Zondagmorgen twee uur, ik word wakker van het gieren van een motor, te hoog, te dichtbij, te wanhopig voor dit dorp, op dit uur.
Ik schiet overeind en grijp de Glock 37 van onder het bed. Mijn instinct zegt dat ik door de achterdeur naar buiten moet glippen en ze om de hoek van het huis moet verrassen. Ik werp een blik op Emma, diep in slaap in mijn bed, en twijfel.
Voetstappen op de veranda, haastig. ‘Lemmer!’ De toon is dringend, het bonken op mijn deur hard. ‘Ik ben het, Willie.’
Willie Bruwer, beroepsjager, de beleefde slager van Loxton. Ik draai de deur van het nachtslot en doe hem open met het pistool achter mijn rug. De kou glipt naar binnen als een ongenode gast.
‘Overval op een boerderij,’ zegt hij. ‘We hebben je nodig.’
‘Waar?’ Ik probeer de opluchting uit mijn stem te weren.
‘Bontfontein. Bij Lucien.’
Mijn opluchting slaat om in verontwaardiging, woede. En dan zegt hij: ‘Ga jij vast, ik haal nog meer mensen bij elkaar.’
Ik wil vragen of er sterfgevallen zijn, maar hij rent al weer terug naar zijn pick-up.

Ik haal mijn hoofdlamp uit de keuken, daarna kleren uit de kast – zonder Emma wakker te maken – en kleed me aan bij de warmte van het kolenfornuis. Ik schrijf een haastig briefje voor haar, steek de Glock in de zak van mijn wax coat, pak de sleutels, loop de voordeur uit en trek hem achter me dicht. De scheefhangende golfplaten deuren piepen als ik de garage opendoe. Ze hadden allang vervangen moeten worden.
Ik draai de sleutel van de Ford Ranger om en de V6 begint enthousiast te brommen. Dan zet ik de verwarming aan en rijd weg.
Buiten het dorp ontvouwt de sterrenhemel zijn schouwspel. Ik sla af richting Fraserburg. De ijslaag op het water van de doorwaadbare plaats in de Modderrivier is al kapot. Ik ben niet de eerste die hier vanochtend doorheen rijdt. Aan de overkant trap ik het gaspedaal diep in. Ik heb woede in me, want het gaat om Lucien en Grethe.
Ik ken ze nauwelijks, maar ik ken hun verhaal. Het wordt met voldoening in de Bo-Karoo verteld: door een toeval kruisten tien jaar geleden hun wegen. Zij, een Europees stadsmeisje, doctorandus in de letteren, kwam uit Berlijn om een Duitse vriendin op te zoeken, die wetenschappelijk onderzoek deed naar de vleihaas. Lucien was in Kaapstad. Een onverwachte gelegenheid om mee te rijden, op het laatste nippertje geregeld. Ze leerden elkaar kennen in moeizaam Engels, in een rammelende Land Cruiser tussen de Hexriviervallei en de Nuweveldbergen. In de twee weken van haar bezoek raakte ze betoverd door het goddelijke landschap, de mensen, de aardse manier van leven – en de ontluikende liefde van een vriendelijke, goede man.
Zij zijn in het district niet het enige mooie stel van in de dertig met twee leuke kinderen. Maar ze zijn een symbool, een soort bevestiging van de kwaliteit van Loxton en zijn bevolking. Grethe is het levende bewijs dat deze uitgestorven halfwoestijn goed genoeg is om een belezen, bereisde wereldburger als zij te laten blijven.
Meer nog: ze is de verpersoonlijking van mijn hoop om ook zo opgenomen te worden. Dat is de reden waarom ik opgelucht was toen Willie voor mijn deur stond. Opluchting, in de eerste plaats omdat het geen onheil uit mijn verleden was dat aan mijn deur klopte. Maar ook omdat hij mij kwam halen, mij erbij haalde, want ik ben hier nog niet volledig aanvaard, een freelance lijfwacht die wekelijks een vuurwapen op de schietbaan van Loxton laat knallen, die in de schemering over paden rent, die wekenlang weg is en soms met zichtbare verwondingen terugkomt.
Opluchting. Want voor het eerst kan ik hier iets nuttigs doen. Al betekent het een overtreding van Lemmers Eerste Wet: Raak niet betrokken.
Vlak voor Juriesfontein minder ik vaart voor de scherpe bocht, geef direct weer gas – en plotseling staan ze recht voor me, twee pick-uptrucks die de weg versperren, verblindende lichten in mijn ogen.
***
Ik worstel met het stuur, de remmen, kom in een stofwolk tot stilstand en vloek, want de Glock zit nog in mijn jaszak. Voordat ik hem gepakt heb, staat hij bij mijn raam, zijn jachtgeweer geheven.
Dan herken ik hem en draai het raam open.
‘Lemmer,’ zegt Joe van Wyk jr. kalm. Naast hem staat Nicola van der Westhuizen. Jonge boeren, gepantserd tegen de kou, met stroeve gezichten.
‘Is er nieuws, Joe?’
‘Ze hebben de vader van Grethe,’ zegt hij en zijn adem wolkt in de vrieskou. ‘We sluiten de wegen af.’
Nog voor ik iets kan vragen zegt Nicola: ‘Er komt nog iemand aan.’
Joe kijkt langs me de weg af. Dan beduidt hij: ‘Rijd die kant maar op. Ze wachten op je.’
Ik knik en rijd om de pick-ups heen, terug de weg op.
Ze hebben de vader van Grethe.
Wat betekent dat?
***
Twee auto’s op het erf van Bontfontein. Hier en daar branden lampen in de verzorgde tuin, het grasveld is spierwit van de rijp.
Ik stap uit en loop over het grindpad naar de voordeur. Geel metaal blinkt links van me. Kogelhulzen. Twaalf, vijftien. Ik buk en pak er een op. Kort. Dik. 9×19 Luger. Vreemd. Ik kom overeind als twee mensen de voordeur uitkomen. Tickey van Wyk en Martin Scholtz, ieder met een geweer.
‘Hallo, Lemmer.’ Ze geven me in het voorbijgaan snel een hand. ‘Blij dat je er bent. We gaan de kruising van Grootfontein afsluiten.’ Martin gebaart in de richting van Fraserburg en rent naar een pick-up.
Bij de open voordeur zie ik de kogelgaten in de muur. Geen groot kaliber, de regelmatige stippen van automatisch vuur. Een machinepistool?
Ik loop naar binnen. Grethe zit op de bank in de woonkamer met haar kinderen op schoot. Ze huilt en ziet me nauwelijks. Achterin zit Lucien aan de grote grenen eetkamertafel. Hij heeft een radiomicrofoon in zijn hand, voor hem ligt een grote kaart. Ik probeer mijn opluchting te verbergen. Ze leven.
Lucien ziet me. ‘Oké, Joe,’ zegt hij in de microfoon, ‘over en uit.’ Hij komt overeind en schudt mijn hand. ‘Lemmer.’ Zijn stem klinkt gespannen. ‘Ze hebben Grethes vader.’
‘Ik hoorde het.’
Opeens wordt het me duidelijk. Ze willen dat ik iets doe. Maar wat? Dat ik de leiding neem? Een mening geef? Ze zijn achter mijn verleden gekomen, doodslag, gevangenisstraf, dingen die Emma niet eens weet. Ik probeer Luciens gezicht te lezen, maar zie alleen vertrouwen. Misschien is het onschuldig, puur de associatie met professionele beveiligingsdiensten.
Raak niet betrokken. Dat is mijn instinct, mijn levensmotto. Ik duw het weg.
‘Haar vader?’ vraag ik.
‘Hij is vorige week uit Duitsland gekomen. Hij logeert hier.’
‘Wat is er gebeurd?’
‘Ik… we sliepen. Ik hoorde hem schreeuwen. ‘Hilfe!’ Ze moeten hier in de woonkamer zijn geweest. Toen ik hier kwam… de voordeur stond open en toen ik naar buiten rende, begonnen ze te schieten…’
‘Automatische wapens.’
‘Ja… Hoe weet je dat?’
‘De hulzen… kogelgaten.’
‘O. Ja… Toen ben ik teruggerend om mijn geweer te pakken, daar, uit de kluis. Toen ik weer buiten kwam…. Ik zag ze wegscheuren, ik denk dat het een Hummer was, zwart, of donkerblauw.’
‘Een Hummer?’
‘Ja, je weet wel, de burgerversie. Toen ben ik naar de schuur gerend, maar ze hadden de bougies uit de auto’s getrokken. En toen heb ik iedereen opgeroepen met de radio.’
‘Hoe laat was dat?’
‘Ik weet het niet precies. Even voor tweeën heb ik de eerste mannen opgeroepen.’
Ik kijk op mijn horloge. Tien voor halfdrie. Ze hebben een voorsprong van meer dan een halfuur. Maar de grote vraag is: waarom zou iemand Grethes vader willen ontvoeren? Ik vraag het zachtjes, want ik wil haar niet van streek maken.
‘Ik weet het niet,’ zegt Lucien.
Ik zie hoe hij naar zijn vrouw kijkt. Ik weet dat hij liegt. Een Hummer? Automatische geweren? Een ontvoering? Niet echt een doorsnee overval op een boerderij.
‘Lucien,’ zeg ik vlak. ‘Waar is de politie?’
‘Ik…’
‘Ich muss ihm sagen,’ zegt Grethe achter me.
‘Bisst du sicher?’ vraagt Lucien voorzichtig.
Ze legt haar kinderen zacht op de bank en komt naar ons toe. De nacht heeft zijn tol geëist. Ze is moe, verslagen, met rode ogen van het huilen.
‘Ja,’ zegt ze. Ze houdt zich vast aan de rug van een eetkamerstoel en haalt diep adem. ‘Mijn vader was een Stasi,’ zegt ze met een sterk Duits accent. Dan zucht ze, alsof die woorden verlossing hebben gebracht. ‘Het Ministerium für Staatssicherheit, de Oost-Duitse Staatsveiligheid…’
‘Hij is er lang geleden uitgestapt,’ zegt Lucien verdedigend. ‘In 1990 al.’
‘Wat deed hij voor de Stasi?’ vraag ik.
‘Hij… Ik geloof dat hij voor de HVA werkte… de Hauptverwaltung Aufklärung, de buitenlandse inlichtingendienst…’
‘Erzähle ihm von Rosenholz,’ zegt Lucien.
Ze schudt haar hoofd. ‘Ich weiss nicht genug…’
‘Grethe,’ zegt hij bijna smekend.
Ze bijt op haar onderlip. ‘Mijn vader… De Rosenholz-dossiers. Dat was een lijst namen… Oost-Duitse agenten in het buitenland. Na de val van de muur heeft de CIA de dossiers in handen gekregen. Ze dachten dat het de enige exemplaren waren…’
‘Maar dat was niet zo,’ zeg ik.
Ze schudt haar hoofd weer.
‘Jullie denken dat hij is ontvoerd door mensen uit zijn verleden.’
‘Ja,’ zeggen ze tegelijk. Ze loopt naar een grenen kast en pakt er iets uit. Een stapeltje foto’s. Ze haalt er een uit en laat hem aan mij zien. Hier op de boerderij genomen, in de tuin, zomers groen. Een oudere man, glanzend kaal hoofd, diepe lijnen langs de mond, ergens achter in de zestig. ‘Hij heet Jürgen,’ zegt ze.
Ik kijk op. ‘Dus daarom willen jullie de politie er niet bij betrekken.’
‘Stel je voor wat de media…’ Lucia maakt een gebaar met zijn hand, een wanhoopsgebaar.
‘Jij hebt de overvallers gezien,’ zeg ik tegen Lucien.
‘Ja. Ze waren met z’n drieën. Wit. Groot.’
Dan kraakt de radio. ‘Lucien, Lucien, kom erin.’
Lucian pakt de microfoon. ‘Kom erin, Dries.’
‘We zijn aan de andere kant van Slingersfontein, op de weg naar Carnarvon. Er kwam net een Hummer van de kant van Rietpoort, met een rotvaart. Maar toen hij ons zag, is hij omgekeerd, jullie kant uit.’
Lucien kijkt naar mij.
‘Heb je een radio voor in mijn auto?’ vraag ik.
Hij knikt.
‘En een geweer,’ zeg ik. ‘Het grootste dat je hebt.’

***
Ik sta voor de pick-up in de ijzige kou, alleen, met een geleend .270 jachtgeweer en een Glock-pistool. Boven me maakt de Melkweg een schitterende bocht. Hierbeneden, in de koplichten van de Ranger, zijn de sporen van de Hummer duidelijk zichtbaar in het stof op het pad tussen Kalkbult en Dawidskolk.
Ik stap de Ranger in. Binnen is het warm, de V6 draait stationair.
‘Lucien, het is Lemmer,’ zeg ik in de microfoon. ‘Kom erin.’
De jonge schapenboer antwoordt haastig. ‘Ik hoor je.’
‘De Hummer is hierlangs gekomen.’
‘Oké,’ zegt hij, ‘wacht even.’
Ik vermoed dat hij nu op de kaart kijkt en de mogelijkheden overweegt. Maar overziet hij de implicaties? Moet ik het tegen hem zeggen? Als ze dit achterafweggetje nemen, dan hebben ze een GPS, geladen met heel gedetailleerde kaarten. Of een gids die deze wereld kent. Misschien een radio die op onze golflengte is afgesteld en iemand die De Taal verstaat. Want alles wat ze tot nu toe hebben gedaan, was nauwkeurig en professioneel.
‘Lemmer, we blokkeren nu alle grote kruisingen. Ze kunnen er niet uit. Volg gewoon het spoor…’
Volg gewoon het spoor. Hij laat het zo eenvoudig klinken. Lemmers Eerste Algemene Werkwet is: Doe het alleen. Met de volgende clausule: als ‘alleen’ onmogelijk is, zorg dan dat je met professionals werkt. Allebei naar de maan. Omdat ik voor het eerst geaccepteerd wil worden, opgenomen wil worden in de Loxton-stam.
‘Doe ik,’ antwoord ik en rijd weg. Er is één troost: de Hummermannen zullen confrontatie en geweervuur willen vermijden. Want ze willen Grethes vader levend hebben, anders hadden ze hem in zijn bed doodgeschoten.
Een open veehek door, het spoor duidelijk in het zand. Ik schakel het licht uit. Het is pikkedonker. Lichten weer aan.
‘Lucien, zijn de hekken normaal dicht?’
‘Positief, Lemmer, het is een servituutweg, die hekken zijn altijd dicht.’
Vanavond niet, wat betekent dat Hummer & co. ze hebben opengedaan, maar geen tijd hebben verspild aan dichtdoen. Ze hebben haast. En ze laten bakens van hun vorderingen achter.
‘Dank je,’ zeg ik door de radio, mijn hart klopt sneller. Ik trap het gaspedaal van de Ranger in. Ik kan ze inhalen. Ik zal ze te pakken krijgen.
***
Het eerste teken dat de afstand kleiner wordt, is stof – eerst bijna onzichtbaar, fijne slierten die hier en daar als schimmen hangen. Dan wordt het duidelijker, zodat ik niet meer twijfel en harder ga rijden, ondanks de hobbelige weg. Plotseling een remlicht dat knipoogt in het donker, één keer maar.
Ik trap het gas nog verder in, bevangen door de jachtkoorts.
Weer zie ik het licht, een seconde of twee. Ik trap op de rem, stop, zet het licht en de motor uit en draai het raam open. Ik tuur de duisternis in en steek mijn hoofd uit het raam om te luisteren.
Dat redt mijn leven.
De kogel slaat achter me in de cabine, een ster in de voorruit waar mijn hoofd net nog was. Dan dondert het schot door de nacht. Ik duik, grijp het geweer, wil het portier opendoen, maar bedenk dat het lichtje aan zal gaan. Ik steek een hand omhoog, knip de schakelaar uit, duw het portier open, ren een paar stappen en laat me vallen.
Er zit een gat in mijn nieuwe pick-up.
Hij schiet weer, het lood scheert als een steen langs me en suist weg.
Hij kan me zien in het donker, hij heeft infrarood, of een nachtkijker. Ik moet dekking zoeken. Ik spring op en ren zigzaggend, mijn nachtzicht slecht na de felle koplampen van de pick-up. Ik probeer dekking te zoeken in de schaduw van een stapel rotsen. Nog een oorverdovende knal. Ik duik achter de rotsen. Ik heb de dunne flits van de geweermond gezien, rechts van de weg, ongeveer tweehonderd meter verderop.
Ze kunnen me hier klemzetten.
Een stem in de verte, een bevel.
Mijn enige kans is in beweging blijven.
Ik ren, op zoek naar schaduwen. Ik besef dat hij niet meer schiet. Wil hij me laten denken dat ze het hebben opgegeven?
Mijn ogen zijn al meer gewend aan het donker. Ik zie een greppel rechts van me, een rivierbedding, doornstruiken. Ik loop erheen, ren tussen de takken door en kom sneller vooruit. Nog steeds schiet hij niet. Is hij me kwijtgeraakt in het donker? Ik word me bewust van een verhoging links, ren gebukt die kant op.
Dan zie ik ze. Misschien 250 meter verderop staat de Hummer op het pad, met brandende lichten. Een donkere figuur rent van me weg naar de auto, een silhouet met een groot scherpschuttersgeweer over de schouder. Ik laat me zakken, ontgrendel de .270, krijg de man in het telescoopvizier en maak snelle berekeningen – geen wind, landschap daalt tien meter tussen mij en het doelwit, afstand 200 meter. Ik mik laag in zijn nek en haal de trekker over.
Hij slaat naar voren en valt. Ik verschuif het vizier naar de Hummer. Het voorwiel is het veiligste, ik moet de kans grijpen.
Ze trekken opeens op en ik schiet mis, volg de Hummer met het vizier, maar hij rijdt te hard – het risico om Grethes vader te raken is te groot.
Ik spring op en ren terug naar de pick-up.
Eentje neergehaald. Nog twee over.

***
Lucien roept angstig als ik bij de Ford kom. ‘Lemmer, ben je daar? Lemmer!’
Ik grijp de microfoon. ‘Hier ben ik…’
‘Alles in orde?’
‘Ik ben vlakbij, Lucien, spreek je later.’ Ik trek op, rijd zo hard als het weggetje toelaat. Ik tuur de nacht in tot ik mijn aanvaller zie liggen. Ik stop twintig meter bij hem vandaan, de koplampen op hem gericht. Haal de Glock uit mijn jaszak, spring uit de auto en ren naar hem toe met het pistool in de aanslag, al vermoed ik dat hij niet meer leeft.
Blond haar, zwarte kleren. Het schot heeft hem drie centimeter onder zijn nek geraakt, in het midden. Ik maak in gedachten een aantekening van de instellingen van de .270 en rol de man om. Hij is ergens in de dertig, gladgeschoren. Voor zijn borst hangt een machinepistool, de Tsjechische Scorpion SA Vz 61. Dat verklaart de Luger-hulzen. Naast hem ligt het sluipschuttersgeweer, lang en zwart, met lichte kunststof kolf en grote nachtkijker. Een Dragunov SVD. Russische makelij. Dan ren ik naar de pick-up.
***
In mijn waanzinnige vaart rijd ik bijna over de man heen.
Na een scherpe bocht ligt hij recht voor me, een opgekruld figuur. Ik sta op de rem, voel de kont van de Ranger slippen. Ik ruk het stuur naar links, van de weg af. De Ranger slaat ergens in vast, een doffe klap, vonken spatten in de nacht. Ik stop, doe de lichten uit, grijp de Glock en spring naar buiten. Plat op mijn buik richt ik het vizier op de figuur die op de weg ligt.
Doodse stilte. Dan hoor ik hem kreunen, iets onverstaanbaars zeggen.
‘Sta op,’ zeg ik.
‘Ich bin Jürgen.’
Grethes vader? Ik geloof hem niet. Dit is een val.
‘Do you speak English?’
‘Yes.’
Ik vraag hem hoe Grethe en Lucien elkaar ontmoet hebben.
‘Bitte. I am shot. They have gone.’
‘Nee,’ zeg ik in het Engels. ‘Vertel. Hoe hebben ze elkaar ontmoet?’
‘Zij kwam bij haar vriendin Eva logeren. Van het hazenproject.’
Dat is wel genoeg. Ik kruip naar voren. ‘Waar hebben ze u geraakt?’
‘In mijn bovenbeen. Ik bloed.’
Ik kom overeind, steek het pistool achter in mijn riem en pak hem bij zijn schouders. ‘Kunt u opstaan?’
Hij probeert het. Het kost grote moeite. Ik hijs hem overeind en zie zijn van pijn vertrokken gezicht. Ik zet mijn schouder in zijn buik, til hem op en ren moeizaam naar de pick-up. Ik doe het portier open, duw hem naar binnen en zie dan pas het bloed.
‘I am going to die,’ zegt hij.
‘Nee,’ zeg ik, sla het portier dicht, ren om de auto heen, graai achter de bestuurderskant naar het EHBO-pakket en trek het te voorschijn.
Zijn been ziet er slecht uit. Hij heeft niet veel tijd. Ik rits het zakje open, haal er watten en rekverband uit en probeer de bloeding te stoppen. Ik kijk naar zijn gezicht. Hij is wasbleek. ‘Dit is het beste wat ik kan doen. Hou je hand erop. Ik moet je naar een ziekenhuis zien te krijgen.’
‘Nein, bitte,’ zegt hij.
‘Het is een slagader die zo bloedt, we hebben geen keus…’
‘Je moet ze tegenhouden,’ zegt hij met een zwakke stem. ‘Driehonderd mensen…’
Ik pak de microfoon. Lucien moet me de kortste route naar Victoria-Wes geven, naar het ziekenhuis.
Jürgen legt een hand op mijn arm. ‘Driehonderd mensen zullen sterven.’
Ik vraag me af of hij ijlt.
‘Zij zijn van de SVR,’ zegt hij.
Nu heeft hij mijn aandacht. De SVR, de beruchte Russische inlichtingendienst. Lastige mensen.
‘Ze hebben… de Georgiëlijst… die wilden ze hebben. Ik moest hem wel geven. Mijn kleinkinderen… De Russen…. Ze zijn vorige week Georgië binnengevallen.’
‘Weet ik.’
‘Die lijst… Dat waren de… dissidenten…’
‘De andersdenkenden?’
‘Ja, in de oude tijd. Een netwerk, een verzetsbeweging, driehonderdtwaalf, de leiders…’
‘En de SVR wil ze uitschakelen?’
Hij knikt. ‘Ik heb documenten… verstopt. Nu weten ze waar ze die kunnen vinden. Anders vermoordden ze Grethe, Lucien en de kinderen…’
Hij zweet, elk woord kost nu inspanning. Hij houdt het niet lang meer.
Ik grijp de microfoon. ‘Lucien, kom erin, Lucien.’
Hij antwoordt onmiddellijk. ‘Hier ben ik.’
Jürgen grijpt de microfoon met een bevende, bebloede hand. Hij spreekt Duits, kortaf, krachtig, de bevelen van een Stasi-officier.
Stilte over de ether. Dan zegt Lucien: ‘Rijd alvast richting Loxton, ik stuur iemand om Jürgen op te komen halen.’
***
Chaos op de ether, stemmen die opgewonden roepen en antwoorden. Het verhaal komt in brokken door terwijl ik naar het noorden jaag. Jan Wiese en Bob Meintjes stonden bij Gansfontein op de R308 toen de Hummer zonder licht uit de nacht opdoemde. Ze schoten, de Russen beantwoordden het vuur met automatische geweren, en braken toen door de versperring, richting Carnarvon. ‘Ik zweer dat ik iets geraakt heb,’ zegt Wiese.
‘Jan, Lemmer hier,’ val ik hen in de rede. ‘Hoor je mij?’
‘We horen je.’
‘Ik kom van de kant van Loxton, je zou mijn lichten moeten kunnen zien.’
‘Ik zie je.’
‘Hoe groot is hun voorsprong?’
‘Vier minuten, misschien vijf… Maar ik zeg je, ik heb dat ding geraakt. Er kwam rook uit toen hij langsreed…’
‘Dan krijg ik ze wel te pakken,’ zeg ik.
Een koor van stemmen op de radio, allemaal met één boodschap: ‘Pak ze.’
***
De brede onverharde weg ligt voor me open, vijftig kilometer renbaan met gemene bochten tot je vlak voor Carnarvon op het asfalt komt. Ze hebben gekregen wat ze wilden hebben, nu willen ze ontsnappen. Het wordt een race. Ik zal ze moeten inhalen voor de volgende grote afslag, anders zijn ze weg, opgeslokt door de wijde wereld.
Maar waarom noord? Waarom niet naar de N1? Dachten ze dat Lucien de lange arm van de wet had ingeroepen? Wegblokkades op de hoofdroutes, helikopters, een grootschalige zoektocht? De slimste optie zou zijn om ergens nog een auto te verstoppen, iets wat op een boerenauto lijkt, en de Hummer in een greppel te dumpen…
Nee. De slimste optie is om niet over de weg te reizen. Je schudt je achtervolgers af als je een niet te volgen route neemt. En daar is er maar een van: je gaat vliegen. Maar waarvandaan? Dan weet ik het: het vliegveld van Carnarvon. Het grootste in de omgeving, ze houden er jaarlijks een luchtshow. Het ligt nog geen vijf kilometer nadat je de asfaltweg hebt bereikt.
En dan zie ik de rode achterlichten van de Hummer, ver en vaag. Ik geef gas in de wetenschap dat er maar één optie is: ik zal ze moeten tegenhouden voordat ze bij het vliegveld zijn.
***
De grote banden van de jagende Hummer pompen een wolk stof de lucht in. Maar er is nog iets: een blauwe damp die blijft hangen, de vage geur van oververhitte olie. Jan Wiese had gelijk. Hij heeft iets geraakt en dat maakt het makkelijker voor mij om hen in te halen. Niet dat ik er veel aan heb, ze rijden zigzaggend over de weg en zorgen dat de sluier van stof en rook mijn zicht belemmert.
Nog twintig kilometer tot de asfaltweg. Ik moet ervoor zorgen dat ik heel dichtbij ben als we er zijn.
Plotseling vuren ze op me met een automatisch wapen. Ik zie de vuurflitsen bij het achterraam van de Hummer, het blinde zwiepen van de loop, op goed geluk, maar ze treffen doel, doffe klappen tegen mijn Ford, twee gaten in de motorkap, nog een door de voorruit naar binnen, door de achterruit van de Supercab weer naar buiten. Ik rem instinctief. Fuck. Ze willen de motor raken, de koeling. Ik kan het me niet veroorloven achter te raken.
Ik laat de afstand groter worden, draai het raam open en haal de Glock uit mijn jaszak. IJzige wind, de geur van stof en olie. Ik vuur drie, vier schoten af in de hoop dat het ze zal ontmoedigen om op mij te schieten.
Het werkt niet.
Er slaat nog een salvo in mijn Ranger. Scheldend vuur ik terug, mijn hand al dood van de kou. De wind fluit hard door de gaten in de voorruit, ik draai de verwarming hoger tegen de kou en laat de afstand nog groter worden. Dat is wat ze willen. Ruimte, zodat ze genoeg tijd hebben om de paar kilometer over het asfalt zonder problemen af te leggen.
Tien kilometer voor de asfaltweg zie ik dat de temperatuur van de motor begint op te lopen.
Ze hebben de koeling geraakt. Of een leiding. Of een pomp. Ik houd de meter in de gaten. Het tempo waarmee de temperatuur stijgt, zal bepalen of ik het ga halen tot Carnarvon. Hoe lang kan ik nog met deze snelheid racen?
Ik houd afstand, een kilometer achter hen en onderdruk de impuls om de radio naar me toe te halen en te vragen of er iemand klaar kan staan om ze bij het vliegveld tegen te houden. Ik mag geen burgerlevens in gevaar brengen. Vijf kilometer voor de asfaltweg schokt de Ranger, stottert een keer, en dan trekt de grote motor weer krachtig op. Ik kijk naar de instrumenten. De oliedruk is aan het dalen en de temperatuur stijgt nog steeds. Ik zal vaart moeten minderen. Dat kan niet. Het is niet ver meer.
***
Het asfalt komt sneller dan ik had verwacht, te onverwacht door het stof, zodat ik te laat rem en te snel naar links moet sturen. De wielen verliezen grip, banden gieren. De auto helt over, ik sla bijna over de kop, ruk aan het stuur en trap het gaspedaal in. De motor trilt weer, er gaat een siddering door de auto, ik dender aan de andere kant van het asfalt af, worstel, het rubber krijgt weer grip, de kont schudt nog een paar keer heen en weer en dan ligt het zwarte lint in de baan van de koplampen en vlak daarvoor, de twee rode ogen in de kont van de Hummer. Vechtlust, adrenaline, shock, een impuls om die schoften van achteren aan te rijden en het hele magazijn van de Glock in ze te pompen.
Blauwe rook uit de uitlaat van de Hummer, ik loop snel op ze in, wacht mijn kans af om langszij te komen en ze van de weg af te drukken. Mijn motor slaat af, en weer aan.
En dan doen ze iets wat ik niet heb voorzien: ze remmen. Hard, met het volle gewicht op het pedaal, recht voor me. Ik ben te dichtbij, ruk aan het stuur, maar te laat. Ik raak de achterkant van de Hummer, een doffe klap, metaal, brekend glas, het linkerwiel klapt om, de Ford slaat over de kop, een, twee keer, de veiligheidsgordel trekt pijnlijk aan mijn lichaam.
En dan schuift mijn pick-up op zijn dak de asfaltweg over. Vonken in de nacht; ik hang machteloos in de riem en luister naar het oorverdovende gekrijs van blik tegen asfalt, de doodskreet van mijn Ranger.
Eindelijk kom ik tot stilstand en til mijn hoofd op. Desoriëntatie, shock. Ik heb moeite om te focussen, het getik van afkoelend metaal, de geur van benzine. Ik moet eruit. Mijn handen zoeken naar de gesp van de gordel, vinden hem en ik val meteen op het dak van de omgekeerde pick-up. Probeer het portier open te maken. Lukt niet. Een vlam, klein, onschuldig, aan de voorkant, bij de motor. Het andere portier, ik schuif erheen en trek aan de handgreep. Hij blijft dicht. Door de voorruit naar buiten klimmen, dat moet ik doen. Vlammen nu, hoger, gulzig.
Ik ben eruit.
Kijk de weg af. Zie niets. Keer me om. Daar staan ze, de Hummer heeft nog maar één werkend achterlicht.
Moet ze tegenhouden. Geweren in het wrak, pistool ook. Ik buk, kruip naar binnen, de vlammen branden hoger, zie in het flakkerende licht de Dragunov, en het jachtgeweer, kan de Glock niet vinden. Grijp de twee geweren, kruip naar buiten en ren. Pijn in mijn nek, mijn linkerbeen. Dan ontploft de pick-up achter me, ik word opgetild door een schokgolf en vier stappen verderop weer neergegooid, het jachtgeweer schiet uit mijn hand, de telescooplens breekt.
Ik sta op, laat het daar liggen en hink met alleen het Russische sluipschutterswapen in mijn hand de asfaltweg af, het kan niet veel meer dan twee kilometer zijn naar het vliegveld.
***
Ik hoor het voordat ik iets kan zien, de diepe dreun van twee motoren, en ik weet dat ik te laat ben. Dan zie ik de lichten van het vliegtuig, rechts van me, een kilometer van de asfaltweg, een wit en een rood. Ik blijf staan. Als de wind verkeerd staat… Maar er is niets, alleen de volmaakte windstilte van een ijskoude Karoonacht, al zweet ik van het hardlopen, de adrenaline. Welke kant zullen ze op vliegen?
Deze kant op.
Ik kniel, hef het grote semiautomatische geweer, kijk door de nachtkijker en zie het vliegtuig. Een Piper Seneca V, goede keuze. Ik wacht. Heb maar één kans – de piloot neerschieten, verder is het een gok. Ik richt de kruisdraad en besef dat de piloot links of rechts kan zitten. Daar komt hij, motoren vol open, hij gaat te snel, de wielen komen van de grond. Ik haal de trekker over, doffe knal. ‘Die is voor mijn Ford,’ mompel ik.
Geen effect. Ik schuif de kijker naar links, voor het geval de piloot aan de andere kant zit en schiet, te haastig, laatste kans, ze zijn over mijn hoofd. Ik sta op, draai me om, volg ze met de telescoop en schiet nog drie, vier, vijf, zes schoten. Ze zijn weg, ik heb gefaald.
En dan valt de Piper opeens, duikt naar links, honderd meter, en raakt de keiharde Karoo met een oorverdovende klap.
***
Halfzeven ’s ochtends, beurs, moe, met een bloedende schaafwond aan mijn been en autoloos, sta ik in de deuropening van de slaapkamer. Emma le Roux beweegt onder het dikke dekbed, doet haar ogen open en glimlacht langzaam. ‘Hai,’ zegt ze, ‘jij bent vroeg op…’
Over de auteur
Deon Meyer (Paarl, 4 juli 1958) is een bekroonde Zuid-Afrikaanse thrillerauteur. Dit voorjaar verschijnt Skorpio, zijn nieuwe Bennie Griessel-thriller. Over wraak, gerechtigheid en geheimen die staten kunnen doen wankelen.




