Dit jaar won de Amerikaanse econoom Melissa Dell de John Bates Clark Medal, een onderscheiding voor Amerikaanse economen onder de veertig. Het is een exclusieve prijs, haast nog exclusiever dan de Nobelprijs, omdat deze onderscheiding slechts één persoon ten deel valt. Eerder al is Dell door The Economist uitgeroepen tot een van de beste economen van het afgelopen decennium. Want Melissa Dell kan dingen met data waar menig econoom jaloers op is.
Haar eerste werk publiceerde ze in 2010, toen ze nog student was aan Harvard. Het was direct baanbrekend. Het draait om het door de Spanjaarden opgelegde koloniale systeem (Mita) in Peru, waarbij tussen 1573 en 1812 een zevende van alle oorspronkelijke bewoners gedwongen werd om in de zilver- en kwikmijnen van het land te werken. Maar niet overal: in sommige delen van het land woonden rijkere eigenaren op haciendas, die de macht hadden om te lobbyen voor goede wegen en andere infrastructuur.
Dells onderzoek laat zien dat eeuwen na het vertrek van de Spanjaarden uit Peru hun koloniale bewind nog altijd funeste gevolgen heeft voor de lokale economie. De mita-delen van Peru zijn armer, de wegen ernaartoe slechter, investeringen zijn achtergebleven. Op de vraag waarom bepaalde delen van de wereld, zoals Peru, arm waren en zijn gebleven, had econoom Dell nu een antwoord. Door het koloniale bewind van liefst 450 jaar geleden.
Als je stelt dat bepaalde delen van de wereld armer zijn door het koloniale bewind, valt dan ook te stellen dat andere delen van de wereld daardoor rijker zijn?
Onomstreden is het niet, Dells idee dat ze, met een blik tot ver terug in de tijd de verregaande ongelijkheid anno 2020 kan verklaren. Vernieuwend is het wel − vandaar de onderscheidingen die haar ten deel vallen. Maar haar conclusies roepen ook vragen op. Want als je, in navolging van Dell, stelt dat bepaalde delen van de wereld consequent armer zijn dan andere door het koloniale bewind dat er heeft geheerst, valt dan ook te stellen dat andere delen van de wereld rijker zijn door datzelfde bewind? Dat oud-koloniale heersers vandaag de dag nog een soort koloniaal dividend ten deel valt, omdat ze vierhonderd jaar geleden elders in de wereld landen hebben bezet, volkeren hebben uitgebuit en grondstoffen hebben meegenomen?
Een land als Nederland bijvoorbeeld?
Vrij Nederland deed middels historisch bronmateriaal en bedrijfsbiografieënonderzoek naar de twintig grootste bedrijven van Nederland om na te gaan in hoeverre het bedrijf of rechtsvoorgangers van datzelfde bedrijf bij de oprichting profiteerden van het koloniale systeem. (Zie voor een uitgebreide verantwording onderaan.)
Mondiale ongelijkheid
Toen Britse instellingen deze zomer hun excuses aanboden voor hun aandeel in de slavernij, reageerde de voorzitter van de Caricom-landen (de landen in het Caribisch gebied, plus Suriname en Guyana) gemengd. ‘Sorry is niet genoeg,’ aldus Caricom-voorzitter Hilary Beckles. Het gaat hem niet primair om herstelbetalingen. ‘We zijn geen bedelaars die op de hoek van de straat om een cheque vragen,’ zei hij tegenover persbureau Reuters. ‘Het geld is secundair. Waar het om gaat, is dat westerse landen een morele plicht hebben om bij te dragen aan ontwikkeling, binnen de markteconomie die we hebben.’
Had de slavernij niet plaatsgevonden, schrijft Nunn, dan had een groot deel van de economische ongelijkheid niet bestaan.
Voor Beckles is de zaak helder. Het Britse bedrijfsleven profiteerde financieel volop van de slavernij, met verregaande gevolgen voor de zwarte gemeenschap vandaag de dag: die is nu, overal ter wereld, nog altijd economisch slechter af door deze geschiedenis. En Engeland is rijk.
Het idee dat het kolonialisme het Westen rijker heeft gemaakt en de gekoloniseerde landen armer, is op zich niet nieuw. Wel betrekkelijk nieuw is dat een relatief jonge groep wetenschappers, zoals Melissa Dell, een dergelijk idee baseert op economisch onderzoek. Uit historische cijfers worden conclusies getrokken die vele eeuwen omspannen. Zo laat mede-Harvardeconoom Nathan Nunn zien dat Afrikaanse landen armer zijn door het slavernijverleden. Had de slavernij niet plaatsgevonden, schrijft Nunn, dan zou een groot deel van de economische ongelijkheid tussen Afrikaanse landen en de rest van de wereld simpelweg niet hebben bestaan. Mondiale ongelijkheid is te verklaren, en wel vanuit het koloniale verleden.
(tekst loopt door onder afbeelding)
Vakkundig leeggetrokken
Ook Nederland als economisch doorvoerland, met een internationale blik en een voorliefde voor de financiële wereld, werd geboren in de 17de en 18de eeuw, zegt historicus van het IISG (International Institute of Social History: IISG) Pepijn Brandon.
‘Uit onderzoek dat ik deed met Ulbe Bosma bleek dat in 1770 liefst 19 procent van alle waren die de Nederlandse havens in- en uitgingen, in de Atlantische wereld werden geproduceerd. De discussie vernauwt zich vaak tot een zoektocht naar bedrijven waarvoor slavernij het startkapitaal was. Terwijl er wat mij betreft veel breder gekeken moet worden, want het is onmogelijk na te gaan waar elke euro die een rechtsvoorganger van een bank als ABN Amro verdiende aan de slavernij, precies eindigde.’
De Nederlandse havens werden hét knooppunt voor suiker en koffie – en nog altijd is Amsterdam ook ’s werelds grootste cacaohaven. ‘De vraag is niet hoe het komt dat Nederland een handelsknooppunt was, maar hoe we het zijn gebleven,’ zegt Brandon. ‘Handelsknooppunten komen en verdwijnen, kijk maar naar Venetië. Dat Nederland economisch zo belangrijk bleef, was voor een heel groot deel te danken aan de koloniale handel.’
Veel van de opbrengsten die Nederland midden 19e eeuw economisch op de been hielden, kwamen uit gedwongen arbeid in Indonesië
‘Ik durf wel te stellen dat geen enkele kolonie zo vakkundig is leeggetrokken ten faveure van het moederland als Indonesië,’ zegt Ewout Frankema, hoogleraar aan de Wageningen Universiteit. Frankema deed als ontwikkelingseconoom uitvoerig onderzoek naar de economische gevolgen van het koloniale bewind in onder meer Congo en Indonesië. De opbrengsten van deze twee landen voor het koloniale moederland bleken gigantisch. ‘Dat valt cijfermatig ook te onderbouwen. De Nederlandse overheidsfinanciën stonden begin 19de eeuw op het randje van de afgrond, wij waren toen het Italië van Europa.’
Dat het niet van dat randje viel, is te danken aan het cultuurstelsel in Indonesië, waarbij Indonesiërs gedwongen werden een deel van hun opbrengsten af te staan aan de koloniale heerser. Frankema: ‘In Nederland konden de accijnzen op zaken als brood daardoor omlaag. Daar profiteerde de gewone man van. Maar ook grotere infrastructurele projecten, zoals wegen en kanalen, werden dankzij dat geld aangelegd. Zonder die inkomsten uit Indonesië had Nederland lang niet zo’n sterke economie kunnen behouden en had de bevolking steeds hogere belastingen moeten betalen.’
De bijdrage uit Indonesië aan het nationaal inkomen was midden 19de eeuw groter dan de bijdrage van de hele West Indische Compagnie, zegt Frankema. Historicus Matthias van Rossum toonde daarbij recentelijk aan dat het aandeel slavernij in Indonesië veel en veel groter was dan tot op heden aangenomen − misschien wel net zo groot als in de westelijke koloniën. Veel van de opbrengsten die Nederland in die jaren economisch op de been hielden, kwamen uit gedwongen arbeid in Indonesië.
Financiële dominantie
Na onderzoek en gesprekken met tientallen historici en economen rijst het beeld dat Nederland op twee concrete punten nog altijd baat heeft bij zijn koloniale verleden.
Om te beginnen is de dominantie van de financiële sector in Nederland volgens wetenschappers verbonden met de belangrijke positie die Amsterdam al had in de 17de eeuw, als financieel dienstencentrum. Investeringen in plantages en andere aan slavernijgerelateerde diensten waren destijds aan de orde van de dag. Uit onderzoek van Vrij Nederland bleek eerder dat ook rechtsvoorgangers van Nederlandse banken, zoals ABN Amro en ING, profiteerden van de handel in slavernij. Ook grondleggers van De Nederlandsche Bank waren daarbij betrokken. Nederland heeft nog altijd een van de grootste financiële sectoren in de wereld − volgens cijfers van de Europese Centrale Bank bedraagt de som van de balansen van alle Nederlandse banken anno 2020 bij elkaar meer dan vier keer het Bruto Nationaal Product.
Maar die financiële dominantie is er dus niet zomaar, zegt historicus Pepijn Brandon. ‘Dat Nederland nu nog altijd zo’n grote financiële sector heeft, kun je niet los zien van de geschiedenis. Ook de financiële innovaties, beleggingsproducten, stammen uit die tijd.’
Compensatiegelden
Ook de opkomst van multinationals is onlosmakelijk verbonden met het koloniale verleden. In zijn artikel ‘Colonialism’s Enduring Dividends: Why European Companies Have an Advantage in Emerging Markets’ in Foreign Affairs beschreef econoom Bhaskar Chakravorti, hoogleraar aan de Amerikaanse Tufts University, in 2014 hoe vooral Europese multinationals in opkomende markten een intrinsiek voordeel hebben gehad van het kolonialisme. ‘Als ik één bedrijf zou moeten noemen dat daar de belichaming van is,’ zegt Chakravorti vanuit de VS, ‘dan is dat wel Unilever.’
Unilever komt voort uit de fusie in 1929 tussen het Britse Lever Brothers en de Nederlandse Margarine Unie. De Britse tak had zo haar eigen betrekkingen met slavernij. De broers Lever richtten in Congo ‘Leverville’ op, het huidige Lusanga. De plaatselijke bevolking werd er gedwongen te werk gesteld in palmolieplantages. In de recente Black Lives Matters-protesten stond het standbeeld van Lord Leverhume in het Engelse Bolton om deze reden op de nominatie om neergehaald te worden.
Unilever heeft nog altijd grote palmolieplantages in Indonesië
Chakravorti merkt in zijn artikel op hoe juist een bedrijf als Unilever, beschermd door het Britse koloniale imperium, kon uitgroeien tot het gigantische bedrijf dat het nu is. Maar Unilever profiteerde ook van de Nederlandse koloniale gebieden. Zo had (en heeft) het bedrijf grote palmolieplantages in Indonesië. Dat Unilever anno 2020 nog altijd hinkt op twee nationaliteiten, afhankelijk van welke het bedrijf het best dient, is ook niet nieuw. Toen na de Indonesische onafhankelijkheid alle Nederlandse bedrijven werden genationaliseerd, wist Unilever de dans te ontspringen, schrijft Ewout Frankema. Het bedrijf verving de plaatselijke top snel door Britten en behield op die manier toegang tot de cruciale grondstof voor hun productie van boter en zeep.
Ook Shell heeft zijn oorsprong in de koloniën, vertelt hoogleraar sociale economie Joost Jonker, die de geschiedenis van het bedrijf schreef. ‘De grootste klapper maakte Shell pas in Amerika, tijdens de olie-boom begin 20ste eeuw. Maar ook toen waren de opbrengsten uit de koloniën goed voor 25 tot 30 procent van het totaal. En dat voor een klein land als Nederland, dat op een andere manier nooit zo’n grote olieproducent had kunnen opzetten. Andere landen hebben dat wel geprobeerd, maar min of meer tevergeefs; schaal is alles in deze bedrijfstak. Het begin in Indonesië eind 19de eeuw was cruciaal. In dat opzicht kun je stellen dat Shell zonder de VOC nooit had bestaan.’
Toen Shell afscheid nam van Indonesië, na de staatsgreep in 1965, werd het door de voormalige kolonie gecompenseerd voor gederfde inkomsten – het bedrijf kreeg zo’n 110 miljoen dollar, omgerekend naar nu iets meer dan 900 miljoen euro. Ook andere Nederlandse bedrijven, zoals rubbermaatschappijen, koffie- en suikerbedrijven deden claims ter financiële compensatie: nog tot 2003 werden er compensatiegelden uitbetaald aan voormalig kolonisator Nederland.
Koloniale rietsuiker
Van de twintig grootste Nederlandse bedrijven (volgens de ranking van Elsevier Weekblad) blijkt na research (zie verantwoording onderaan) dat ongeveer de helft in meer of mindere mate wortels heeft in het koloniale verleden. Dat varieert van de grote multinationals en ABN Amro, dat via rechtsvoorgangers zowel slavernij als het koloniale regime financierde, tot veel minder directe banden. Bedrijven als Heineken en KLM profiteerden er simpelweg van dat ze dankzij het koloniale regime vlot internationaal konden opereren.
De onmogelijkheid om na te gaan waar welke euro exact beland is, is precies waar het wetenschappelijke debat schuurt
‘Kolonialisme wás natuurlijk het systeem; het zat verweven in alle delen van onze economie,’ zegt historicus Gerhard de Kok, die de slavernijbetrokkenheid van Zeeland en de stad Rotterdam onderzocht. ‘De vraag is of en hoe je dat kunt doortrekken naar onze rijkdom nu. Heel algemeen kun je wel zeggen dat de hoogwaardige arbeid altijd al in koloniserende landen plaatsvond, en de winning van bijvoorbeeld grondstoffen, die minder goed wordt betaald, in de koloniën zelf. Hét voorbeeld uit de slavernij-economie was koloniale rietsuiker. Het was in Nederlandse koloniën verboden rietsuiker tot eindproduct te raffineren − de hoogwaardige suikerraffinage moest de economie van het moederland ten goede komen. Nog altijd zijn landen die rijk zijn aan grondstoffen vaak ook arme landen. Maar over de rol van het kolonialisme daarin is nog volop debat.’
Waar welke euro beland is
De onmogelijkheid om na te gaan waar welke euro exact beland is, is precies waar het wetenschappelijke debat schuurt. ‘Bedrijven als Shell, Douwe Egberts en vele andere grote namen hebben hun bestaan in belangrijke mate te danken aan de koloniën,’ vertelt hoogleraar koloniale geschiedenis Gert Oostindie. ‘Zij importeerden grondstoffen en halfproducten uit de koloniën, en met die handel verdienden zij enorm. Bij die activiteiten waren weliswaar geen slaven betrokken, maar de arbeiders werkten daar wel onder zeer slechte omstandigheden, met heel lage lonen. Het is ontegenzeggelijk waar dat veel hedendaagse multinationals hun bestaan mede te danken hebben aan dat koloniale verleden.
Maar tegelijkertijd: de meeste van die bedrijven zijn sindsdien veranderd, investeerden elders, zijn in andere handen gekomen, dat beginkapitaal is nu niet meer zo relevant. Dus verdient Nederland nog altijd aan die beginperiode? Hoe wil je dat nagaan?’
Voortdurende ongelijkheid
De school wetenschappers waartoe Melissa Dell en Nathan Nunn behoren, gebruikt historische data om moderne ongelijkheid te verklaren. Thomas Piketty deed hetzelfde in zijn jongste boek Kapitaal en ideologie, waarin hij liet zien dat economische ongelijkheid hand in hand gaat met raciale ongelijkheid − vooral als die is verankerd in de wet. Landen als Brazilië en Zuid-Afrika zijn volgens zijn data nog altijd ongelijker, omdat zij als laatste afscheid namen van respectievelijk de slavernij en het apartheidsregime.
Ook Nederland wordt door Piketty genoemd als voorbeeld van een koloniaal heerser die door de lokale bevolking hoge belastingen op te leggen, al dan niet in natura, bestaande ongelijkheid in stand hield en versterkte. Aan de hand van de roman Aarde der mensen (1980) van de Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer illustreert Piketty de ongelijkheid in eigendomsrecht die in Nederlands-Indië gewoon was. In het boek bestiert een Indonesische vrouw, gedwongen te trouwen met een Hollander, na diens dood zijn plantage. Ze verliest echter alles op het moment dat zijn zoon uit Nederland opduikt en de boel opeist: als ‘inlandse’ heeft zij niet dezelfde rechten. Een wettelijk onderscheid, puur en alleen op basis van huidskleur, noteert Piketty − met verstrekkende én tot op heden voortdurende economische gevolgen.
Er zijn ook Europese landen die rijk zijn zonder ooit een groot koloniaal rijk te hebben gehad. Denk aan Zwitserland, Noorwegen, Zweden
Maar op de zogenoemde persistence studies − voortdurende ongelijkheid en armoede − valt volgens Ewout Frankema wel het een en ander aan te merken, ook op die van Melissa Dell. ‘Ik heb zelf het onderzoek van Nathan Nunn nagerekend. En als je andere jaartallen als uitgangspunt neemt dan de jaartallen die hij heeft gekozen, dan krijg je heel andere uitkomsten. Als je wilt aantonen dat armoede persistent is, dus voortduurt, dan zou dat moeten gelden voor álle momenten in de tijd, dus ook als je als jaartal 1960 of 2015 neemt. Maar als je dat doet in zijn model, dan valt het statistisch verband weg.’
Economen lopen aan tegen wat in beroepsjargon de counterfactual heet: de vraag of de geschiedenis hetzelfde was verlopen als bepaalde factoren anders waren geweest. Frankema: ‘En dat kún je niet nagaan, je kunt nu eenmaal geen experiment opzetten waarbij we de slavernij en het koloniale bewind uitvlakken om te kijken hoe die landen zich zonder buitenlandse inmenging zouden hebben ontwikkeld. En dus kun je die lijnen niet op die manier trekken. Bovendien: er zijn ook Europese landen die rijk zijn zonder ooit een groot koloniaal rijk te hebben gehad. Denk aan Zwitserland, Noorwegen, Zweden.’
Wat er daadwerkelijk is gebeurd
‘Je kunt ellenlang discussiëren over de counterfactual,’ zegt Pepijn Brandon. ‘Maar ik vind het niet mijn taak als economisch historicus om te bedenken wat er had kúnnen gebeuren, maar om te verklaren wat daadwerkelijk is gebeurd. Nederland heeft enorm geprofiteerd van die koloniale handel. Ik merk dat er steeds per land wordt gekeken. Maar het kolonialisme was niet opgedeeld in hokjes; het was een internationaal systeem. Via de West-Europese havens kwamen goederen Europa binnen − de opkomst van Rotterdam als havenstad is daar onlosmakelijk mee verbonden. Die handelsroutes bestaan nu nog.’
Als je je mond vol hebt van corporate integriteit, dan hoort dit er ook bij, vind ik
Brandon wijst op het recente boek Slavery Hinterland, dat ingaat op het profijt dat een land als Duitsland had van de slavernij en van koloniale heersers − al was het zelf niet direct bij slavenhandel betrokken en had het een relatief klein koloniaal rijk. Delen van Europa die langs de Rijn lagen, profiteerden van de handel die binnenkwam in Rotterdam en werd vervoerd via Duitsland, Zwitserland en Italië. Volgens de auteurs fungeerden deze landen ook weer als investeerders in de slavenhandel door de voortdurend toenemende vraag naar suiker, koffie en katoen.
Maar belangrijker dan het methodologische debat is de morele vraag, zegt Gert Oostindie. ‘De uitbuiting, de onderdrukking: het werd beschouwd als any other business. En dat is wel iets waar bedrijven die hun wortels hebben in deze geschiedenis rekenschap van zouden kunnen geven. Bedrijven doen dat niet zo makkelijk uit zichzelf. Maar als je je mond vol hebt van corporate integriteit, dan hoort dit er ook bij, vind ik. Vertel maar hoe lang je al bestaat, en wat je geschiedenis is, maar vertel dan ook het héle verhaal.’
VERANTWOORDING
Voor dit artikel sprak Vrij Nederland met een tiental historici en economen die gespecialiseerd zijn in koloniale en slavernijgeschiedenis en economie: Matthias van Rossum, Tamira Combrink, Gert Oostindie, Karin Lurvink, Gerhard de Kok, Paul Koulen, Pepijn Brandon, Ewout Frankema, Joost Jonker en Bhaskar Chakravorti. Daarnaast werd uitgebreid gebruik gemaakt van primaire historische bronnen (zoals de compensaties die betaald werden ten tijde van de Verdelingswet met Indonesië), wetenschappelijke literatuur en bedrijfsbiografieën. Voor de twintig grootste bedrijven van Nederland (volgens de Elsevier-ranking) is onderzoek gedaan door middel van historisch bronmateriaal en bedrijfsbiografieën, om na te gaan in hoeverre het bedrijf of rechtsvoorgangers van datzelfde bedrijf bij de oprichting profiteerden van het koloniale systeem. Deze bevindingen zijn vervolgens geverifieerd bij historici.

Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.