Wat het portret Dr Pozzi at Home van de Amerikaanse schilder John Singer Sargent zo aantrekkelijk maakt, past helemaal niet zo bij dokter Pozzi. De spectaculaire rode kamerjas waarin hij gekleed gaat was namelijk niet zijn idee. Hij kreeg hem door de schilder aangereikt. Sargent wilde Pozzi iets onweerstaanbaars geven, indachtig misschien dat Alice, de prinses van Monaco, hem ‘stuitend knap’ had gevonden. Dat projecteerde Sargent op hem.
Niet dat dokter Samuel Pozzi, gewaardeerd en bewonderd Parijs’ gynaecoloog en chirurg, niet van enig vertoon hield als trouw lid van de Parijse beau monde in het fin de siècle van de negentiende eeuw. Maar zich zo nadrukkelijk laten manifesteren paste niet bij hem. Pozzi werd door dit schilderij ondanks zichzelf de personificatie van de extraverte, aandacht zoekende dandy in de belle époque. Hij overvleugelde daarmee zelfs de graaf Robert de Montesquiou, de échte alomtegenwoordige profeet van de decadentie.
Discretie
Pozzi was discreter dan de oppervlakkige reputatie die hij door het schilderij van Sargent heeft gekregen. Hoe zo’n reputatie ontstaat is te zien aan het rumoer waarmee Madame X te maken kreeg, het portret dat John Singer Sargent drie jaar na Dr Pozzi at Home in 1884 maakte van Madame Gautreau. Haar schouders en armen zijn aanzienlijk bloot en blank. Ook omdat hij een schouderbandje had laten afzakken, tot woede van de moeder van Madame Gautreau. Sargent moest het bandje er op terug schilderen. Wat het niet een minder spectaculair schilderij maakte.

Het doet niet onder voor Dr Pozzi at Home. Maar zoals Pozzi geen dandy was, zo was Madame Gautreau niet de sirene die Sargent van haar schilderde. In het bijna onder de roddel bezwijkende einde van de 19e eeuw werden de twee dan ook met elkaar in verband gebracht, alsof ze een verhouding zouden hebben gehad. Toen ze in 1980 naast elkaar in het Whitney Museum hingen werd dat de door Amerikaanse kunstcriticus Robert Hughes herhaald, ook al is er volgens Julian Barnes nooit enig bewijs voor gevonden. Zelfs het feit dat Pozzi een ander portret van haar, ook gemaakt door Sargent, in bezit had, bewijst dat niet. Pozzi had een aanzienlijke verzameling schilderijen.
Volgens sommige zou Pozzi een Don Juan-achtige leporello aan minnaressen hebben gehad, maar de degenen die dat zeggen haatten hem.
De tijd van overgevoeligheid
Julian Barnes was niet de enige die door de scharlaken kamerjas werd geattendeerd op dokter Pozzi. Toen hij vorig jaar in het Rijksmuseum hing op de tentoonstelling High Society had hij ook de nodige bekijks. Wie was deze gynaecoloog en chirurg die er met zoveel allure bij kon staan? Julian Barnes moet al snel hebben begrepen dat het leven van Pozzi niet een hele biografie kon dragen, dus heeft hij hem ingebed in tijdgenoten en vrienden. En in de opmerkelijke decadente tijdgeest. De tijd van de l’art pour l’art in kunst en literatuur, van estheten als Oscar Wilde, Baudelaire en Proust. De tijd ook van de overgevoeligheid, met als gevolg dat om de haverklap kogels in het rond vlogen tijdens duels.
Pozzi kwam uit de Franse provincie, uit Bergerac. Maar was binnen de kortste keren ‘door zijn intellect, ambitie, karakter, professionaliteit en onweerstaanbare charme’ een Parijzenaar met vrienden in de hoogste kringen. Dit maakte dat Sargent hem in 1881, hij was toen 35 jaar, ‘een geniaal heerschap’ noemde. Omdat in die tijd de klassen hun stekels nog fel tegenover elkaar hadden uitstaan was het opmerkelijk dat Pozzi goed bevriend raakte met graaf Robert de Montesquiou en prins Edmond de Polignac. Als drie anglofielen maakten ze in 1885 een reisje naar Londen om tweed voor hun jasjes en gordijnen van Liberty-stof te kopen. Ze waren immers ‘intellectueel en decoratief’ op reis.

Roddelaars en heethoofden
De belle époque, de tijd waarin Pozzi leefde (1846-1918) was er niet een waarin de echt interessante persoonlijkheden in zijn omgeving voor het oprapen lagen. Het was ‘een tijd van welvaart voor de welvarenden, van maatschappelijke macht voor de aristocratie, van ongebreideld en complex snobisme.’ ‘Een tijd van onstuimige koloniale ambitie, van artistiek beschermheerschap, en van duels.’
Gelukkig dat Sarah Bernhardt, Oscar Wilde en Henry James langskomen, anders hadden we het moeten doen met de in alles doordringende roddelaars en heethoofden als Jean Lorrain en Léon Daudet. Barnes wordt afwisselend door de artificiële sfeer waarin snobs over snobs schrijven geamuseerd en lichtelijk geërgerd. Zelfs Oscar Wilde kan er niet altijd mee door met zijn goede woorden.
Het is een sfeer waarin adellijke lieden aan lager wal raken en dan net op tijd een rijke vrouw trouwen, zoals prins Edmond de Polignac. Die op het nippertje trouwt met Winnaretta Singer, een erfgename van de naaimachine fabrikant. Hij geeft daarna weelderige feesten waarvan de gastenlijsten alles zeggen over wie wel en wie niet tot de glitter van het Parijse leven behoorden.
Paradox
Pozzi’s andere vriend, graaf Robert de Montesquiou, zal als baron de Charlus in A la recherche du temps perdu van Marcel Proust zo’n belangrijke rol spelen dat hij zich af ging vragen of hij zichzelf niet Montesproust moest gaan noemen. Ondertussen was hij de ultieme dandy die zich ‘professor in de schoonheid’ en ‘de vorst van de vergankelijkheid’ noemde.
Hij was hoogdravend, opvliegend en aanmatigend, terwijl zijn kompaan Polignac volgens Barnes zachtmoedig, grillig en ‘tamelijk hopeloos’ (‘een onuitstaanbare maniak’) was. Om hier iets substantieels tegenover te stellen: Robert, de broer van Proust, was een assistent van Pozzi die net als hij veel heeft gedaan voor de verbetering van ziekenhuizen.
Gelukkig beweegt Samuel Pozzi vooral op zijn eigen, enigszins paradoxale manier in deze Parijse entourage. Hij was zowel onderdeel van de high society als op een degelijke manier prominent op zijn vakgebied, zowel in Frankrijk als Amerika. Pozzi wordt een gerenommeerd gynaecoloog en ‘society-arts’ die een boek van 1.100 pagina’s in twee delen schrijft dat tot 1930 het officiële handboek gynaecologie zal worden. Hij is in 1874 de co-vertaler van Darwins The Expressions of the Emotions in Man and Animals. Verder zorgt hij ervoor dat de hygiëne in de ziekenhuizen drastisch wordt verbeterd waardoor het aantal doden aanzienlijk terugloopt. Hij wordt de eerste hoogleraar in de gynaecologie en houdt een oratie waarin hij zegt dat de hemel wel van god is ontdaan, maar niet van ‘deernis.’ Daarnaast bekleedt hij publieke functies als senator en is openlijk steunpilaar van Dreyfus, wiens arts hij ook is.
Pozzi de verleider
Na verschillende verhoudingen, die hem de reputatie van ‘een onverbiddelijke verleider’ geven (onder wie Sarah Bernhardt, met wie hij altijd bevriend zal blijven en die hem ‘docteur Dieu’ noemde), trouwt hij met een rijke vrouw met wie hij dertig jaar lang niet gelukkig is.
Hij wijdt het in een mooie brief aan een vriend aan haar ‘gebrek aan gevoel’ en haar jaloerse moeder die bij hen inwoont. Een groot deel leven ze gescheiden in één huis en heeft Pozzi, omdat zijn vrouw niet echt mag scheiden van haar katholieke geloof, Emma Bischoff als minnares.
Omdat de roddelfabriek overuren maakte kan Barnes op grond van de twijfelachtige bronnen niet met zekerheid zeggen of Pozzi inderdaad die ‘onverbeterlijke verleider’ was waarvan wel wordt gesproken. Een vast onderdeel van Barnes’ boek is dat hij regelmatig zegt dat we iets ‘niet kunnen weten’ omdat er geen betrouwbare bronnen zijn.
Volgens sommige zou Pozzi een Don Juan-achtige leporello aan minnaressen hebben gehad, maar de degenen die dat zeggen haatten hem. Zoals Léon Daudet, royalist, nationalist, virulent antisemiet, germanofoob en democratiehater. Die schrijft dat men wel zegt dat Pozzi een goede techniek als chirurg heeft, maar ‘zelf zou ik mijn haar nog niet door hem laten knippen. Helemaal niet in de buurt van een spiegel, uit angst dat hij mijn keel zou doorsnijden terwijl hij zijn eigen spiegelbeeld staat te bewonderen.’ Of Jean Lorrain, de ‘hysterische, onbetrouwbare lasteraar’ die zich beklaagde dat ‘de varkens’ hem ‘tot een journalist hebben gemaakt’. Terwijl hij dacht een romanschrijver te zijn. Buiten de roddelpers komt Pozzi uit de documenten uit die tijd volgens Barnes ‘nooit naar voren als het type genadeloze libertijn.’
Een onverdiend einde
Tussen al deze vluchtigheden door duikt geregeld Pozzi op als de nieuwsgierige arts, de kunstverzamelaar, de reiziger door Europa, de kosmopoliet (‘chauvinisme was een vorm van onwetendheid’ zei hij), de modernist en ‘de man van de rede in een ontzinde tijd.’ Ontzind was die tijd ook vanwege de vele kogels die rondvlogen. Niet alleen tijdens de vele duels die werden uitgevochten, waarbij Pozzi niet zelden als arts betrokken raakte om het bloed te stelpen. Zelf raakte hij een keer gewond aan zijn hand bij een duel met degens.
In 1918 werd een pistool zijn dood. Een eenvoudige patiënt, Maurice Machu, die hij aan zijn scrotum en edele delen had geopereerd, meende dat hij in de loop van drie jaar onvoldoende was geholpen. Op een dag verscheen hij met een pistool en schoot drie keer op Pozzi. In zijn arm, borst en buik. En in de gordijnen. Karakteristiek voor Barnes’ luchtige toon in het hele boek is zijn toevoeging hierbij: of die gordijnen ‘nog steeds van de Liberty-stof zijn, kunnen we niet weten.’
Het is een onverdiend einde van Pozzi. Hij speelt in het erudiete en met geamuseerde distantie geschreven boek van Barnes een solide rol tussen de nodige opgewonden standjes, tijdgebonden celebrities en aanstellers. In hun artificiële salons zwalken ze tussen schandaal en discretie, tussen openhartigheid en geheimhouding. ‘Goddank’, schrijft Barnes, ‘was Pozzi niet zonder fouten.’ Maar hij wil hem toch graag als een soort held zien. Terecht.
De man in de rode mantel door Julian Barnes is vertaald door Ronald Vlek en uitgegeven door Atlas Contact.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.