‘Mohamed, hier komen, je hebt les!’ Een kleine jongen, kort haar, ondeugende blik in zijn ogen, steekt zijn hoofd om de hoek van de gang waardoor hij recht in de ogen van Henk Jongkind kijkt. Tevergeefs probeerde hij aan de aandacht van deze leraar Nederlands te ontsnappen. Henk Jongkind is een van de meest ervaren leraren op het van oorsprong christelijke Calvijn met Junior College in Amsterdam-West. Vroeger doceerde hij in ditzelfde gebouw over de invloed van Aristoteles op het werk van Vondel. Maar de Nederlandse kinderen die toen havo of vwo deden, verdwenen langzamerhand. Hun plaats werd ingenomen door leerlingen met wortels in landen als Marokko, Turkije, Suriname of de Dominicaanse Republiek. Door hun taalachterstand waren de bestaande opleidingen te moeilijk, waardoor de school eerst het vwo en later de havo moest afstoten. Het Calvijn werd een vmbo, met niet altijd de makkelijkste leerlingen. Door die transformatie kregen leraren in een periode van vijftien jaar een volstrekt andere groep leerlingen in hun klas. Niemand die daarop was voorbereid. De scholen, de politiek, de leraren, ze reageerden alsof deze demografische aardverschuiving een natuurverschijnsel was waar ze geen invloed op konden uitoefenen.

Henk Jongkind koos er bewust voor om op het Calvijn les te blijven geven. Als eerste kind uit een arbeidersfamilie dat naar het gymnasium ging, voelde hij verwantschap met deze leerlingen. Via goed onderwijs zouden alle Mohameds en Fatima’s snel emanciperen, verwachtte hij.

Nu is Jongkind de zestig gepasseerd, komend jaar gaat hij met vervroegd pensioen. De laatste jaren werd van de leraren verwacht dat ze op een andere manier les gingen geven – beter aansluitend bij de leerlingen. Daar had Jongkind weinig moeite mee, maar als hij zag hoe tergend langzaam en moeizaam het veranderingsproces binnen de school verliep, werd hij wel eens somber. Waarom wilden docenten – van nature weinig veranderingsgezind – alles bij het oude houden? En waar bleef die nieuwe school die was beloofd?

Advertentie

Advertentie

Toch is Jongkind voorzichtig optimistisch. ‘Ik zie krokusjes,’ zei hij vorige week in de lerarenkamer voordat zijn eerste les begon. De jonge collega’s zijn fit en veerkrachtig, vertelde hij. Als zij de anderen kunnen meekrijgen, wordt het voorgoed lente in het Calvijn.

Jaloers op uitzonderingspositie

De afgelopen vijf jaar is er hard gewerkt om het Calvijn College uit het slop te halen. Vrij Nederland berichtte eerder over de royale hulp daarbij van onder meer ING en ABN-AMRO en over de pogingen van de gemeente om meer invloed op het onderwijs te krijgen. Officieel gaat wethouder Lodewijk Asscher alleen over het gebouw, maar volgens hem is de gemeente ook medeverantwoordelijk voor de leerlingen, ‘jongeren uit deze stad’. De gemeente investeerde de afgelopen jaren bijna een miljoen euro in het Calvijn.

Interim-directeur Eric ten Hulsen schrok bij zijn aantreden in 2008 vooral van de starheid van de leraren: ‘Ze blijven te lang op een school, zodat het gevaar van cynisme dreigt.’ Jolanda Hogewind, ervaren in het onderwijs, begon na het vertrek van Ten Hulsen op 1 oktober 2009 vol optimisme aan haar baan als directeur. Ze had echter niet gerekend op de grote druk vanuit het machtige Amarantis-apparaat, dat een scholengroep bestuurt met dertigduizend leerlingen, waaronder het Calvijn College valt.

Hogewind besteedde veel van haar tijd aan vergaderingen met andere schooldirecteuren, van wie sommigen jaloers waren op de uitzonderingspositie van het Calvijn. En binnen de school bleek zelfs de basis – het absentiesysteem, de jaarkalender, de zorgstructuur – nog niet up-to-date. Inmiddels heeft Hogewind zich gerealiseerd hoe noodzakelijk haar fysieke aanwezigheid op school is. Geheel volgens de gedachte van Lodewijk Asscher dat schoolbestuur en gemeente moeten samenwerken, wordt ze bijgestaan door Marlies Otte, een buitengewoon stevige onderwijsadviseur, gedetacheerd door de gemeente.

Stoom uit de oren

Van het lerarencorps dat ik aantrof toen ik het Calvijn in 2003 voor het eerst bezocht, is nog een handjevol over. Nu Hogewind Mohamed el Jaouhari (32) en Sofyan Mbarki (26) – beiden van Marokkaanse komaf – in haar managementteam heeft opgenomen, is de top geheel vernieuwd.

Hun aanstelling is het meest revolutionaire verschil met een aantal jaar geleden, toen er nauwelijks docenten waren met een niet-Nederlandse achtergrond, laat staan dat ze deel uitmaakten van de directie. Het lijkt een meesterzet om deze gedreven mannen – perfecte rolmodellen die nauw contact hebben met de leerlingen – de toekomst te laten bepalen.

El Jaouhari, leraar Engels, werd unaniem voorgedragen door de leraren. Dankzij zijn bescheiden opstelling, zijn betrokkenheid en charismatische uitstraling kan hij iedereen overtuigen. Hij heeft een scherpe herinnering aan de bijeenkomst bijna vijf jaar geleden, waarbij het schoolbestuur, Job Cohen (toen nog burgemeester), Ahmed Marcouch (toen nog stadsdeelvoorzitter) en vele anderen in de aula bij elkaar zaten om te praten over de verloedering van de school. De discussie onder leiding van Felix Rottenberg was confronterend en leidde tot keiharde afspraken, waaronder de belofte van een nieuw gebouw. Rottenberg riep de commissie Nix in het leven, het schoolbestuur en de gemeente moesten onder zijn leiding tot concrete afspraken komen.

Bij alle aanwezigen kwam de stoom uit de oren, zo verhit ging het eraan toe. Toen bijna iedereen vertrokken was, stond een groepje jonge leraren na te praten. Onbekommerd, fris, vol energie. Een van hen was El Jaouhari. ‘Ik vond het een geweldige middag, ik dacht: nu gaat het gebeuren. Achter mijn rug hoorde ik cynische opmerkingen van collega’s die voorspelden dat er niets zou veranderen, er werd hun al jaren van alles beloofd.’ El Jaouhari wachtte niet af en besloot zich overal mee te gaan bemoeien. Hij was een van de organisatoren van het eerste schoolfeest in jaren en hij straalde die feestmiddag vooral rust uit. Hij hoefde nauwelijks in te grijpen in de aula vol enthousiast hossende jongens en meisjes. Het feest moest wel om zes uur ’s middags afgelopen zijn – zo konden de meisjes erbij zijn en was er weinig aanleiding om te gaan rellen. El Jaouhari is geboren en getogen in een groot gezin in Amsterdam-West, hij weet hoe argwanend ouders kunnen zijn in een wereld zonder houvast waardoor ze hun kinderen laten ontglippen. Door er op gepaste afstand wel voor de leerlingen te zijn, wilde hij ze in beweging krijgen.

Voor Sofyan Mbarki geldt hetzelfde als voor El Jaouhari. Hij studeerde management en recht, gaf les op een havo in Amsterdam-West en legde bijvoorbeeld voetbalveldjes aan: ‘Ik moet altijd een paar dingen tegelijk doen.’ Net als El Jaouhari gelooft hij niet in zachte heelmeesters. ‘Dat de leerlingen het thuis moeilijk hebben, kan hun toekomstige werkgever ook niets schelen. Het mag geen excuus zijn om te laat te komen of je huiswerk niet te maken.’

Het is niet de materiële armoede van leerlingen die Mbarki zorgen baart; vaak dragen ze dure merkkleding en krijgen ze van thuis al het geld dat ze willen. Het is vooral de lusteloosheid van deze generatie die hem dwars zit. Rondhangen en verwachten dat anderen je je toekomst op een presenteerblaadje aanreiken. De welvaart is een grotere dreiging dan het gebrek aan geld, vindt hij. ‘Als leerlingen zich lamlendig gedragen, ga ik de confrontatie met ze aan, ze moeten zelf hun problemen leren oplossen. Dat kunnen ze nu onvoldoende.’

Mbarki en El Jaouhari gaan per definitie niet uit van zieligheid. Leerlingen zijn op school om te leren, elkaar te corrigeren, ze zijn zelf verantwoordelijk voor hun toekomst en dat uitgangspunt moet hun worden bijgebracht. Structuur, discipline en zelf verantwoordelijkheid nemen, daar geloven El Jaouhari en Mbarki in.

Egyptische toestanden

In de vierde klas waar Felix Rottenberg en ik op verzoek van El Jaouhari en Mbarki vandaag gastlessen geven in politiek en journalistiek, is van die discipline nog weinig te merken.

Klopt, zegt El Jaouhari later: ‘We zijn begonnen om de lagere klassen die structuur bij te brengen.’

Sommige leerlingen hebben hun jas nog aan, anderen luisteren naar muziek of zitten te sms’en. Ik geef het lesgeven al na vijf minuten op. Ik probeer iets te vertellen over de verhalen die ik over hun school maakte, het boek Onzichtbare ouders dat ik over het Calvijn schreef, maar ik zit duidelijk niet op het goede spoor, heb niet de juiste toon. Ik krijg geen antwoord op de meest eenvoudige vragen. Tegen zoveel weerstand, verveling en bot gedrag kan ik niet op en achteraf is dat natuurlijk precies wat ze wilden bereiken. Ik voel me opgelaten en misplaatst en maak een elegant bruggetje naar de dag van vandaag, 2 maart, de verkiezingen voor de Provinciale Staten. Felix neemt het gelukkig van me over. Hij wil weten of iemand de naam van de premier kent.

Stilte.

‘Wat vind je van deze school?’

‘Niet goed,’ zegt een jongen.

Felix, ijsberend, geconcentreerd, rechterhand in zijn zak: ‘Hoezo, waarom?’

In koor: ‘De leraren leggen niet goed uit, ze zijn niet aardig.’

Of er een uitzondering is, vraagt Felix. Die blijkt er te zijn, meester Hugo de Fauwe, hij geeft Engels.

‘Hij legt goed uit en dan snappen we het.’

Na deze ontboezeming zakt de stemming weer, de weerstand blijft. ‘Ik word niet door jullie gestimuleerd,’ constateert Felix die iedere strohalm aangrijpt om tot een gesprek te komen. Om tien over half tien gaat de deur open, de zoveelste leerling die te laat is, ze gaat bij gebrek aan een stoel bij een medeleerling op schoot zitten.

‘Wat is dit?’ vraagt Felix. Hij wijst haar waar nog een lege stoel staat en vraagt haar erop plaats te nemen. Ondertussen komt iemand van de administratie binnen die wil weten of er leerlingen absent zijn. Felix vraagt of hij dat samen met de leraar buiten op de gang wil afhandelen. Daar blijft het rumoerig, leerlingen rennen over de gang. Felix spreekt later over ‘Egyptische toestanden’.

Vijf minuten later nog een laatkomer – het is inmiddels een halfuur na aanvang van de les.

Nu pikt Felix het niet meer: ‘U bent te laat, gaat u de gang maar op.’

Een deel van de klas toont nu ontzag voor Felix en gaat in op zijn vragen. Ze willen korter les, zeggen ze. Want school is stom. Aan eind van het uur vertellen een paar leerlingen wat ze willen worden: onderwijsassistent, apothekersassistente, en een meisje wil een beautysalon beginnen in Amsterdam-Zuid.

Brave leerlingen

In de tweede klas waar we vervolgens naartoe worden gebracht, vermoeden de leerlingen dat Balkenende nog steeds premier is. Televisie kijken ze weinig; De Wereld Draait Door, waar Felix vaak te gast is, kent bijna niemand. Degenen die het wel hebben gezien, vinden het saai: ‘Ze praten te veel en te snel.’ Parate kennis ontbreekt ook hier, maar verder verschillen ze in alles van de vierde.

Er heerst orde, alle jassen zijn uit, er is geen mobiele telefoon te zien. Ze luisteren geïnteresseerd naar Felix’ verhaal over de verkiezingen en als Felix vraagt wat ‘gedogen’ betekent, antwoordt een leerling na lang nadenken: ‘Iets toelaten wat eigenlijk niet mag.’

Van de leerlingen zijn alle ouders in het buitenland geboren. De PVV zien ze als een bedreiging: ‘Dat is de partij die moslims en allochtonen uit het land wil zetten.’

Felix: ‘En wie zit er in het kabinet?’

‘De PVV en de PvdA.’

Deze leerlingen willen over tien jaar motoragent, piloot, timmerman en kinderarts zijn.

In de eerste klas tenslotte heerst een constructieve sfeer: brave leerlingen die hun huiswerk maken en die allemaal verder willen leren.

Felix is moe, en met deze leerlingen durf ik de leiding wel weer van hem over te nemen. Ze luisteren niet alleen aandachtig, ze vertellen ook precies wat hun dwars zit. Ze willen trots zijn op hun school, zeggen ze, maar dat is niet makkelijk als medeleerlingen zich misdragen. ‘De school is vies, iedereen laat eten vallen en kijk maar, hier op de muur staat het woord hoer geschreven. Alleen in een verzorgde klas kun je toch goed leren?’ Een ander: ‘Daar zijn we allemaal verantwoordelijk voor. We kunnen de leraren toch moeilijk de schuld geven? Of de schoonmakers?’

Een meisje windt zich op over het soms intolerante klimaat: ‘Als ik met een jongen sta te praten, word ik meteen voor hoer uitgemaakt, dat is toch niet normaal.’ Bitter: ‘Zoiets zou op een havo of een vwo nooit gebeuren.’

Excellente leraren

Het verschil tussen de klassen zit hem er volgens El Jaouhari en Mbarki in dat de vierdeklassers alleen maar denken: ‘Doe je kunstje, entertain me maar.’

Mbarki: ‘Hun doel was om er zo ongeïnteresseerd mogelijk bij te zitten.’

El Jaouhari: ‘Onverschillig en passief.’

Mbarki: ‘Ze willen geen contact, ze willen niet leren, maar als het toch lukt om contact te krijgen, eten ze uit je hand.’

De eerste klas wordt streng begeleid door El Jaouhari, hij was een tijdje hun mentor. ‘Je ziet bij hen hoe goed discipline en structuur kunnen werken. De afspraken zijn niet alleen helder, we houden ze er ook aan.’

Op tijd komen, jassen uitdoen, mobiele telefoons opbergen, aan die eenvoudige regels moeten de leerlingen worden gehouden. Het is aan de leraar om de regels te handhaven, maar alleen de goeie brengen dat kennelijk op. Om dat verder te stimuleren, wil het Calvijn leraren die ‘excellent’ zijn, die extra goed presteren, in de toekomst extra belonen. Dat adviseerde de Onderwijsraad onlangs in de hoop zo de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren.

Zwarte gewaden

De afgelopen jaren waren er regelmatig botsingen tussen de gemeente en het schoolbestuur. Lodewijk Asscher stond soms lijnrecht tegenover Bert Molenkamp, voorzitter van het college van bestuur van Amarantis. Een machtsstrijd, een gevecht om territorium waarbij niemand de winnaar zou moeten zijn, omdat beide mannen een hoger doel dienen: het verzorgen van goed onderwijs. De botsingen hebben uiteindelijk geleid tot een iets soepeler verstandhouding. Molenkamp zegt nu hardop dat de school zonder de steun van de gemeente en het ingrijpen van de commissie Nix niet meer had bestaan. Het Calvijn is misschien niet het icoon van West geworden waar Felix Rottenberg en ik op hadden gehoopt, maar het is wel een goede school die bruist, met een directeur die het zwaar heeft maar die niet opgeeft.

De Brede School waardoor de leerlingen langer op school zitten, huiswerkbegeleiding krijgen, op excursie gaan, is zijn derde jaar ingegaan en draait beter dan ooit tevoren.

Natuurlijk gaan er ook dingen mis. Een klas werd een keer wegens wangedrag het Amsterdams Historisch Museum uitgezet tijdens een educatief uitje en vorig schooljaar waren er op school wel eens vechtpartijtjes en werd er een keer brand gesticht waarop de school moest worden ontruimd. Wat het enthousiasme van Mbarki en El Jaouhari soms tempert, is de houding van de leraren. ‘Sommigen zijn zo negatief,’ zegt Mbarki. ‘In die negativiteit gaat veel energie zitten en dat is zonde, we moeten toch samen de problemen oplossen.’

Het aantal aanmeldingen voor school stijgt weer na een korte dip. ‘Ik ben een koopman en een dominee,’ zegt Hogewind lachend als ze vertelt dat ze in gesprek is met het bestuur van het Islamitisch College dat zijn deuren van minister van Bijsterveld moest sluiten. Zij zou de overgebleven leerlingen graag huisvesten, ook degenen die hebben aangegeven om religieuze redenen thuisonderwijs te willen volgen. ‘Wij vieren op deze school al Suikerfeest en het eten in onze kantine is halal. Dan is er nog de kwestie van apart gymnastiek voor jongens en meisjes, dat zouden we moeten bekijken.’

El Jaouhari en Mbarki vinden het een goed idee om de leerlingen van het ICA op het Calvijn verder te helpen. Hogewind vindt het zelfs haar plicht als schooldirecteur. ‘Die kinderen moeten toch les krijgen? Andere scholen zijn niet zo happig, ze hebben geen zin in “al die zwarte gewaden”.’

De discussie over zwarte en witte scholen speelt niet op het voor negenennegentig procent zwarte Calvijn. Natuurlijk was het beter geweest als het Calvijn een gemengde populatie zou hebben, zegt Hogewind. Maar net als minister Van Bijsterveld gaat ze om praktische redenen uit van de gegeven situatie: ‘Ik wil gewoon een goeie school voor deze leerlingen. Inmiddels loopt de leerlijn door van vmbo naar mbo, dit wordt een prachtig beroepscollege.’

En dat nieuwe gebouw dat jaren geleden was beloofd, komt dat er nog? Doordat er zoveel partijen bij betrokken waren (de woningcorporatie, de gemeente, het stadsdeel, het schoolbestuur) liepen de plannen voortdurend vertraging op. Maar nu ligt het geld eindelijk op tafel: de gemeente stelt tien miljoen beschikbaar. Nu kan Amarantis aan de gang.

Met dank aan Felix Rottenberg.