Dit is het slot van een serie die veel reacties opriep nadat Roos een brief aan Arnon publiceerde in De Standaard. Die brief is nu ook hier te lezen en voor Vrij Nederland schreven Arnon en Roos gezamenlijk een dialoog bij wijze van nawoord én inleiding op serie. Het project was een experiment, schrijven ze. ‘En het is veel genuanceerder, complexer en tegenstrijdiger dan een simpel dader-versus-slachtoffer-verhaal.’
Deel 3
You seem very well, things look peaceful
I’m not quite as well, I thought you should know
Did you forget about me, Mr. Duplicity?
I hate to bug you in the middle of dinner
It was a slap in the face
How quickly I was replaced
And are you thinking of me when you fuck her?
Alanis Morissette – You oughta know
Washington is ook een stad in het zuiden van Utah, tegenwoordig een paradijs voor bejaarden uit Californië, de huizen zijn er nog betaalbaar. Californië rukt langzaam op naar het oosten. In Washington woont Rich, een man van veertig, gescheiden, twee kinderen. Een huisgenoot is tosti’s aan het maken als ik binnenkom. Rich heeft samen met Roos gekookt. Hij werkt aan een project dat van de penis ook een vibrator zal maken, de vibrerende penis is zijn hoop. De mens moet verbeterd worden, dat is kort gezegd het menselijke project.
Rich draagt een houthakkershemd, hij is kaal en heeft een baardje. Zijn ogen stralen weemoed uit.
Samen met Roos reis ik vijf weken door het westen van Amerika op zoek naar de vraag wat liefde en seks is in Amerika anno 2019, maar zoals Rammstein al zong: ‘We’re all living in America.’
Kort voor het begin van de reis heb ik Roos, die de reis heeft voorbereid en de foto’s maakt, verlaten. Ik was verliefd geworden op een andere vrouw. Maar is dat de enige reden? Weet je altijd precies waarom je iemand verlaat? Weet je waarom je verliefd op iemand wordt? Hoe dan ook is deze roadtrip tevens de afsluiting van een relatie, wonden worden geopend, ingewreven met zout. Openen, ontsmetten en weer dichtnaaien, in de hoop op heling.
Terug naar de vibrerende penis
‘Mijn grootmoeder,’ vertelt Rich terwijl we gepofte zoete aardappel eten, ‘had allemaal tijdschriften die we na haar dood vonden en daarin stonden artikelen over kunstmatige harten. En toen dacht ik, waarom is de toekomst zo ver weg?’
Hij neemt nog een hapje. ‘Je hebt lekker gekookt,’ zegt hij tegen Roos. En dan vervolgt hij: ‘Ik ben een transhumanist, ik denk dat technologie de mensheid vooruit kan helpen en ik geloof dat het geen probleem is als mensen langzaam meer machine zullen worden. Zo ben ik bijvoorbeeld bezig mijn eigen genen te modificeren.’
‘Is dat moeilijk?’ vraag ik.
‘Nee hoor,’ zegt Rich. ‘Voor 350 dollar heb je genen die je cellen kunnen reprogrammeren, die moet je dan bij jezelf inbrengen met injecties. Ik doe dat in mijn garage. Ik ben een bio-hacker, ik hack mijn eigen genen.’
In zijn hand heeft Rich een magneet laten implanteren waardoor hij metalen voorwerpen kan laten bewegen, wij hebben de indruk dat hij dit ook heeft gedaan om indruk mee te maken tijdens feesten.
‘Laten we teruggaan,’ zeg ik, ‘naar de vibrerende penis. Hoe werkt dat?’
‘Wetenschappers zijn al lang bezig met orgasmes waar je helemaal geen geslachtsdelen meer voor nodig hebt, de orgasmatron, die geeft signalen aan de ruggengraat. Ik denk dat een vibrerende penis de seks beter zal maken. Probleem is dat de FDA (de Food and Drug Administration, AG) geen toestemming zal geven om er een medische ingreep van te maken, want er is geen medische noodzakelijkheid voor een vibrerende penis. Daarom moet je naar een tatoeageshop om het apparaat in te laten brengen. Een body modification artist kan het ook voor je doen.’
‘Denk je dat de seks beter zal worden?’
‘Ik denk het wel,’ zegt Rich. ‘Ik denk dat seks ook intiemer zal worden. Zal ik jullie mijn laboratorium in de garage laten zien?’
We gaan naar de garage.
‘Wat is dat?’ vraag ik en ik wijs op een potje.
‘Dat zijn de hersenen van een baviaan,’ antwoordt Rich, ‘iedere krankzinnige wetenschapper moet ergens hersenen in een potje hebben staan.’
‘Werk je eigenlijk fulltime aan de vibrerende penis?’ wil ik weten.
‘Overdag bouw ik meubelen,’ antwoordt Rich, ‘maar misschien ben ik binnenkort de eerste man met een vibrerende penis.’
‘Jij kunt ook een vibrator van je penis laten maken,’ zegt Roos tegen mij. ‘Ik zou het doen, dan kan ik je verbeterd aan je nieuwe vriendin overdragen.’
‘Ik hoef niet te worden overgedragen,’ mompel ik.
Meer en meer heb ik het gevoel dat deze zoektocht naar liefde en seks ook een zoektocht naar eenzaamheid is. Misschien is dat de niet eens zo akelige waarheid van alle liefde, in de verlatenheid van de ander ben je zelf even iets minder verlaten.
‘Hoe lang ben je al bezig met die vibrerende penis?’ vraag ik, vlak voor we afscheid nemen.
‘In 2008 werd ik bio-hacker,’ antwoordt Rich.
De rechten van de begeerte
Was Washington in Utah al een beetje Californië, San Diego is het echt en Californië is toch de plek waar de technologisch verbeterde mens vandaan zal komen. Misschien is je eigen genetisch materiaal hacken een andere manier van schrijven, schrijven met met genen, hoewel je zou kunnen beweren dat alle voortplanting schrijven met genen is.
We logeren op het schiereiland Coronado, nabij San Diego.
Op de hotelkamer krijgt Roos ernstige buikkrampen, ze staat voorovergebogen bij het bed en maakt kreunende geluiden die aan een ziek dier doen denken. Het universum is soms een wrede romanschrijver, kort nadat ik het uitmaakte met Roos ontdekten we dat ze zwanger was. Het eens gewenste kind bleek, wat mij betreft althans, ongewenst. Ik was er bang voor, een overweldigende angst, die veel weg had van paniek.
Roos kreunt en kermt. Ik leg mijn hand op haar hoofd.
‘Wat kan ik doen?’ vraag ik, wetend dat ik niets kan doen. Weinig is zo gruwelijk als niets kunnen aan de pijn van mensen van wie je houdt.
Na ruim een uur nemen de krampen af en gaan we eten.
Tijdens de maaltijd op een terras met uitzicht op zee, we delen een pizza, zegt Roos: ‘Laat mensen van je genieten. Ik gun je dat ondanks wat je mij hebt aangedaan.’
‘Hoe kunnen ze van me genieten?’ vraag ik. ‘Wat bedoel je?’
‘Hang een bord om waarop staat: “Ik ben van niemand en van iedereen. Vrij beschikbaar,”’ antwoordt Roos. ‘Ik gun je iedere week nieuwe inspiratie, elke maand een nieuwe verliefdheid. Ik weet dat ik niet van jou ben, en ik besef nu ook dat ik nooit van jou ben geweest, want jij bent van niemand en van iedereen.’
‘Laten we naar de kamer gaan,’ antwoord ik. ‘De zeewind is koud.’
De buikpijn van Roos weerhoudt ons van onderzoek naar migratie en liefde in San Diego. ‘Ik ben bang dat ik het kindje ga verliezen,’ zegt Roos.
‘Maar je had toch hoe dan ook voor een abortus gekozen?’ antwoord ik.
‘Jij,’ zegt ze, ‘jij had daarvoor gekozen. Ik had nog niks gekozen.’
Misschien klinken mijn woorden harteloos, misschien is het harteloos om over een abortus te beginnen, maar ook de harteloze heeft recht op een verdediging, ik wil me verdedigen met de woorden van David Lurie in Coetzees In ongenade. Ik beroep me op de rechten van de begeerte, ‘op de god die zelfs kleine vogels aan het trillen maakt.’
Vergeven
Een ochtend in april, Ocean View Hotel, Santa Monica, Los Angeles. De nevel is bezig op te trekken, het zal een mooie dag worden.
Roos is bezig te douchen. Ik ben met een handdoek om mijn schouders in mijn koffer aan het zoeken naar kleren. Dan hoor ik Roos roepen.
Ik ga de badkamer in, Roos staat nog onder de douche, ze bloedt hevig, er zitten stukjes weefsel tussen het bloed die vaag doen denken aan platgeperste bosbessen. ‘Het kindje,’ zegt ze en dan begint ze vreselijk te huilen. Ik omarm haar, kan niet anders dan meehuilen, druk haar tegen me aan en vervolgens vraag ik: ‘Kun je me vergeven?’
Later zal ik aan die woorden terugdenken en beseffen hoe gruwelijk het was dat die woorden op dat moment uit mijn mond kwamen, dat ik kennelijk aan niets anders kon denken dan mijn eigen vergiffenis, maar je moet leven met wie je bent en dat is de eenzaamheid.
Huilend in de douche denk ik wat ik dacht toen mijn moeder stierf. Heideggers bekende woorden waren: alleen nog een God kan ons redden. Ik geloof dat alleen nog de literatuur ons kan redden. Dat geloof neemt niet af, het wordt sterker.
Roos maakt foto’s van het bloed op haar voeten. De pijn, het verlies, moet worden gedocumenteerd. Niet omdat dat de zin van de pijn is, maar omdat niet documenteren te veel zinloosheid is.
‘Natuurlijk had ik van het kindje gehouden als je ervoor had gekozen,’ zeg ik.
‘Dat zeg je nu,’ antwoordt Roos.
Ondanks alles is er verbondenheid, liefde zelfs, het lijkt alsof deze reis nooit zal ophouden, alsof we de rest van het leven aan elkaar zijn overgeleverd.
Vanaf nu zullen we alleen nog maar naar het noorden gaan, ongeveer zoals mijn personage Robert Mehlman in Fantoompijn in een limousine naar Canada rijdt. Amerika blijft een uitstekend land om te verdwijnen.
Een keuze tussen leven en dood
Het voornemen om in elke staat relatietherapie te doen wordt onverminderd voortgezet. In Palo Alto belanden we bij Pete en Ellyn, in speciale gevallen doen ze de therapie samen.
De oude vragen worden behandeld, oud en toch nieuw. Waarom heb ik Roos verlaten na een week of drie verliefd te zijn op een ander.
Ik antwoord: ‘Het klinkt dramatisch, maar het voelde als een keuze tussen leven en dood. Bij Roos blijven was sterven, ik koos voor mijn leven, ook al besefte ik dat ik daarmee Roos zou doden. Want dat is hoe zij het voelt. Ik moest uit de gevangenis, al weet ik dat de gevangenis niets of bijna niets met Roos te maken heeft. De gevangenis zit vooral in mijn hoofd, maar dat maakt het ontsnappen niet minder urgent. An sich was onze relatie liefdevol en avontuurlijk. Roos heeft me ook veel vrijheid gegeven.’
‘Jij moet op een gegeven moment altijd weg,’ zegt Roos.
Ik moet denken aan mijn moeder, van wie ik wanhopig veel heb gehouden maar die ik ook als puber intens heb gehaat, zo heb gehaat dat ik haar een keer zo hard op haar oog heb geslagen dat ze naar het ziekenhuis moest, en die ik aan het einde van mijn puberteit heb verlaten ook al meende ik haar daarmee te doden.
Roos herinnert me aan mijn moeder, zij wakkert soortgelijke gevoelens in mij aan, ik voelde mij de gevangene van hun verlatenheid en hun pijn. Ik weet dat mijn gevoel niet de enige waarheid is, maar het pijnlijke aan gevoelens is dat ze de indruk kunnen wekken niets dan waarheid te zijn.
Aan het eind van de sessie zegt Pete tegen mij: ‘Jij komt uit een gezin waar geen plaats was voor jouw pijn, waar dus geen plaats was voor jou. Jij mocht niet bestaan.’
Even zijn deze woorden me te veel, veel te veel zelfs, maar dan lukt het me te zeggen: ‘Ik heb mij naar het bestaan toe geschreven, en daar ga ik mee door. Schrijvend mag ik bestaan.’
Een kwartiertje later staan we op straat, in een keurige buitenwijk.
‘Misschien moet je toch naar die grote pijn van je toe,’ zegt Roos. ‘Ik heb ook veel pijn gekend in mijn leven. Ik heb geleerd pijn niet uit de weg te gaan. Misschien confronteert mijn openlijke pijn jou met de jouwe. Aan mij ontsnappen helpt je niet aan jouw pijn te ontsnappen. Volgens Pete houd je de pijn in stand door te ontsnappen.’
‘Nee,’ antwoord ik, ‘dat willen jullie allemaal, dat ik stop met ontsnappen, maar ik ben altijd sneller geweest dan de pijn. In de literatuur mag de pijn me hebben, erbuiten wil ik blijven wie ik was, Houdini, op het nippertje ontsnap ik altijd weer.’
De oorlog is voorbij
De ontroerende film Ladybird (2017) van Greta Gerwig gaat over eerste liefde, adolescentie en afscheid in het provinciestadje Sacramento, tevens de hoofdstad van Californië, en begint met deze woorden van Joan Didion: ‘Iedereen die spreekt over Californisch hedonisme heeft nog nooit kerstmis in Sacramento gevierd.’
Geleidelijk is Roos bezig mijn ex te worden. We hebben geen seks meer, maar we slapen in hetzelfde bed, als het zo uitkomt douchen we samen, zo nu en dan sla ik een arm om haar heen of woelt ze door mijn krullen. De oorlog is voorbij, de vrede moet nog beginnen. Ze zegt: ‘Op het eerste oog lijkt er niks veranderd, maar de betekenis van alles is veranderd. Jouw arm om mij heen betekent niet meer hetzelfde, jouw “ik hou van je” betekent niet meer hetzelfde.’
Op weg naar Sacramento, waar we met high school sweethearts zullen praten, zwemmen we in een meertje. Ik doe mijn best de nieuwe vrouw uit deze reis te houden, maar na het zwemmen zegt Roos: ‘Ik zie dat je met haar aan het appen bent. Zelfs op de dag dat ik een miskraam had. Het is zo moeilijk dat te negeren, moeilijk om toeschouwer te zijn van jouw dubbelleven. Ik had je die dagen nodig en je was er niet voor me.’
‘Ik was er wel,’ antwoord ik, ‘maar niet 24 uur. Er is geen dubbelleven meer. Je weet alles.’
Als we ons aan het afdrogen zijn, vraagt Roos: ‘Denk je dat zij de plekjes op je rug zal insmeren zoals ik dat altijd heb gedaan?’
‘Dat moet blijken,’ antwoord ik.
Stijve Kyrtus
In een buitenwijk van Sacramento, een halfuurtje rijden van het centrum, bevindt zich de Casa Roble High School. Met hedonisme lijkt deze school inderdaad niets te maken te hebben, eerder met wederopbouw waaraan geen einde komt. De school bestaat uit barakken, er is een groot sportveld, daaromheen de leegte van de buitenwijk van de buitenwijk.
We spreken met Kyrtus (18), hij is gedeeltelijk van Filippijnse komaf en doet hier de pre-militaire training van de luchtmacht, maar hij wil niet bij het leger, hij wil chef-kok worden. Verder vertelt hij dat hij uit een betrekkelijk armoedig gezin komt (low-income family). Zijn manier van spreken is voorkomend, op het stijve af, alsof hij uit een andere tijd komt.
Een jongen met rood haar die bij Kyrtus in de klas zit, vertelt ontspannen dat hij zich al wel bij het leger heeft aangemeld. Hij wil naar Zuid-Korea of Duitsland, maar hij spreekt over het leger alsof hij zich niet kan voorstellen ooit te zullen vechten.
Dan verschijnt Jessica, de vriendin van Kyrtus. Ze is 17, draagt een jurk met horizontale strepen en heeft een bril op. We gaan in een lokaal zitten waar we rustig kunnen praten, de lerares die deze ontmoetingen heeft geregeld is op de achtergrond aanwezig.
‘We hebben elkaar ontmoet in de drive-thru van een Taco Bell,’ vertelt Kyrtus. ‘Toen hebben we snapchatgegevens uitgewisseld.’
‘En wanneer is de relatie begonnen?’ wil ik weten.
‘Er was een moment,’ zegt Jessica, ‘dat we dat hebben uitgesproken.’ Ze straalt een ernstig soort kwetsbaarheid uit.
‘We nemen ministapjes in de richting van de toekomst,’ vult Kyrtus aan, ‘ik was hiervoor in een gecorrumpeerde relatie.’
‘Wat was er gecorrumpeerd aan?’ vraag ik.
‘Ze had niet het beste met me voor,’ antwoordt Kyrtus.
En Jessica vertelt: ‘Mannen hebben me niet goed behandeld. Hij behandelt me wel goed. Hij schuift de stoel voor me aan, hij houdt de deur voor me open. Ik had last van allerlei onzekerheden (self-image issues) maar hij heeft me daarbij geholpen.’
‘Hoe dan?’ vraag ik.
‘Door wat hij zegt.’
‘Ik vind alles aan haar mooi’ zegt Kyrtus. ‘Ook al loopt ze in wijde trainingsbroeken.’
Een ander stelletje komt binnen, Mason en Lainie, allebei 17. Zij draagt een korte spijkerbroek met een blauw T-Shirt, hij een korte broek met daaronder hoog opgetrokken sokken.
‘Wat is liefde?’ wil Roos van Lainie weten.
‘Dat je nerveus bent als je degene ziet van wie je houdt,’ zegt Lainie. ‘Dat je de hele tijd bij hem wilt zijn en dat als je niet bij hem bent dat je hem dan berichtjes stuurt.’
‘Wat doen jullie samen?’ vraagt Roos. ‘En wat is het leukste wat jullie samen doen?’
‘Het leukste wat we samen doen is achter elkaar aanrennen op de speelplaats,’ zegt Lainie.
‘Zonder jullie te willen veroordelen,’ zegt Kyrtus, ‘maar wij doen toch andere dingen, we gaan samen boodschappen doen, we kijken een film, we spelen bordspelletjes thuis.’
Ik denk dat Lainie gelijk heeft, al geef ik toe dat Roos mij eerder op deze reis ‘een puber in de liefde’ heeft genoemd. Hoe oud je ook bent, er moet iemand zijn achter wie je aan wilt rennen op de speelplaats, de rest is bijzaak.
‘Waren jullie elkaars eerste seksuele partners?’ vraagt Roos.
Dat blijkt het geval te zijn, alleen Jessica had al seksuele ervaringen met iemand gehad.
‘En zijn jullie jaloers?’ vraagt Roos.
‘Ik vertrouw hem volledig,’ zegt Jessica, ‘alleen andere vrouwen vertrouw ik niet.’
‘Dat begrijp ik,’ mompelt Roos.
Ik vraag nog aan Mason of Lainie hem ook weleens complimentjes maakt. ‘Dat hoeft niet,’ antwoordt Mason, ‘haar glimlach is het grootste compliment.’
Eigenlijk is Sacramento niet zo vreselijk
We gaan naar buiten om foto’s te maken. Roos vraagt of ze denken voor altijd bij elkaar te zullen blijven. Dat denken ze. Vervolgens wil Roos weten of ze het geen probleem vinden dat ze nooit met iemand anders naar bed zullen gaan. Dat vinden ze geen enkel probleem.
Later bekijken we het Instagram-profiel van Lainie. Ze heeft een fotootje van Mason geplaatst met de woorden: ‘This boy is the love of my life and always will be.’
Daaronder de datum waarop het allemaal begon: 28 juli 2018.
‘Ontroerend,’ zegt Roos.
‘We doen ons hele leven ons uiterste best de sprankeling van de eerste liefde terug te vinden en soms slagen we daarin,’ antwoord ik. ‘Trouwens, eigenlijk is Sacramento niet zo vreselijk. Erg middenklasse, maar dat is misschien het beste decor voor eerste liefde en een gebroken hart. Ging Ladybird daar niet over? Dat je wel naar New York kunt gaan, maar dat Sacramento overal is.’
Deel 4
I’ve been looking for a savior in these dirty streets
looking for a savior beneath these dirty sheets
I’ve been raising up my hands
Drive another nail in
Got enough guilt to start my own religion
Tori Amos – Crucify
Gabriela heeft een huis als een kerk niet ver van Portland, Oregon. De tuin grenst aan een rivier, om het huis weilanden; Sacramento lijkt vanaf hier op een ander, parallel universum.
De deur staat open als we binnenkomen. Gabriela draagt een spijkerbroek en een donkerblauwe trui. Ze is eind vijftig en straalt de energie uit van iemand die van aanpakken houdt.
‘Mijn moeder was een hippie,’ zegt ze, terwijl ze koffie en thee voor ons maakt. ‘Timothy Leary [een Amerikaanse psycholoog die gecontroleerd drugsgebruik propageerde, AG] bracht haar in contact met LSD. We gingen naar Europa om de Beatles na te reizen. Ik ging niet naar school, dat vond mijn moeder onzin. Begin jaren zeventig heb ik in de Melkweg in Amsterdam gewerkt met het hele gezin. Daarvoor hebben mijn moeder en mijn stiefvader een jaar en zeven maanden in Italië de gevangenis gezeten voor drugsgebruik. Ik was toen tien.’
Ze laat ons Italiaanse krantenartikelen zien. Een foto van Gabriela als kind tussen de nonnen die zich over haar ontfermden toen haar moeder in de gevangenis zat. Ze ziet er niet ongelukkig uit, lichtelijk verbaasd misschien maar ook zelfverzekerd.
‘Ik ben eigenlijk altijd polyamoreus geweest,’ vertelt Gabriela terwijl we op de bank in de riante woonkamer gaan zitten. ‘Wat niet wil zeggen dat ik op alles trots ben. Ik trouwde op mijn zeventiende, mijn huwelijksnacht bestond uit een triootje met mijn man en een van mijn oudere zussen. Mijn moeder had allemaal kinderen gemaakt bij verschillende mannen. En met mijn tweede echtgenoot ben ik trouwens zes jaar lang monogaam geweest.’
‘Lang,’ zeg ik.
‘Heel lang,’ antwoordt Gabriela. ‘Maar we hadden allerlei kinderen die we moesten opvoeden. De kinderen waren eigenlijk minnaars genoeg.’
Misschien bedoelt ze dat kinderen je zoveel liefde geven dat je geen affaires meer nodig hebt.
Ze vervolgt: ‘Het was druk. Ik had twee zaken, ik handelde in sieraden en we knapten huizen op die we dan weer doorverkochten. Voor polyamorie, zelfs voor overspel, moet je tijd hebben.’
Squirten kun je leren
Een jonge vrouw loopt langs met wat borden. ‘Ik heb haar tien jaar geleden leren kennen op een erotisch festival dat ik had georganiseerd,’ vertelt Gabriela, ‘je kon er naar erotische poëzie luisteren en sushi van naakte lichamen eten. Zij was toen een sexy, jong, wild katje dat me probeerde te verleiden. Ik heb haar leren squirten (spuitend klaarkomen, AG), in een trainingssessie. Maar we hebben nooit seks gehad. Nu werkt ze af en toe voor me.’
Gabriela praat over squirten zoals een ander over tennis.
‘Het belangrijkste van polyamorie is het gesprek dat je voert,’ vertelt Gabriela. ‘Mensen blijven zoogdieren die emotionele en andersoortige zekerheden zoeken. Je kunt tegen iemand zeggen: ik zal fucking veel van je houden zoals er nog nooit van je gehouden is, maar over twee jaar is het vermoedelijk voorbij. Are you game? Je moet in de polyamorie, en niet alleen daar, altijd weer het gesprek voeren: wat betekent het voor jou?’
Roos, met wie ik deze reis maak en die een kleine vier jaar mijn vriendin is geweest, kijkt naar mij. Ik weet dat ze denkt dat ik niet in staat ben langer dan twee jaar van iemand te houden.
De wetten van het kapitalisme
John, Gabriela’s primaire partner, komt erbij zitten. Hij is haar echtgenoot, samen hebben ze weer andere partners. Hij is 46, zij 59. John komt uit een gezin van zevendedagsadventisten, studeerde theologie om dominee te worden en leefde tot zijn achtentwintigste celibatair, maar viel langzaam van zijn geloof, onder andere door bijeenkomsten waar aan ‘pray the gay away’ werd gedaan. Een goede vriend van John van de middelbare school was homo en John had steeds meer moeite te geloven dat homoseksualiteit iets was wat je door middel van het gebed kon doen verdwijnen, dat het überhaupt moest verdwijnen.
Hij praat zacht en ingehouden, draagt een beige broek en een overhemd. De theoloog in hem lijkt niet te zijn verdwenen.
‘Uiteindelijk bied ik John een product aan dat het beste is, en dat product zijn wij samen. Polyamorie is ook kapitalisme.’
Er vallen allerlei namen van mensen met wie John en Gabriela ook relaties onderhouden, zoveel namen dat het moeilijk is voor de buitenstaander niet de weg kwijt te raken.
‘Natuurlijk is er ook jaloezie tussen ons,’ zegt Gabriela, ‘maar we komen niet in de buurt van verliefdheid, daar blijven we ver vandaan. Hoe dan ook kan John alleen seks hebben als er een emotionele band is, op feesten krijgt hij hem niet omhoog. We daten nu een stelletje, zij komt uit Litouwen, en John heeft een speciale band met haar. Dat is soms moeilijk voor mij. Maar uiteindelijk bied ik John een product aan dat het beste is, en dat product zijn wij samen. Ja, het is kapitalisme. Polyamorie is ook kapitalisme.’
‘Willen jullie nog de tuin zien?’ vraagt John.
We kijken naar de mooie tuin.
‘Ik ben bang om oud te worden,’ zegt Gabriela. ‘Nu ben ik nog verleidelijk. Maar straks?’
‘Daar moet je niet aan denken,’ antwoordt John.
De wetten van het kapitalisme zijn prachtig maar hard. Het beste product van vandaag is het product dat morgen op de vuilnisbelt ligt.
Gabriela laat ons nog meer foto’s van haar jeugd zien. Ik zie nu ook iets van twijfel in haar ogen, een vermoeden van de ondergang: de angst voor de vuilnisbelt.
Degene die onthecht is wint
We rijden naar de hoogvlaktes van Oregon, naar het stadje Burns, waar we zullen jagen, maar ik blijf aan Gabriela denken. Leven doe je tussen de beschadigingen door; wat je niet kunt veranderen buig je om je in voordeel, als je geluk hebt.
De hoogvlakte rondom Burns: steppelandschap, op veel plekken is de aarde door de droogte gespleten, hier groeien slechts struiken. Roos is van plan een haas te doden. Haar bijnaam was ‘de haas’ en als we nabijheid zochten, na een ruzie, of gewoon zomaar, brachten we wat we noemden ‘de hazengroet’. We duwden onze voorhoofden tegen elkaar aan. Het heeft vrijwel altijd geholpen, zelfs op deze reis.
Vlak voor we weggingen, droomde Roos over een zelfportret, zij met een dode haas. Dat zelfportret wil ze nu maken.
‘Je wilt dat vrouwen zich aan je overgeven en je vertrouwen,’ zegt Roos. ‘Je wilt dat zij hun leven met je willen delen, maar eigenlijk wil jij met niemand je leven delen.’
Roos zegt: ‘Jij doodde mij door me te verlaten, nu gaan we een haas doden. En je houdt toch van jagen?’
‘Ik houd van verleiden,’ antwoord ik.
‘Nee, je houdt van winnen,’ zegt Roos. ‘Je wilt dat vrouwen zich aan je overgeven en je vertrouwen, dan heb je gewonnen en verlies je je interesse. Je wilt dat zij hun leven met je willen delen, maar eigenlijk wil jij met niemand je leven delen. Degene die onthecht is wint en dat ben jij.’
‘Misschien wil jij net zo goed winnen,’ antwoord ik.
Een dode haas op ijs
De steppe ziet er zo aanlokkelijk uit, zo onherbergzaam, zoveel plekken waar je kunt verdwijnen.
De jager die ons zal begeleiden heet Justin, hij draagt een spijkerbroek en heeft een petje op.
In de auto zegt Justin: ‘Ik zou geen week met Trump willen doorbrengen, maar ik ga toch weer op hem stemmen.’
We beginnen met schieten op kleiduifjes, wat wel bevalt. Justin merkt op: ‘Meestal zijn vrouwen betere schutters dan mannen omdat ze meer geduld hebben.’
Dan gaan we de steppe in, op zoek naar hazen. We zien er drie of vier. Ik mag ze afschieten maar met bril is scherpstellen moeilijk en tegen de tijd dat ik de haas in mijn vizier heb, is hij alweer verdwenen. Overigens worden de dieren niet gegeten, ze blijven liggen voor de coyotes.
Tegen het lunchuur hebben we nog geen haas geschoten. ‘Daarom noemen ze het jagen en niet doden,’ zegt Justin.
Na de lunch zetten Justin en Roos de jacht alleen voort.
Om een uur of vier appt ze me: ‘Ik heb een haas geschoten. Ik zag alleen zijn oren boven een struik uitsteken. Ik heb maar één schot gelost. Raak. Justin was trots op me. Ik ging naast de haas zitten, kroelde door zijn vacht en moest toen tegen de tranen vechten.’
In de vroege avond komt Roos terug. Een dode haas ligt op ijs in de achterbak. Ik durf de haas amper vast te houden.
‘Dit was een frivole dood,’ zeg ik.
‘Mij na een paar weken verliefdheid verlaten was frivool. Nu voel ik me net als jij, de pijn van een ander gebruiken, misschien zelfs opzoeken, voor de kunst.’
‘Ik gebruik ook mijn eigen pijn,’ antwoord ik.
We rijden naar de steppe voor de foto. Ze drukt de dode haas tegen haar blote bovenlijf. Ze huilt. ‘Zo had ik ons kindje vast kunnen houden,’ zegt ze.
De dode haas, ook dat is de frivoliteit waar ik zoveel van houd, waarvan ik zoveel wil blíȷ́ven houden.
Knuffeltherapie
Alle buitenwijken van Amerikaanse steden lijken op elkaar en in die buitenwijken vind je in vrijwel identieke gebouwen therapeuten. In een buitenwijk van Portland, Oregon, bevindt zich in zo’n onaanzienlijk gebouw het bedrijf Cuddle Up To Me. Zoals de naam doet vermoeden bestaat de therapie hier uit knuffelen. Net als in de vorige staten die we bezochten op zoek naar liefde en seks hebben we ook in Oregon relatietherapie gepland.
Ik noteer de feiten droogjes, de emoties mogen erbij worden gedacht, soms zijn die emoties me dusdanig te veel dat de beschrijving ervan me tegenstaat, of zoals psychoanalyticus Adam Phillips in In onbalans schrijft: ‘Verdriet herinnert ons er ongeveer net zoals seksualiteit aan hoezeer we onszelf te veel zijn.’
Als de pijn je te veel is, ben je jezelf te veel en dan kan knuffelen misschien helpen.
De gediplomeerde knuffeltherapeute heet Joey. Ze draagt een grijs vest, onder haar mutsje komt roze haar vandaan. Vroeger was ze danser, ik schat haar in de dertig. ‘Er komen hier weleens mannen die denken dat ze seks kunnen krijgen,’ vertelt Joey in een klein en rommelig kantoor, ‘maar ik maak ze snel duidelijk dat ze daarvoor aan het verkeerde adres zijn. Bovendien denk ik dat veel mannen die seks zoeken eigenlijk intimiteit willen.’
Ze vraagt wat ons verhaal is en als we dat hebben verteld, zegt ze: ‘Toen ik nog danser was, was ik erg verliefd op een muzikant. Ik werd zwanger van hem, maar hij wilde geen kind, hij wilde zijn vrijheid. Toen heb ik het kind laten aborteren. Die abortus blijft een trauma, dus ik begrijp waar jullie doorheen gaan.’
Dan vraagt Joey of we in staat zijn niet-seksueel met elkaar te knuffelen. We zijn ertoe bereid.
Joey kijkt me aan. ‘Er is een andere vrouw in je leven,’ zegt ze, ‘heeft zij haar informed consent kunnen geven? Weet zij dat je vandaag knuffeltherapie gaat doen?’
‘Dat heb ik haar niet verteld,’ zeg ik, ‘maar ik vermoed dat ze er geen problemen mee heeft.’
De ‘knuffelkamers’ hebben allemaal iets weg van een kinderkamer met een bepaald thema. We mogen kiezen in welke kamer we willen knuffelen. Roos kiest voor de sterrenkamer.
Joey laat met behulp van foto’s een aantal posities zien die we kunnen innemen, bijvoorbeeld de positie ‘mama beer’. Roos zit op het bed, doet haar benen wijd, ik ga tussen haar benen zitten, zo klemt ze me tegen haar aan. We moeten de positie drie minuten vasthouden.
De positie ‘mama beer’ voelt vertrouwd en maakt me slaperig.
Je kunt zeggen dat het treurig is dat mensen naar een therapeute moeten voor een knuffel. Als wij het gewoon vinden dat mensen naar een therapeut gaan om te praten, ‘gehuurde oren’ noemt Foucault dat, kunnen wij ook handen, benen en armen huren, voor niet-seksuele aanrakingen.
Geen onderbroek, rust
In een andersoortige buitenwijk van Portland, eerder een villawijk maar niet protserig, een alternatieve buitenwijk vol met borden waarop staat Black Lives Matter en In Our America All People Are Equal, Love Wins, zit Madison in een achtertuin in een zijden, paarse jurk op het gras. Ze heeft deze tuin geleend van een vriendin om ons uit te leggen wat ecoseksualiteit is. Ze heeft geen onderbroek aan en straalt rust uit.
Op weg hierheen heeft Roos gezegd: ‘Jij denkt dat de pijn voorbij is, omdat de reis bijna voorbij is, maar de pijn moet nog beginnen. Ik gun je dat je ooit echt liefdesverdriet meemaakt, zodat je de waarde van liefde leert kennen. Misschien zou het goed zijn als een vrouw tegen jou zou zeggen: “Fuck you.”’
‘Dank je,’ antwoordde ik, ‘dat is lief.’
Nu zitten we in het gras naast Madison die zegt: ‘Zoals wij hier zitten, dat is al ecoseksualiteit. Je voelt het gras, de zon, je ruikt van alles. Natuur kan prikkelend zijn. Je wisselt energie uit met het levende om je heen. Een orgasme is feitelijk niet anders dan ontlading van je energie. Mensen vragen me weleens: “Is ecoseksualiteit seks met kamerplanten?” Ze hebben zo’n beperkt idee van seks, alsof ik me zou penetreren met een kamerplant.’
We knikken.
‘Vrijwillige seksuele onderwerping en feminisme sluiten elkaar niet uit. Ik word graag bewerkt met een stuk hout.’
‘Kun je die ecoseksualiteit iets concreter maken?’ vraag ik.
‘Je kunt bijvoorbeeld seks in bomen hebben of met bomen,’ zegt Madison. ‘Ik houd ervan in bomen te klimmen en mezelf te bevredigen, een keer heb ik mezelf anaal gefistfuckt in een boom, maar ik houd ook op andere manieren van bomen, ik houd van het hout. Ik ben een feminist, maar ook een masochist, en ik houd ervan me seksueel te onderwerpen. Vrijwillige seksuele onderwerping en feminisme sluiten elkaar niet uit. Ik word graag bewerkt met een stuk hout.’
‘Geslagen worden met een synthetische zweep zou voor jou iets anders zijn?’ vraagt Roos.
‘Ja,’ zegt Madion, ‘totaal anders.’
Ze vertelt dat ze feministische porno maakt, wat wil zeggen dat de acteurs zelf bepalen hoe ze seks hebben en dat de set ‘een veilige ruimte’ is.
Madison komt uit het zuiden van Ohio, uit een religieus gezin. Haar moeder durft het woord ‘vulva’ nog altijd niet uit te spreken. Zelf omschrijft Madison zich als een ‘seksuele revolutionair’. In 2000 begon ze in San Francisco een feministische galerie. Om die te bekostigen speelde ze in pornofilms. ‘Ik heb weleens uitgerekend,’ zegt ze, ‘hoeveel anale seksscènes ik moest spelen om die galerie te kunnen laten draaien.’
Met Madison in het gras zitten en naar haar luisteren heeft iets vertrouwds. Elk oordeel is hier belachelijk. Ze vertelt dat ze twee kinderen heeft, een meisje van acht en een kind van twee, van wie het geslacht nog moet blijken. ‘Momenteel identificeert het zich als haai,’ zegt ze.
‘Ik zal jullie het ritueel laten zien.’ Voor Madison op het gras liggen een dolk, een soort van bakje, een marmeren en een kristallen dildo.
Ze staat op, roept, ‘aaaahh,’ en slaat met de marmeren dildo op het bakje. Vervolgens beweegt ze de dolk sensueel over haar lichaam. Daarna gaat ze masturberen met de kristallen dildo, eerst staand, later zittend in het gras.
Roos maakt foto’s, ik maak aantekeningen.
Als ze is klaargekomen slaat Madison met de marmeren dildo op het bakje en zegt: ‘Dank je, bomen, dank je, zon.’
We praten wat na. ‘Seks is ook magie,’ zegt Madison, ‘met orgasmes kun je regen opwekken als er veel droogte is. Wij mensen hebben geen keus, we moeten aan magisch denken doen.’
Met die woorden neemt ze afscheid van ons. Ik denk dat ze gelijk heeft, dat wij veroordeeld zijn tot magisch denken en dat we allemaal geloven dat ons magisch denken het beste is en uiterst rationeel.
Met jezelf alleen zijn
In Lacey, een slaperig stadje, ruim een uur rijden ten zuiden van Seattle, wonen Dan en Jovita, veteranen. Ze hebben vier kinderen, zijn African-American, en hebben met het leger overal in Amerika en elders gewoond. Ze hebben samen in Afghanistan gediend, hij was ook in Irak.
Binnenkort gaan ze verhuizen naar Georgia. Het huis moet nog worden gevonden. Op een bord in de woonkamer hangt het schema van de verhuizing, er staat bijvoorbeeld: ‘April keuken leeghalen, 15 juni naar hotel.’
Jovita zegt: ‘Zodat de kinderen weten wat ze moeten doen.’
‘Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?’ vraag ik.
‘Ik werkte in een dining facility op een basis in South Carolina, en hij kwam altijd alleen binnen en zag er niet echt uit als een militair. Ik vroeg me af wie hij was. Nu zijn we 23 jaar samen, we hebben samen zes uitzendingen gedaan. Tussendoor ben ik vier keer zwanger geworden.’
Ze lacht.
Hij draagt een blauwe korte broek en rode gympen, daarboven een T-shirt, zij draagt een T-shirt passend bij het zijne.
‘Hoe hebben jullie elkaar en de oorlogen overleefd?’ wil ik weten.
‘In 2010, we waren toen gestationeerd in El Paso, Texas, besefte ik dat ik een fake life leidde,’ vertelt Jovita. ‘We hadden allebei affaires gehad, hij was er weer mee begonnen. We hadden familie op bezoek gehad, we brachten ze naar het vliegveld, hij kwam van de roltrap en ik zei tegen hem: “Pak je spullen en verdwijn. Wat niet in de auto past is van mij.” Hij ging naar een hotel in de buurt. Maar we wilden het de kinderen niet vertellen, dus ’s avonds kwam hij om het eten te maken.’
‘Op een gegeven moment moest ik het hotel uit, mijn creditcard was op,’ vult Dan aan.
‘De kerk heeft ons geholpen,’ zegt Jovia, ‘de dominee zei: “je kunt hem niet voor altijd in dat hotel laten.” We maakten een ruimte in ons huis die we gebedsruimte noemde. Een ruimte waar we konden mediteren, waar we ons veilig konden voelen. We zijn aan onszelf gaan werken, hebben regels opgesteld, je komt niet telefonerend het huis binnen. Als je van de basis komt, ga je eerst twintig minuten met jezelf alleen zijn. We zijn aan de andere kant van de berg uitgekomen en daar zijn we blij mee. Via de kerk zijn we uiteindelijk zelf stelletjes gaan helpen, omdat we zelf door zoveel moeilijkheden heen hebben weten te komen. Maar het was niet makkelijk. Ik weet nog het moment dat ik brak, in het huis van de dominee. Ik viel op de grond, kon niet meer staan. Het waren van die koude tegels. En ik dacht, dit is het, er zijn twee mogelijkheden, ik kan gewoon doorgaan, dan blijf ik gebroken, of ik kan alles veranderen. Ik ben lang een goed functionerende, depressieve robot geweest.’
‘Heb jij gevechtshandelingen gezien?’ vraag ik Dan.
Hij knikt. ‘Kameraden zeggen weleens, waarom heb jij nergens last van, waarom heb jij geen posttraumatisch stresssyndroom? Zo ben ik niet, ik ben praktisch. En ik probeer elke dag dankbaar te zijn dat ik nog leef.’
‘Waarom ben je ooit verliefd geworden op Jovita?’ wil Roos weten.
‘Ze had iets wat ik altijd al had willen hebben,’ antwoordt hij.
Een gelukkig stel, ondanks of misschien juist dankzij alles. Oorlog kan ook verbinden.
De liefde wordt beter
We eindigen de reis in de tuin van Pepper Schwartz, een kleine seksuologe en sociologe met drie grote honden. Ze doet al jaren onderzoek naar seks en relaties in Amerika, en hoewel ze begin zeventig is, doceert ze nog altijd. We zitten aan een grote tafel in haar tuin, soms moet Pepper de mannetjeshonden tot de orde roepen, ze hebben last van territoriumdrift.
‘Is er iets veranderd op het gebied van seks en liefde?’ wil ik weten.
Ze schenkt ijsthee in en zegt dan: ‘In mijn waardensysteem worden dingen beter. Mannen zijn steeds meer bereid over emoties te spreken, hebben meer vrienden, en hebben met hen intiemere banden. De voorspellingen uit de jaren tachtig over steeds meer echtscheidingen zijn niet uitgekomen. Veel mensen zijn vastbesloten de fouten van de babyboomgeneratie niet te herhalen, de liefde wordt beter.’
‘Hoe denk je over polyamorie?’ vraagt Roos.
‘Om dat goed te doen, heb je enorme sociale vaardigheden nodig, te vergelijken met de vaardigheden die je moet hebben om olympisch goud te winnen met kunstschaatsen. De enige die echt goed zijn in open relaties zijn homoseksuele mannen.’
‘Waarom?’ vraagt Roos.
‘Misschien omdat mannen seks en liefde beter kunnen scheiden. Mensen hebben emotionele zekerheden nodig. Als je drie, vier relaties hebt beëindigd, is het de vraag of je nog een vijfde keer door zo’n proces wilt. Natuurlijk zijn er verleidingen, mensen kunnen gecharmeerd worden, ik kan gecharmeerd worden. De behoefte aan zekerheid is echter groot. Ik geloof niet zozeer in monogamie, ik heb geen moreel oordeel daarover, maar ik geloof erg in de zekerheid van monogamie, ik ben een realist. Je hebt risicozoekers, die springen ook in van die eekhoornpakken van bergen af, maar dat is een kleine minderheid.’
‘Wat is er typisch Amerikaans aan de uitkomsten van je onderzoek?’
Pepper denkt even na. ‘Amerikanen hebben hoge verwachtingen, ook van liefde en seks, en ze denken dat ze recht hebben op die hoge verwachtingen.’
Pepper begeleidt ons naar haar voordeur samen met de drie honden. Er staat een sportauto voor de deur die uitstekend bij Pepper past.
Verdwijnen blijft een droom
Voor we terugvliegen wil Roos een rozenstruikje planten als herinnering aan het kindje dat we verloren door de miskraam. De receptioniste van ons hotel aan wie we het verhaal hebben verteld, heeft gezegd dat we het rozenstruikje in haar tuin kunnen planten. Ze had tien jaar geleden zelf een kindje verloren aan wie ze nog vaak denkt.
Als we naar haar dorp rijden in de heuvels van de staat Washington besef ik dat door deze reis in elk geval meer van Amerika ben gaan houden. De verlatenheid van het landschap buiten de grote steden weerspiegelt onze eigen verlatenheid, en in die lege landschappen vind je overal meer of minder beschadigde mensen die in de leegte een thuis hebben gevonden of iets wat daarvoor doorgaat.
Ooit wilde ik in de tekst verdwijnen, je kunt ook in Amerika verdwijnen, verdwijnen blijft een droom. Ook als het om de liefde gaat: als alle liefde het risico én het ideaal in zich bergt van verslinden en verslonden worden, dan is verdwijnen inherent aan die liefde; verslonden worden is verdwijnen en niet verslonden worden, dat wil zeggen vertrekken, is ook verdwijnen.
Tussenkopje
In de tuin van Valerie graaf ik een gat in de grond. Het is een mooie dag in de lente van 2019, ik draag net als Roos een korte broek.
‘Wil je nog iets aan het kindje schrijven?’ vraagt Roos. ‘Het kind waarvoor we ooit namen hadden bedacht, van wie ik zoveel houd, dan kunnen we dat briefje in de grond stoppen.’
Ik schrijf: ‘Lief kind, sorry dat we je hebben gemaakt. Sorry dat we je uiteindelijk niet hebben gemaakt. Liefs, kus, Arnon.’
Roos schrijft: ‘Lieve Zelda of Ofer, ik denk dat je Zelda was geweest, zo stelde ik me je voor. Over een paar jaar zou je met roodgoude krullen en een ernstige blik een steen hebben opgetild en naar de mieren hebben gekeken. Het spijt me zo dat we je nooit hebben kunnen vertellen hoe graag we je wilden, hoe welkom je was. Het lot speelt soms een wreed spel en het spijt me dat jij daar slachtoffer van bent geworden. Had ik maar eerder geweten hoe lief je me was, misschien was mijn lichaam dan een veiliger thuis voor je geweest.
Ik mis het je in me te voelen.
Als ik naar mijn handen kijk zie ik de holte waar jij in had kunnen liggen. Een holte waar ik altijd omheen zal moeten blijven dansen.
Ik stel me voor dat over een paar jaar deze struik in bloei staat en er een hertje of een haas aan je komt snuffelen. Misschien komt de vos zelfs wel excuses brengen. Ik zal je nooit vergeten. Je Roos.’
We blijven nog even staan, we houden elkaar vast. Even voelt het alsof deze reis nooit moet eindigen. Veel meer nog dan mijn tijd met het Amerikaanse leger in Irak, mijn tijd met het Nederlandse leger in Afghanistan, mijn tijd in het slachthuis, mijn tijd in een psychiatrische inrichting, heeft deze reis me geleerd dat leven beschadigen en beschadigd worden is. Wij zijn elkaars litteken, ook dat is liefde. ‘Zullen we over we een paar jaar terugkomen naar deze tuin,’ zegt Roos. ‘Om naar het rozenstruikje te kijken.’
Ik knik. Dan zeg ik: ‘Mijn moeder zei altijd voor ik op reis ging: “Ga in vrede.” Wat ik nu nog tegen je zou willen zeggen is: ga in vrede, lieve Roos.’
Deze reportage is door Roos meegelezen en met haar toestemming gepubliceerd. Ik besef dat dit ook haar verhaal is en dat ik, zoals zij het stelt, haar ervaringen niet volledig recht heb kunnen doen.






Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.