In het vlakke, door kaarsrechte wegen doorsneden polderland ten westen van Zeewolde draaien overal waar je kijkt de wieken van hoge windturbines. Uit een ruige houtsingel rondom een erf steekt een ouderwets exemplaar. Zo eentje met twee wieken, klein naar huidige maatstaven, maar als je eronder staat toch ook indrukwekkend. Eenmaal op het erf achter de houtsingel is van de uitgestrekte onherbergzaamheid van de polder weinig meer te merken. Tussen de koeienstal en de boerderijwinkel lopen jongens in overall, er rijden jonge vrouwen te paard, een stel zit te roken op een picknickbank naast een kas met aardbeienplanten. Via een laantje met notenbomen kom je langs een langgerekt woonhuis en een manege. Boer Piet van IJzendoorn (1948) gaat voor naar een houten bedrijfsgebouw waar het naar versgebakken brood geurt en broden op rekken liggen uit te dampen. ‘Hier wordt van het graan van onze akkers brood gebakken dat vervolgens het land in gaat, naar biologische winkels, restaurants en...