosofie je mee naar andere tijden, andere sferen en heel andere denkbeelden. Er worden door Filosofie vele bladzijden gewijd aan de voorzienigheid Gods en de vrije wil, een onderwerp dat volledig in de lucht blijft hangen wanneer je niet in God gelooft. Volgens Piet Gerbrandy, die van vele onbegrijpelijke redeneringen begrijpelijk Nederlands heeft gemaakt, wordt in die pagina’s ‘messcherpe logica’ gehanteerd ‘om aan te tonen dat er geen tegenspraak behoeft te bestaan tussen menselijke vrijheid en goddelijke voorzienigheid.’
Ik heb het niet gecontroleerd om te voorkomen dat ik zou worden opgeslokt door een premiddeleeuwse scholastiek waarin de menselijke logica wedijvert met een theologische logica die rekent ‘op de onschatbare wederdienst van Gods genade.’
In Troost in filosofie zou de vrije wil uiteindelijk in tact blijven, ondanks de onontkoombaarheid van de voorzienigheid Gods. Maar wat is vrij als het hierop neerkomt: de mensen die naar het goede streven ‘laten zich vrijwillig besturen en richten zich uit eigen beweging naar de wenken van zijn [Gods] ordening.’
Zeker is dat God ook bij Boëthius alomtegenwoordig is. Gerbrandy kan niet om een vergelijking heen met Big Brother in George Orwells 1984: God die alles ziet. Filosofie richt zich in de laatste zin van Troost in filosofie daarom tot de hele mensheid: ‘Jullie is, doe niet alsof dat niet zo is, onontkoombaar de verplichting tot voortreffelijkheid opgelegd, daar jullie handelen voor de ogen van een rechter die alles ziet.’
Troost in filosofie door Boëthius, vertaald en ingeleid door Piet Gerbrandy, is uitgegeven door Damon.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.