Liever luisteren dan lezen? Samuel Peperkamp heeft dit stuk voor je ingesproken.

Charlotte Kleyn, Geerten Waling en Willemijn van Dijk zijn in hun werkwijze allemaal uniek: de standaardcarrière in de geschiedenis – van student-assistent tot PhD-kandidaat tot universitair docent tot hoogleraar, daar hebben ze alledrie weinig zin in. In plaats daarvan kiezen ze hun eigen, uiteenlopende pad, dat vaak behoorlijk ver afbuigt van de geschiedenisfaculteit. Ze schrijven boeken, maar ook artikelen en columns, spreken op evenementen en geven rondleidingen: ze zoeken liever het grote publiek op dan dat ze zich laten opsluiten door de academische wereld.

Want dat hebben deze drie jonge historici in elk geval wél met elkaar gemeen: de academische wereld vinden ze maar niks.

Charlotte Kleyn (25) moest haar weg in de geschiedenis eigenlijk helemaal zelf vinden. Ze koos voor de studie omdat ze de boeken van Thea Beckman leuk had gevonden, en geschiedenis was haar lievelingsvak op school. Ze stortte zich op de studieboeken en het studentenleven en begon een tweede studie Frans. Haar liefde voor koken, eten en schrijven daarover – meegekregen van vader Onno Kleyn, culinair journalist en auteur van tientallen boeken – botvierde ze op haar eigen blog De Kokende Student.

Tijdens een Erasmus-uitwisseling in Parijs – waar de colleges zo saai waren dat Kleyn ondertussen alleen nog maar kon denken aan wat ze erna zou gaan eten of koken – vroeg ze zich af of ze niet toch iets met haar fascinatie voor voedsel kon doen. Dat leidde tot een master History of Food, afgerond aan de universiteiten van Tours en Brussel. Kleyns focus: de Franse keuken in Nederland, of wat ze zelf noemt ‘De Allerhandisering van de Provence’.

Vierhonderd jaar koken

Inmiddels is het wel die geschiedenisachtergrond die haar onderscheidt van ‘alle andere meisjes met een blog over eten’, denkt ze. ‘Het feit dat ik niet alleen veel weet over voeding en koken, maar ook over de geschiedenis van ons eten, zorgde ervoor dat ik snel na mijn studie aan de slag kon bij kranten en tijdschriften.’ Kleyn heeft een wekelijkse column in Het Parool en een in Archeologie Magazine.

Ze schrijft over de herkomst en geschiedenis van ons voedsel – van het dagelijkse dieet van Michelangelo tot de ‘trend’ van celebrity chefs, die in de veertiende eeuw in Frankrijk ook al aan de gang was. Daarnaast geeft ze culinair-historische stadstours in Amsterdam, waarbij ze bijvoorbeeld vertelt wat de heren op de Nachtwacht zoal aten en waar de Joden in de negentiende eeuw hun koosjere eten vandaan moesten halen. Vorig jaar bracht ze samen met haar vader het boek Luilekkerland uit, over vierhonderd jaar koken in Nederland.

Wie witbrood at, liet zien: ik eet niet om te overleven, maar omdat ik het lekker vind.

‘Eten is altijd al onlosmakelijk verbonden geweest met onze identiteit,’ zegt Kleyn. Op dit moment verbaast ze zich over de populariteit van roggebrood, dat door de bewuste veganistische millennial – ook wel de ‘havermelk-elite’ – doorgaans verkozen wordt boven brood met minder granen en vezels.

‘Honderd jaar geleden was witbrood het chique brood,’ zegt Kleyn. ‘Juist omdat het minder voedzaam was.’ Wie witbrood at, liet zien: ik eet niet om te overleven, maar omdat ik het lekker vind. ‘Bovendien was het soort graan dat je voor wit brood nodig had niet in Nederland te krijgen – het moest worden geïmporteerd en was daarom exclusief. Rogge was ordinair: dat kon groeien op de Hollandse akkers.’

Dit is niets nieuws

Kleyn kan zich wel vinden in de focus op verse producten van dit moment, maar de hype eromheen ‘slaat door’, vindt ze. ‘Er wordt nu veel ingespeeld op een idee van “puur”, wat eigenlijk een loze term is, die nergens op slaat.’ Kleyn verbaast zich net zo over het woord ‘natuurlijk’ op allerlei fabrieksverpakkingen, over de ‘vitamania’ waardoor bij elk product ‘toegevoegde vitaminen’ worden beloofd. Maar ze weet ook: dit is niets nieuws.

‘Al in de Middeleeuwen bestonden er allerlei theorieën over eten. “Sanguinische” mensen bijvoorbeeld waren van nature heet en droog, en konden het beste wegblijven van hete droge zaken als wijn en honing.’ En nadat eind negentiende eeuw het kant-en-klaar-eten was opgekomen, zag je daarop in de jaren zestig van de vorige eeuw weer een tegenreactie, met de macrobiotische beweging.

De focus op ‘puur’ en ‘ambachtelijk’ is dan weer een voortvloeisel van de Romantiek, zegt Kleyn. ‘En de hang naar steeds gezonder en ingewikkelder heeft te maken met welvaart. Je ziet: hoe beter het gaat met de economie, hoe vaker mensen zichzelf restricties willen opleggen.’ Een rijk persoon kan het zich permitteren te kiezen voor een veganistische levensstijl. In die zin is onze zucht naar roggebrood dus niet zo anders dan de verheerlijking van witbrood, honderd jaar geleden.

‘Het zelf naar je hand zetten van je kennis- en vakgebied, zonder vaste baan, is sowieso meer van deze tijd.’

Kleyn ‘doet graag mee aan symposia’, maar heeft nooit een carrière in de academische wereld geambieerd. ‘Dan zou het of een PhD worden, of een baan als geschiedenisleraar’ – en in beide had Kleyn niet veel zin. ‘Mijn manier van werken, het zelf naar je hand zetten van je kennis- en vakgebied, zonder vaste baan, is denk ik sowieso meer van deze tijd.’ Kleyn werkt aan haar eerste eigen boek over de geschiedenis van eten, dat in 2020 verschijnt bij Nijgh Cuisine.

Niet op een Thierry Baudetiaanse manier

De geschiedenisstudie van Geerten Waling (32) begon met vooral saaie colleges. Hij was niet zo erg gemotiveerd om hard te werken, haalde middelmatige cijfers. Wat hij wel leuk vond: borrelen, feesten, discussiëren met gelijkgestemden. Zo leuk zelfs, dat hij na zijn bachelor een tweejarige onderzoeksmaster ging doen, puur om nog een jaartje langer te kunnen studeren. Daarna diende zich een promotieplaats aan – nog een paar jaar studeren, en dan ook nog betaald. Inmiddels is Waling onderzoeker aan de Universiteit Leiden – in zekere zin dus nog steeds student – en schrijft hij boeken en columns in Elsevier Weekblad.

Walings focus heeft altijd bij de negentiende eeuw gelegen. Zoveel medestudenten richtten zich op de twintigste eeuw – met de Eerste en Tweede Wereldoorlog, grote veranderingen in de globale politiek – maar Waling wilde liever onderzoeken hoe die natiestaten nou eigenlijk tot stand waren gekomen, en waar de grondslag lag van onze huidige kunst en cultuur. Ja, hij houdt van de negentiende eeuw, ‘maar niet op een Thierry Baudetiaanse manier, hoor.’

Hij zou niet terug willen naar die periode, bedoelt hij, ‘want we leven in de beste tijd ooit.’ Maar het liberale gedachtengoed dat in die tijd hoogtij vierde – het anti-ideologisch nadenken over de consequenties van nieuwverworven vrijheden – dat fascineert hem eindeloos. En ja, zelf is hij ook wel liberaal te noemen, denkt Waling. ‘Ik ben anti-ideologisch en vind dat we altijd elkaars vrijheden moeten respecteren.’

‘Als een partij zichzelf liberaal noemt, moeten ze wel iets begrijpen van die ideologie, lijkt me.’

In de huidige ‘liberale’ politieke partijen – VVD, D66 – zie je maar weinig van dat gedachtengoed terug, vindt Waling. ‘De VVD heeft geen idee wat liberalisme is. Daar zijn ze kampioen in het inzetten van de overheid. Pas als het geld op is, gaan ze mensen aanspreken op hun “individualisme”.’ D66 is dan meer een ‘jaren zestigpartij’ dan een liberale, vindt Waling. ‘Ik zie daar ook niet die bedachtzame houding die ik van liberalen verwacht.’

Moeten partijen van deze tijd zich eigenlijk nog iets aantrekken van de geschiedenis van hun gedachtengoed? ‘Als een partij zichzelf liberaal noemt, moeten ze wel iets begrijpen van die ideologie, lijkt me.’

Waling wil in zijn werk graag ‘een brug slaan tussen heden en verleden’, maar past ervoor op niet te waarschuwen voor ‘herhaling van de geschiedenis’, zoals hij collega’s vaak ziet doen. ‘Als het gaat om Wilders, Baudet of Trump, wordt de laatste tijd vaak gerefereerd aan fascisme. Met zo’n stelling van: waar kennen we dit van?’ Maar als historicus dat soort verbanden leggen, is verkeerd, zegt Waling. ‘Dan bedrijf je politiek.’

En de geschiedenis moet ver blijven van elke vorm van politiek, vindt hij. Bovendien werkt dit soort vergelijkingen het de-platforming in de hand waar Waling zo tegen is: het wegzetten van bepaalde stromingen als ‘fout’, waardoor er niet meer serieus naar geluisterd wordt. ‘Dat soort uitspraken versterken alleen maar de opmars van de identiteitspolitiek en gaan het zelfstandig denken tegen.’

Heus niet tegen onderzoek naar minderheden

Maar de identiteitspolitiek sluipt ondertussen toch de geschiedenisfaculteit binnen, zegt Waling. ‘Laatst was het jaarcongres van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap. Het thema: uitsluiting en taboe in de geschiedenis. In augustus zijn de Historicidagen. Thema: inclusieve geschiedenis.’ Het gaat de laatste tijd allemaal over ‘het herzien van de geschiedenis’ en het ‘uitlichten van onderdrukte minderheden’.

Lees ookMaarten van Rossem: 'De meeste historici zijn volstrekte malloten'21 maart 2019

Kijk, Waling is heus niet tegen onderzoek naar minderheden. Maar het frame waar zijn vakgebied nu in zit – dat alle minderheden constant maar op een voetstuk geplaatst moeten worden – daar wil Waling niet aan meedoen. Als hij vertelt over zijn eigen onderzoeksonderwerp: de geschiedenis van de Nederlandse overheid, krijgt hij vaak kritische reacties. ‘Zo van: “Ben jij dan nog niet gedekolonialiseerd?”’

Ja, in die zin is Waling een atypische historicus, zegt hij. In de column die hij tot voor kort had op de site van de Volkskrant sprak hij zich meermaals uit tegen het ‘linkse’ beleid dat wat hem betreft op universiteiten heerst: het – volgens hem – vaker toekennen van subsidies op basis van afkomst, huidskleur of sekse van de aanvrager, of op basis van een ‘linkse’ insteek van het onderzoek, met de focus op onderdrukte minderheden.

‘Ik vind: iedereen moet alles kunnen zeggen, en op universiteiten is dat nu gewoon niet zo.’

Maar die uitingen – zijn kritiek op dat vermeende linkse beleid – vindt Waling dan weer niet politiek. ‘Ik vind: iedereen moet alles kunnen zeggen, en op universiteiten is dat nu gewoon niet zo. Daar lopen op dit moment echt vooral linkse mensen rond, of closet VVD’ers.’ Kritiek op dat ‘hypocriete systeem’ hoor je nauwelijks, zegt hij, omdat iedereen bang is om geen subsidies meer te krijgen voor onderzoek, of om aanstellingen te verliezen.

Op dit moment werkt Waling aan zijn zevende boek, over de invloed van Nederlanders op de Founding Fathers, de grondleggers van de Verenigde Staten. ‘Als dat uit is, zal er wel weer allerlei kritiek op komen,’ zegt hij. ‘Ik plaats Nederland op een voetstuk, zeggen mensen dan. En ja, met vrouwen kan dat wel, maar met Nederland dan weer niet.’

Wat politieke inmenging betreft, houdt hij het voorlopig nog even bij zijn column in Elsevier Weekblad en zijn levendige Twitteraccount. Zal hij op een gegeven moment, als echte liberaal, de stap maken naar de landelijke politiek? ‘Misschien ooit, als het volk me nodig heeft.’

Kansloze studie, geen dag werkloos

Toen Willemijn van Dijk (34) voor het eerst in Rome was – op schoolreis met 5vwo – ontstond haar idee oudheidkunde te gaan studeren. ‘Niet de studie met de beste arbeidsperspectieven, natuurlijk,’ zegt ze, ‘maar ik vond Rome fantastisch, en met deze studie kon ik daar een tijdje studeren.’

Algauw bleek dat een carrière in de academische wereld niets voor Van Dijk was. ‘Die wereld is zo competitief. Om daar te overleven, heb je een ontzettend grote mond nodig, en een olifantshuid.’ Die had ze niet, zegt Van Dijk. Bovendien: ‘Ik vond vooral het schrijven heel leuk, en in de academische wereld is zo weinig ruimte voor creativiteit.’ Na haar studie werd het daarom een baan als redacteur bij het blad Smaak van Italië, waar ze al snel adjunct-hoofdredacteur werd. Ja, zegt ze, ondanks die ‘kansloze studie’ is Van Dijk eigenlijk geen dag werkloos geweest.

Toch miste ze het schrijven over geschiedenis. Daarom begon ze een blog, ‘Orpheus kijkt om’, waarop ze onder meer verhalen schreef over de herkomst van straatnamen in Rome. Die blog leidde tot een boek, Via Roma. De geschiedenis van Rome in vijftig straten. Daarna volgde een tweede boek, De opvolger, over keizer Tiberius. Weer een historisch onderwerp. ‘Ik kwam op het idee doordat 2014 was omgedoopt tot “Augustusjaar”,’ vertelt Van Dijk – het was toen tweeduizend jaar geleden dat keizer Augustus overleed.

‘Iedereen heeft het altijd maar over Augustus, de eerste keizer van het Romeinse Rijk.’ Maar, vroeg Van Dijk zich af, hoe zit het eigenlijk met de tweede keizer: Tiberius? Hoe is die opvolging tot stand gekomen? Het antwoord op die vraag leidde Van Dijk naar een lang en spannend verhaal ‘waarin iedereen doodgaat’ en Tiberius uiteindelijk ‘tegen wil en dank’ wordt gekroond.

‘De oudheid is een van de meest misbruikte periodes als het gaat om appels-met-peren-vergelijkingen.’

Kijk, zo’n boek had ik nooit binnen de academische wereld kunnen schrijven, zegt ze. ‘Daar kan je alleen maar extreem goed onderzochte, maar taaie artikelen schrijven, en als je daar dan na een jaar mee klaar bent, zijn er altijd alweer drie anderen aan de haal met je onderwerp.’

Het is jammer, vindt Van Dijk, dat academische historici doorgaans zo in zichzelf zijn gekeerd: ze zouden zich wel wat vaker in het publieke debat mogen mengen, zeker als de ontwikkelingen van vandaag de dag weer eens met vroeger worden vergeleken. ‘De oudheid is een van de meest misbruikte periodes als het gaat om dat soort appels-met-peren-vergelijkingen.’

Ze noemt de zwakke grenzen van het Romeinse Rijk, die door premier Rutte werden aangehaald om de vermeende gevaren van de vluchtelingenstroom te onderstrepen. En de veel gemaakte vergelijking tussen Trump en keizer Nero, die ‘viool speelde terwijl Rome brandde’. ‘Allemaal loze kreten. Dat soort parallellen hebben altijd veel meer context nodig.’ Zelf mengt ze zich niet in het debat, zegt ze, omdat ze naar eigen zeggen niet namens de academische wereld kan spreken.

Natuurlijk moet de historische roman wel kloppen

Inmiddels heeft Van Dijk nóg een stap weg van die academische wereld gezet: ze is begonnen met het schrijven van fictie. In april verschijnt haar eerste historische roman: Het wit en het purper, over de slaaf Pallas die zich opwerkt tot adviseur van keizer Claudius. ‘Achteraf gezien rekte ik de grens tussen fictie en non-fictie in mijn vorige boeken al op,’ zegt Van Dijk, ‘maar inmiddels vermoed ik dat historische fictie net zo waarachtig kan zijn als non-fictie.’ Bij historische fictie probeer je namelijk niet verder te kijken dan de hoofdpersoon, legt Van Dijk uit. ‘Je doet alsof je niet meer weet dan de mensen over wie je schrijft. Dat maakt het realistischer.’

De Romeinen uit de tijd die Van Dijk beschrijft, wisten natuurlijk niet dat ze na Claudius Nero als keizer zouden krijgen, en daarna Galba, Otho en Vitellius. Van Dijk: ‘Juist dat niet-weten haalt de geschiedenis veel dichterbij.’

Wat betreft academische verantwoording: natuurlijk moet haar historische roman wel kloppen. Van Dijk deed zo veel mogelijk research naar haar hoofdpersoon Pallas, en naar de tijd waarin hij leefde. De plot is eigenlijk nog het makkelijkst te schrijven, zegt ze, veel moeilijker zijn de gewone dingen. ‘Wat ze aten. Hoe de huizen eruitzagen vanbinnen.’ Romeinen hadden bijvoorbeeld heel weinig meubilair, dus Van Dijks personages kunnen niet steeds gaan zitten.

Maar, verzekert ze, mocht ze na publicatie voor de ‘academische inquisitie’ verschijnen, dan kan ze haar keuzes verantwoorden. Niettemin zal de academische wereld er vast en zeker kritiek op hebben, zegt ze: ‘Zeker van die hoogleraren die al heel lang in het veld rondlopen.’ Jongere mensen in de geschiedeniswereld staan al wat meer open voor fictie, heeft ze het idee. Het bewijs: de laatste tijd wordt ze geregeld uitgenodigd door universitair docenten om op haar oude faculteit les te komen geven. Sterker nog: onlangs is Van Dijk toegetreden tot de adviesraad van de Vrije Universiteit. ‘Daar moest ik natuurlijk wel even om gniffelen.’

Dit interview komt uit onze geschiedenis-special. Hier vind je de stukken uit de special die we tot nu toe ook online gepubliceerd hebben.