Heel even zag je het: het vuur in de ogen van PvdA-leider Lilianne Ploumen aan tafel bij Nieuwsuur samen met GroenLinks-aanvoerder Jesse Klaver in december vorig jaar. Vilein had presentator Jeroen Wollaars opgemerkt dat wanneer het over ‘echt politieke dingen’ ging de vergaande samenwerking tussen haar partij en die van Klaver niet zo heel veel om het lijf had. Daar wilde Ploumen bezwaar tegen maken. Alsof het net gepresenteerde progressieve oppositieakkoord een ‘kleinigheidje’ was, terwijl het juist een definitieve breuk markeerde met de tijd van ‘éénmalige optredens’ en ‘slappe kopjes koffie’.

Het was een kortstondig moment in een gesprek dat verder een reflectie was van de onzekere, soms ronduit futloze mentale gesteldheid van links. Zonder veel moeite bracht Wollaars de twee partijleiders in het defensief. De ongemakkelijke ‘wat overkomt mij nou’-lachjes van Klaver in reactie daarop verraadden een gebrek aan bereidheid om met de vuist op tafel te slaan en de politieke urgentie van het moment te benoemen.

Die houding was niet voorbehouden aan het optreden bij Nieuwsuur. Ook in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van maart vorig jaar zette nederige inschikkelijkheid op links de toon. Ploumen sprak een maand voor de gang naar de stembus van een ‘massa’ die nodig was ‘om Rutte naar links te drukken’. Capitulatie a priori en een onderdanige erkenning van de dominantie van centrumrechts.

Een vergelijkbare conclusie trok de jongerenafdeling van GroenLinks een dag na de verkiezingen over haar moederpartij. In een fraai essay voor De Groene Amsterdammer stelde journalist Marcel ten Hooven op zijn beurt dat het linkse partijen had ontbroken aan ‘verbale strijdbaarheid’ die vorm had kunnen geven aan een breed beleefd gevoel van verontwaardiging over de sociale staat van Nederland.

De uitslag van de verkiezingen was in die zin extra pijnlijk: zonder veel bereidheid tot fundamentele politieke strijd behaalden PvdA, GroenLinks en SP hun laagste aantal zetels ooit in de parlementaire geschiedenis: 26, 12 minder dan in 2017 en liefst 31 minder dan in 2012.

Met dat drama, en het veel oudere proces van ideologische verdunning in het achterhoofd, is het voor de geëngageerde toeschouwer duidelijk dat de neergang zich niet door een simpele leiderschapswissel of een slimmere campagne laat stuiten. Er zal meer dan het gangbare moeten gebeuren wil links initiatief en zelfvertrouwen herwinnen. Het meest radicale eindpunt daarvan lijkt een bundeling van de krachten, een serieus stembusakkoord en, uiteindelijk, een nieuwe partijpolitieke formatie.

Het is niet onredelijk om te wijzen op het gevaar van het ‘scenario Frankrijk’, waar partijen op links zijn gemarginaliseerd tot machteloze omstanders van een onheilspellende krachtmeting tussen rechts en extreemrechts. Links staat ook in Nederland voor een keuze: machtsvorming in de gedaante van een nieuwe partij of electorale teloorgang.

Momentum

Inmiddels heerst het gevoel van urgentie steeds breder. Leden van de Partij van de Arbeid en GroenLinks, onder meer aangejaagd door het initiatief RoodGroen, sorteren stapje voor stapje voor op een alliantie. Er is momentum. In de eerste plaats uit zich dat in de talrijke lokale samenwerkingsverbanden in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 16 maart. Op een aantal plekken doet ook de SP mee en geregeld ook D66, dat op het Binnenhof eenkennig blijft vasthouden aan haar eigen machtspositie in een halfslachtig midden.

Het momentum komt ook voort uit het besef dat er met een nieuwe partij landelijk electorale winst valt te behalen. In een essay voor Socialisme en Democratie, het blad van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, betoogde politicoloog Peter Kanne op basis van kiezersonderzoek dat een ‘Nieuwe Linkse Partij’ na een fusie 35 of meer zetels zou kunnen krijgen. Liefst een kwart van de D66- en SP-stemmers zou de overstap wagen – een percentage dat in de dynamiek van de praktijk best nog hoger uit kan vallen als de verhoudingen tussen andere partijen daarmee verschuiven.

Bovendien zit het maatschappelijk tij mee. Langzaam ontworstelt een deel van de kiezers zich aan de obsessieve culturalisering van het politieke debat sinds begin deze eeuw – afbrokkelende normen en waarden, nationale identiteit, islam – waar links lang onbeholpen maar soms ook fanatiek aan meedeed én -doet, en waarmee het haar sociaal-economische systeemkritiek verwaarloosde.

Waar de financiële crisis van 2008 niet het kantelpunt bleek dat het had kúnnen zijn, en marktdenken en gefinancialiseerd kapitalisme vanzelfsprekend aanvaard werden als de grondverf van de politieke besluitvorming, lijkt er de laatste jaren iets van beweging te zien. En dat tegen de klippen op van een retorisch steeds venijniger radicaal-rechts dat nog steeds een monopolie op onbehagen bij de status quo lijkt te hebben.

Het is ook niet gek dat de wind draait, zij het veel later dan elders in Europa. Het sociaal weefsel is ernstig verzwakt. Ongelijkheid en afnemende bestaanszekerheid zijn nu ook voor middengroepen voelbaar en zichtbaar.

Het is ook niet gek dat de wind draait, zij het veel later dan elders in Europa. Het sociaal weefsel is ernstig verzwakt. Het woord ‘klasse’ raakt weer in zwang. Ongelijkheid en afnemende bestaanszekerheid zijn nu ook voor middengroepen voelbaar en zichtbaar. Klimaatverandering en de maatschappelijke prijs daarvan zijn steeds duidelijker merkbaar. De publieke sector, van (jeugd)zorg tot onderwijs tot cultuur, kraakt door verschraling in haar voegen, terwijl de kapitaalopeenhoping bij multinationals en belastingontduikende rijken steeds zichtbaarder wordt. En het toeslagenschandaal bleek de culminatie van een voor de onderkant steeds grimmiger geworden overheid.

Dat het zwaartepunt verschuift is dus geen kunstmatig proces van beeldvorming of een kwestie van doctrinaire verdraaiing. Het is een uiting van hoe veel mensen een tijd ervaren waarin hun gevoel van rechtvaardigheid wordt getart en de sociale, zelfs existentiële nood gewoonweg is toegenomen.

En last but not least is voor iedereen duidelijk dat het einde van het tijdperk-Rutte in zicht komt. Het machtsvacuüm dat daar onherroepelijk op zal volgen creëert z’n eigen momentum, voor het gehele politieke spectrum. Zeker voor links, mits het voorbereid is om het stokje over te nemen als de strijd om nieuwe politieke verhoudingen losbarst.

Tegen die achtergrond is het voor linkse partijen al helemaal volkomen onzinnig om elkaar te bestrijden op de vierkante millimeter. Het momentum zit ‘m misschien wel in de eerste plaats in de (stille) erkenning van dat feit. Voorbij de kleingeestige belangenkwesties. En voorbij platgereden navelstaarsociologie over verschillen in ‘nestgeur’.

Doorbraakgedachte

Maar momentum of niet, een nieuwe linkse alliantie staat of valt met één elementaire vraag: wat moet er fundamenteel tot stand komen als PvdA, GroenLinks en eventueel de SP en anderen de krachten samenbrengen? Hoezeer de tijden ook zijn veranderd, het verleden van partijpolitieke vernieuwing op links zélf biedt wat dat betreft aanknopingspunten.

De oprichting van GroenLinks in 1989 heeft het minst aantrekkelijke script. De Communistische Partij Nederland (CPN), de Evangelische Volkspartij (EVP), Politieke Partij Radicalen (PPR) en de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) waren in aanloop naar dat jaar naar elkaar toegegroeid, maar de oprichting van GroenLinks was in de eerste plaats bittere noodzaak: het moest een margebestaan van haar afzonderlijke delen voorkomen.

De totstandkoming van de Partij van de Arbeid biedt in die zin meer houvast. Zij kwam niet voort uit nood, maar moest een doorbraakpartij worden. In haar oprichtingsjaar 1946 stelde de partij zich ten doel dwars door de oude verzuilde tegenstellingen heen te breken om de geloofstrouw in het stemhokje te vervangen door zuiver politieke scheidslijnen. Ondanks dat de PvdA oude stromingen bij elkaar bracht – sociaaldemocraten en vrijzinnig- en christendemocraten – wilde ze met klem een nieuwe partijpolitieke kracht zijn, niet een geurloze mengelmoes op basis van oude recepten.

Ook bij de wens in de jaren zeventig om een Progressieve Volkspartij op te richten, de laatste serieuze poging tot linkse machtsconcentratie, stond de doorbraakgedachte centraal. PvdA, PPR en het toen nog aan links gecommitteerde D66 wilden een duidelijker antithese tussen linkse progressieven en rechtse (confessionele) conservatieven afdwingen. In 1971 presenteerden de drie een gemeenschappelijk programma met een ongegeneerd systeem-kritische inhoud en een titel die de doorbraakgedachte ademde: Keerpunt 1972.

Links hoeft niet van de macht te houden om te beseffen dat ze er niet zonder kan. Zonder macht, geen veranderingsperspectief. En zonder veranderingsperspectief geen linkse politiek.

PvdA-leider Joop den Uyl trad weliswaar enigszins remmend op, maar geloofde wel fundamenteel in de gedachte van een partijpolitieke krachtenbundeling, óók om de versplintering te stuiten waar links traditioneel kwetsbaarder voor was. Tegen een collega-lijsttrekker merkte hij eens op: ‘Eens in de twintig jaar maakt de geschiedenis een kleine opening voor verandering, die is nu, die moeten we nu proberen te benutten, anders moet je weer twintig jaar wachten.’

De algemene ledenvergaderingen van de partijen hadden zich uitgesproken vóór partijvorming, maar onwil van de nog machtige PvdA, persoonlijke irritaties tussen de kopstukken, gevoelens van groepsidentiteit en de scheve verhoudingen qua zetelaantallen zetten een streep door wat even een heel realistisch plan leek. De ‘opening voor verandering’ werd niet benut – al kwam nadien wel het meest linkse kabinet ooit tot stand.

Hoe dan ook, de totstandkoming van de PvdA en de poging een PVP op te richten geven richting bij beantwoording van de vraag wat ook nú fundamenteel het doel kan zijn: een doorbraak. Wie het woord fusie gebruikt staat in die zin al achter: het gaat om de vorming van een nieuwe politieke formatie. Zo’n politieke daad heeft voor een deel de potentie de verstening van het partijpolitieke landschap op links en de onderlinge concurrentie tussen geestverwanten te doorbreken en is – hoe Machiavellistisch dat ook mag lijken – een doel op zichzelf.

Links hoeft niet van de macht te houden om te beseffen dat ze er niet zonder kan. Terechte scepsis over Wille zur Macht kan ontaarden in het onverenigbaar verklaren van het hebben van macht met het streven naar vernieuwing. Maar dat is het paard achter de wagen spannen: zonder macht, geen veranderingsperspectief. En zonder veranderingsperspectief geen linkse politiek.

Alternatief, geen correctie

Tegelijkertijd is een doorbraak alleen mogelijk als links binnen het politieke spectrum een ideologisch alternatief vormt, niet een correctie op de politiek van anderen. En daar zit nu de verlamming. Want links vormt op dit moment geen wezenlijk alternatief, deels doordat het besmet is geraakt met een verzakelijkt neoliberalisme dat denken in termen van democratische en sociale alternatieven voor de huidige politieke en economische orde heeft uitgehold – partijen als BIJ1 en de Partij voor de Dieren daargelaten.

Wat dat betreft maakten de eerste reacties van PvdA en GroenLinks-politici op het nieuwe coalitieakkoord pijnlijk zichtbaar hoe armetierig de oppositie is, op de kritiek op de zorgbezuinigingen na. Jesse Klaver bleef steken in een postideologische haalbaarheidsvraag: gaat de nieuwe coalitie ‘de mooie woorden wel waarmaken’? Is het allemaal wel voldoende ‘uitgewerkt’? Ploumen hield het op een pathosarm ‘het had echt wel anders had gekund’. GroenLinks-Kamerlid Laura Bromet tweette zelfs vrolijk: ‘Onze missie is volbracht. Rechts is links geworden,’ klaarblijkelijk zonder de tragische implicatie van die uitspraak te beseffen, nog los van de onwaarheid ervan. En PvdA-coryfee Felix Rottenberg ging bij Op1 nóg verder door onbeteugeld de loftrompet te steken over de nieuwe plannen en door delen van het coalitieakkoord te associëren met de politiek van de iconische sociaaldemocraat Jan Schaefer – iemand die zich als linkse hardliner ironisch genoeg nooit zo makkelijk zou hebben laten inpakken. Bij elkaar genomen leken de reacties één lange, enthousiaste verklaring van linkse overbodigheid.

Het vormen van een ideologisch alternatief is een democratische plicht voor links. Want waar een tegenmacht ontbreekt, gaat bij kiezers het gevoel overheersen dat zij met hun stem niks kunnen veranderen aan de politieke verhoudingen.

Daarbuiten vroegen voornamelijk D66’ers zonder gewetensnood zich cynisch-triomfantelijk af hoe links oppositie ging voeren tegen een akkoord waar ze vooraf toch wel voor had getekend. Een vraag waar weer een andere vraag aan vooraf zou moeten gaan: hoe is het toch zo gekomen dat veel mensen de indruk hebben dat links inmiddels zo tam en ideologisch vermagerd is geraakt dat andere partijen maar met miljarden hoeven te smijten om haar alle wapens uit handen te slaan? Hoe kan het toch dat links zich zo gedwee irrelevant laat verklaren?

De reacties waren in die zin schokkend omdat duidelijk werd dat links in zo’n onzekere staat verkeert dat het niet over de middelen beschikt om zichzelf als alternatief te presenteren – en dat het ook niet in staat blijkt de hardnekkige denkfout te weerleggen dat als rechts een linkse schutkleur aanneemt ze ook daadwerkelijk ‘links’ wordt. Als links zich wél als alternatief had gepresenteerd, dan had ze het voorgenomen regeringsbeleid langs de meetlat van systeemkritiek gelegd. Dan had ze beoordeeld in welke mate er zou worden gewerkt aan sociale en economische veranderingen aan een systeem dat ongelijkheid in de hand werkt, de macht van kapitaal bevoordeelt ten opzichte van minderbedeelden, de aarde bevuilt en uitput en op zichzelf belangen consolideert die een conservatieve werking hebben op de politiek zélf. Systeemkritiek dus op de manier waarop we leven, werken, ons geld verdienen en onze verhoudingen ten aanzien van elkaar bepalen, met name die tussen mensen zonder en mensen mét macht. En wat is links nog waard als het zich daar niet meer aan durft te wagen?

Het vormen van een ideologisch alternatief is tegelijkertijd een democratische plicht. Het is niet zo gek om te stellen dat Nederland al meer dan twintig jaar geen wezenlijk linkse politiek kent – ook niet toen haar zetelaantal beduidend hoger lag. Voor de democratie is dat schadelijk. Want waar een tegenmacht ontbreekt, gaat bij kiezers het gevoel overheersen dat zij met hun stem niks kunnen veranderen aan de politieke verhoudingen – sowieso al een mankement dat het kiesstelsel faciliteert. En dat knaagt aan de geloofwaardigheid van het systeem als geheel.

Ideologisch voorwerk

Hoeveel tijd heeft links nog? Tot de volgende verkiezingen, uiterlijk in 2025? Wie alle argumenten vóór een samensmelting van krachten bekijkt, vraagt zich in ieder geval af waarom er niet meer vaart achter zit. Waarom staat ‘Keerpunt 2025’ niet allang in de steigers? Zeker nu zowel PvdA als GroenLinks – en ook de SP – in zo’n bedenkelijke staat verkeren.

Maar het is kansloos of zelfs contraproductief als er niet voldoende tijd wordt genomen voor ideologisch voorwerk. Waar rechts voor haar reden van bestaan vaak genoeg heeft aan het behartigen van gevestigde belangen, het stichtelijk relativeren van de mogelijkheid tot verandering, of het terugdraaien van wat links in een (ver) verleden vermoedelijk allemaal fout heeft gedaan, moet links zelf het hebben van hervormingsideeën. En dus van een bepaalde mate van ideologisch vuur. Socioloog en fusievoorstander Dick Pels beklaagde zich aan het begin van deze eeuw eens over de ‘leegte op links’. Het gaat te ver die stelling hier opnieuw aan te dragen, maar de ideologische basis is nu te dun en te wankel om een doorbraak te realiseren.

Bij de Partij van de Arbeid overheerst soms het gevoel dat met het afschudden van de ideologische veren door Wim Kok in de jaren negentig het laatste hoofdstuk van de sociaaldemocratie al werd geschreven. Een deel van de (vergrijsde) achterban verlangt nostalgisch naar de hoogtijdagen van Drees en Den Uyl. De partij kan vooral de loodzware last van een verleden waarin ze niet trouw is gebleken aan haar eigen uitgangspunten maar moeilijk dragen.

Tegelijkertijd staat het niet stil. Een nieuwe generatie PvdA’ers voelt de noodzaak het idee van de sociaaldemocratie in stelling te brengen tegen het onrecht van deze tijd. Ondertussen richten het wetenschappelijk bureau en het partijbestuur zich onverstoorbaar op ‘bouwstenen voor een sociaaldemocratische agenda voor de toekomst’. Buiten de partij beantwoordde historicus Rob Hartmans de vraag of er nog leven zit in de sociaaldemocratie met een dapper ‘ja’, mits zij de rol van de staat herwaardeert en zich beraadt op de vraag of het nog verstandig is alleen op te trekken (dat is het niet, zegt Hartmans).

Er is reden tot hoop. Het verleden bewijst dat de kans van slagen reëel is. En dat het dan niet een samensmelten hoeft te betekenen van stromingen die hun beste tijd hebben gehad, maar kan leiden tot een geheel nieuwe politieke beweging.

Voor GroenLinks geldt dat het de afgelopen jaren onder Klaver intellectueel wat magertjes is geweest. Oprechte pogingen tot het aanwakkeren van ideologische discussie over het primaat van de economische logica, werden overschaduwd door een modieuze veramerikanisering van de campagnes en strak georganiseerde meet-ups die een voorkeur voor vorm boven inhoud leken te suggereren.

Maar er is ook beweging. Zo publiceerde het wetenschappelijk bureau afgelopen december samen met Kamerlid Senna Maatoug een scherpe kritiek op hedendaags kapitalisme. Een maand daarvoor presenteerde Kamerlid en in de toekomst mogelijk partijleider Corinne Ellemeet de aanzet tot wat in de kern een sociaaldemocratische visie op systeemkritiek en gemeenschapsdenken was, zonder de bekrompen bijsmaak die er begin deze eeuw aan werd gegeven.

Er gebeurt dus wel wat bij de afzonderlijke partijen, maar de keuze om te bouwen aan een gezamenlijk narratief dat, vrij naar de Franse historicus Pierre Rosanvallon, de ideeën én de emoties van mensen in een politieke vertelling weet te vatten is nog niet gemaakt. Rechts heeft het initiatief, radicaalrechts het narratief (volk versus elite) – daar kan geen partijpolitieke vernieuwing op links tegenop als niet voldoende duidelijk wordt wáár die op gefundeerd is. Links zal dus in het proces van partijvorming doen moeten combineren met denken. En het één hoeft niet te wachten op het ander.

In de tussentijd is er reden tot hoop. Naast het scenario Frankrijk is er nog het scenario Duitsland waar de groenen en sociaaldemocraten gezamenlijk 40 procent van de stemmen behaalden. Nuchtere politicologen zullen blijven zeggen dat de roep om krachtenbundeling en partijvorming een terugkerend ritueel is. Maar het verleden bewijst dat de kans van slagen reëel is. En dat het dan niet een samensmelten hoeft te betekenen van stromingen die hun beste tijd hebben gehad, maar kan leiden tot een geheel nieuwe politieke beweging, voortbouwend op dat wat vroeger goed is geweest en dat nu weer kan zijn.