Jonah heeft zijn verhaal ook voor je ingesproken.

1.

Een week na mijn oma’s dood op 27 oktober 2018 dook er tijdens het leeghalen van haar huis een boekje op. De titel is Voltooid verleden tijd. Het werd door mijn opa geschreven op een typmachine, vlak voor zijn dood in 1992. In het boekje staat zijn levensverhaal.

Als kind was hij het slachtoffer van het sadistische geweld van zijn ouders. Ze sloegen hem met een karwats omdat hij niet aan hun hoge verwachtingen voldeed. Hij schrijft: ‘Ik heb iedere vorm van liefde moeten missen vroeger door de terreur van mijn ouders. Waarom was ik het zwarte schaap?’

Op zijn sterfbed gaf hij het boekje aan zijn drie kinderen. Door zijn levensverhaal met hen te delen, hoopte hij dat ze beter zouden begrijpen waarom hij zelf geen goede vader was.

Vuistslag

Ik heb mijn opa niet gekend. Hij overleed toen ik twee jaar was. Mijn vader had nooit een goed woord voor hem over. ‘Ik heb niet lang gerouwd toen hij stierf,’ zei hij. Van liefde was geen sprake geweest.

Opa was een autoritaire, empathieloze, narcistische man. Toen zijn kinderen klein waren, moesten ze op zijn schoot worden gehesen, want zelf was hij daar emotioneel gezien niet toe geneigd. Als mijn vader en oom als pubers te laat thuiskwamen, bleef de deur dicht en konden ze als honden buiten slapen. Van een vuistslag uitdelen was hij niet vies.

Op zijn zestiende ging mijn vader het huis uit.

Ik hoopte dat dit boekje helderheid zou scheppen. ‘Lees het,’ zei mijn vader, ‘maar je mag het niet publiceren.’

Er was ook het verhaal van mijn oma. Zij had haar echtgenoot onafgebroken opgehemeld. Tijdens elk bezoek zei ze tegen mij, wijzend op een foto van hem bij een flakkerend lichtje: ‘Het is zo jammer dat hij er niet meer is en dat jij hem niet hebt gekend, het was zo’n goede en slimme man.’

In het boekje had mijn opa geschreven: ‘Graag zou ik willen dat dit werkje na lezing vernietigd zou worden.’ Toch verstopte mijn oma het in het kastje waarop een kaars stond te branden, en toen ze dement was een led-waxinelichtje.

Ik wist nooit wat ik moest geloven. De tegenstrijdige verhalen maakten mijn opa tot een onsamenhangend geheel, een mysterie. Ik hoopte dat dit boekje helderheid zou scheppen. ‘Lees het,’ zei mijn vader, ‘maar je mag het niet publiceren.’

2.

Het boekje opent met de zin: Wie na het lezen van dit werkje denkt dat de beschreven feiten zijn bijeen gefantaseerd door een geesteszieke moet ik erop wijzen dat er niets is verzonnen of verdraaid aan de beschreven toestanden en dat alles is gebaseerd op pure waarheid en werkelijk beleefde en zelf ondergane gebeurtenissen.

De theatraliteit van deze zin stond me enorm tegen. Ik las verder.

Het geweld dat hij beschrijft is sadistisch. Hij werd als slaaf behandeld en onafgebroken vernederd.

Mijn opa doet een beroep op het empathische vermogen van de lezer. Hij rekent af met zijn ouders en vraagt begrip. Het geweld dat hij beschrijft is sadistisch. Hij werd als slaaf behandeld en onafgebroken vernederd.
Nooit waren zijn schoolcijfers naar believen van zijn ouders.

Mijn vader was inventief genoeg om zich een pracht van een karwats te maken. Een stuk rondhout van zo’n 30 centimeter, verlengd met leren riemen van zo’n 50 centimeter. Meestal was ik gewoon gekleed. Maar vaak ook op de keukentafel op mijn blote kont. Moeder vasthouden en vader ranselen. Waarschijnlijk hebben mijn ouders er meer ondeugden ingeslagen dan eruit.

In de vakantieperioden werd hij volkomen aan banden gelegd. Zijn broers gingen uit met vrienden, hij niet.

In de vakanties mocht ik in het geheel niet op straat komen en verrichtte voor hen alle werkzaamheden, zoals tuinwerk, de heg knippen (105 meter aan drie kanten), peren schillen om die dan gedroogd te laten worden voor de winter, het grindpad harken, enzovoorts. Ook een van de straffen van mijn vader was om mij een flinke appel te geven en in de keuken op een stoel neer te zetten. Ik moest dan net zo lang blijven zitten totdat deze appel op was. Ik was allergisch en kon ze niet eten. Het gevolg van al dat binnen de poort blijven was dan ook dat ik in mijn jeugd nooit vrienden heb gehad. Ik leefde werkelijk contactarm en keek dan ook vaak jaloers naar mijn broers, die dit niet beleefden en die dan ook ‘beter’ waren dan ik.

Als enige van zijn broers en zus kreeg hij nooit een cadeau van Sinterklaas maar enkel een paar flinke klappen met de roe. Aan die roe zat dan een briefje van mijn vader, niet van Sinterklaas (ik herkende zijn handschrift).
Met uitzondering van zijn schooluren groeide hij binnenshuis op. Mijn opa voert alle gebeurtenissen van vroeger op als oorzaken voor zijn eigen gebreken als vader. Hij beschrijft geen pogingen om zichzelf voor de fouten van zijn ouders te behoeden.

De uitdrukking ‘twaalf ambachten en dertien ongelukken’ lijkt hem op het lijf geschreven. Pas op late leeftijd kreeg hij een vaste aanstelling als conciërge op een middelbare meisjesschool in Silvolde. Het werden zijn gelukkigste jaren.

opa
Kinderen van een beschadigde vader Aan het hoofd van de tafel Jonahs vader; linksvoor zijn oom, rechts midden zijn tante
3.

Zijn zelfingenomenheid deed me twijfelen. Ik las het boekje nogmaals. Mijn argwaan werd aangewakkerd door zijn manier van schrijven: Het klinkt niet erg geloofwaardig maar het is niets dan de zuivere waarheid.

Zulke woorden deden me denken aan de man die momenteel in het Witte Huis heerst. Zegt niet alleen een leugenaar dat hij écht te vertrouwen is? Terwijl ik had gehoopt meer over mijn opa te leren, werd ik afgeleid door twijfel.

Een akelig verhaal

Ik vertelde mijn vader dat ik met alle nabestaanden over het boekje wilde praten.

‘Je gaat nu toch niet alsnog die hele familiegeschiedenis op straat leggen?’
‘Deels, misschien, ja,’ zei ik. ‘Maar waar komt jouw behoefte vandaan om die man ineens te beschermen? Dat heb je nog nooit gedaan.’

Hij zuchtte en zei: ‘Dit is niet iets om prat op te gaan, het is beschamend. Ik heb met mezelf afgesproken nooit meer slecht over die man te spreken. Hij kan zich niet meer verdedigen. Wat heeft het voor zin?’

Zwijgen staat me meer tegen dan het vertellen van een akelig verhaal. Het lijkt me verfrissend of zelfs troostend om af en toe in de menselijke afgrond te kijken.

‘Toen je me vertelde over het bestaan van dat boekje, dacht ik: ik weet precies wat daarin staat.’

4.

Rond 1800 trok een tak van de familie Falke van Duitsland naar Nederland. De achterblijvers begonnen in 1895 met het breien van sokken. Inmiddels bedraagt de gemiddelde prijs voor een paar Falke-sokken vijftien euro.

De Falkes die naar Nederland gingen, belandden in de Achterhoek. Mijn opa groeide op in het landelijke Lichtenvoorde in een gezin van vijf kinderen. Zijn moeder was molenaarsdochter, zijn vader werd onderwijzer en ging daarmee tot de notabelen van het dorp behoren. Ineens waren ze mensen die ertoe deden.

Van dit gezin leven het jongste broertje en zusje nog. Het inmiddels 84-jarige zusje van mijn opa, mijn oudtante, sprak ik als eerste. Ik stuurde haar het boekje. Kort daarna zat ik in de woonkamer van haar lichte appartement in Arnhem-Zuid. Beneden raasde een snelweg. Ze zei: ‘Toen je me vertelde over het bestaan van dat boekje, dacht ik: ik weet precies wat daarin staat.’

Over de waarheid kon ze heel kort zijn: alles was waar. ‘Maar,’ zei ze doortastend, ‘hij lijkt zich niet te realiseren dat anderen ook de dupe waren van onze sadistische ouders.’

Ze wees naar het raam en zei: ‘Daar, in Oosterbeek, liggen mijn ouders begraven. Alles wat er vroeger is gebeurd, kwam door moeder, mijn vader was eigenlijk wel een goedzak. Als mijn moeder tegen hem zei: geef een van de kinderen een klap, dan deed hij dat en dan zag je hem vervolgens verdwaasd kijken, van: wat heb ik nu eigenlijk gedaan?’ Ik knikte.

Ze zei: ‘Hij schrijft over zijn slechte schoolrapporten, hè? Dat hij ooit uit angst om naar huis te gaan in een tram heeft geslapen?’

‘Ik heb het behoorlijk voor m’n kiezen gehad, maar het was niet zo erg als bij jouw opa. Hij voelde zich terecht het zwarte schaap.’

Ik knikte weer en dacht: deze geschiedenis heeft zich letterlijk herhaald, ook mijn vader heeft buiten moeten slapen. ‘Mijn vader was onderwijzer, alles minder dan een 9 was fout, ze hadden belachelijk hoge verwachtingen van ons. Een keer vroeg ik mijn vader: “Wat doe je met me als ik een 8 haal? En wat als ik een 7 haal? En een 6?” enzovoorts. Bij een vier zei hij: “Dan sla ik je dood!” Op een dag hád ik een vier. Ik heb door alle omliggende dorpen gelopen omdat ik dacht dat mijn laatste uren geteld waren.’

Ik had geen idee wat te zeggen.

‘Alles was geënt op: houd je kop, wat zullen de buren er wel niet van denken,’ zei mijn oudtante. ‘We waren dan wel notabelen, maar de buren waren de echte groten.’

Ik dacht aan psychotherapeut Louis Tas die zei: ‘Schaamte is het gevoel dat je in de ogen van anderen compleet waardeloos bent en dat ze daarin nog gelijk hebben ook.’

Ernstig zei ze: ‘Ik heb het behoorlijk voor m’n kiezen gehad, maar het was niet zo erg als bij jouw opa. Hij voelde zich terecht het zwarte schaap. De reden dat mijn ouders hem het meest straften, is me volstrekt onduidelijk. Hij was levendig, druk, dat wel. Op school bonden ze hem weleens vast op een stoel. Maar als hij zich daar misdroeg, dan moest hij dat thuis dubbel zo hard ontgelden met de zweep.’

Ze vroeg: ‘Hoe was jij eigenlijk als kind?’
Ik was ook een druk kind. En ook mijn vader was een energiek kind en geen voorbeeldig student.

‘Ga je ook nog naar Canada? Dit jaar wordt mijn broer 91. Dat moet interessant zijn voor je verhaal, want hij heeft vreemd genoeg een perfecte jeugd gehad, mijn ouders waren weg van hem. Ze wisten al vroeg dat hij priester ging worden. Ik ben niet snel jaloers, maar dat ze tegen hem alleen maar aardig deden, dat is toch een vreemde toespitsing van liefde binnen het gezin?’

Ontstaat de aantrekkingskracht van geweld uit de afwezigheid ervan in het eigen leven?

Toen we afscheid namen, zei ze uit het niets: ‘Ik kan nu nog niet dood, natuurlijk.’
‘Want?’
‘Ik moet eerst je artikel afwachten.’

5.

In alle eerlijkheid moet ik bekennen dat het geweld en het verdriet me ook intrigeerden.

Tot een van mijn favoriete non-fictieboeken reken ik De geschiedenis van geweld van Édouard Louis, over iemand die wordt aangevallen en aan de dood ontsnapt.

Is dit wroeten in het verleden mijn kleinburgerlijke zucht naar avontuur, vanaf een veilige afstand toekijken? Ontstaat de aantrekkingskracht van geweld uit de afwezigheid ervan in het eigen leven?

6.

De broer van mijn vader, mijn oom, belandde als baby in het ziekenhuis met psoriasis. Hij werd daar door nonnen op een bed vastgebonden, als Jezus aan het kruis, om het krabben tegen te gaan. De avond voor ik mijn oom sprak, stuurde hij ‘aantekeningen’ bij het boekje. Hij schreef over de akelige uitwerking die zijn vader op hem had: Ik was altijd op zoek naar een vaderfiguur die impliciet liet weten achter me te staan. Ik was bang om zelfstandig stappen te zetten. Ik miste de vaderfiguur die me onvoorwaardelijk steunde, desnoods aan mijn oren trok om stappen te maken.

opa
Verschillende kinderlevens Jonahs overgrootouders van Jonah met hun 5 kinderen. Achter het meisje (oudtante) staat de oudoom in Canada. Helemaal rechts Jonahs opa

We spraken af in een luidruchtig eetcafé in Ulft. Over mijn reserves zei hij: ‘Twijfels heb ik ook gehad, waarom dikt hij toch zo aan dat hij niet liegt? Maar die gedachten heb ik meteen verdrongen, het was vast gewoon zijn manier van schrijven.’

Als mijn vriendin me wil kwetsen, zegt ze: ‘Is het weer allemaal in het belang van Meneer Falke?’ Dat irriteert me mateloos omdat het waar is.

Ik knikte en merkte op dat mijn opa nauwelijks over zijn naasten schrijft. ‘Het draaide ook altijd alleen om hem. Zoals veel mannen in de familie Falke vooral met zichzelf bezig zijn. Jouw vader ook, hij ging altijd zijn eigen weg en wilde niks meer met zijn familie van doen hebben.’

Ik slikte en dacht: ik ben precies zo, iemand die alleen met zijn eigen doel bezig is. Ik veins altijd geïnteresseerd te zijn in de ander, maar wat eraan ten grondslag ligt, is zuiver eigenbelang. Vriendschappen die geen ‘doel’ hebben, verwateren of vervelen snel. De familieleden die ik spreek voor dit verhaal had ik nooit zomaar bezocht, ik gebruik ze voor mijn verhaal. Alles moet in dienst staan van ‘iets’. Als mijn vriendin me wil kwetsen, zegt ze: ‘Is het weer allemaal in het belang van Meneer Falke?’ Dat irriteert me mateloos omdat het waar is.

Ik zei dat er in het boekje staat: een kind moet zijn energie en levenslust kunnen uitleven. Mijn oom zei: ‘Daar hebben wij als zijn kinderen niks van gemerkt. Voor jouw vader en mij gold dat muziek de belangrijkste uitlaatklep was. Ik had een luit op mijn kamer, het klankgat was afgedicht met een fraaie houtsnede. Toen vader een keer op mijn kamer kwam, schopte hij die luit zomaar omver en de houtsnede eruit. Geen excuses, alleen een veeg uit de pan, ik had dat ding daar niet neer moeten zetten.’

‘Waar kwam zijn gedrag vandaan, denk je?’

‘Er zijn opvoeders die in conflictueuze situaties uit pure wanhoop aantoonbaar foute opvoedmethodes van hun ouders overnemen, bij gebrek aan pedagogische handvatten. Je oma, mijn moeder, nam het voor hem op en zei: hij heeft geen liefde gekregen, dus dan kan hij het ook niet geven.’

Net voor mijn oma met mijn opa trouwde, belde haar aanstaande schoonmoeder op en sprak: ‘Jij gaat onze familienaam naar beneden halen als je met mijn zoon trouwt.’

7.

Mijn relatie met mijn oma was uitmuntend. Maar daarmee maakte ook zij zich schuldig aan een ‘vreemde toespitsing van liefde’. Ik kon niks fout doen in haar ogen en werd als een heilige behandeld. De andere kleinkinderen hadden het nakijken. Het was gênant om haar lofzang over mij te horen waar familieleden of vreemden bij waren. We brachten heel veel tijd door samen en voor een groot deel voedde ze me op.

Ook haar beschouw ik als een ‘slachtoffer’ van mijn overgrootouders, haar schoonouders. Toen ze begon te dementeren, keerde één verhaal tijdens elk bezoek terug. Soms wel een paar keer per half uur. Net voor ze met mijn opa trouwde, belde haar aanstaande, ‘notabele’ schoonmoeder op en sprak: ‘Jij gaat onze familienaam naar beneden halen als je met mijn zoon trouwt.’

Mijn oma was een boerendochter. In het luidruchtige eetcafé vroeg ik mijn oom wat mijn oma van deze zoektocht zou hebben gevonden.

‘Dit had ze verschrikkelijk gevonden. Ze had gezegd dat je die man moest laten rusten. Ze zou bang zijn dat je lelijke dingen over hem zou schrijven. Want het gekke is dat het huwelijk van mijn ouders goed was. Die twee hielden zielsveel van elkaar.’

Met het naar buiten brengen van dit verhaal schend ik haar vertrouwen. Nogmaals moet ik vaststellen een egocentrisch mens te zijn: oma lag nog maar net onder de grond en ik begon al schaamteloos in de historie te graven. Ik dacht aan wat ze op haar sterfbed met een brede glimlach had gezegd: ‘Jonah, jij mag over alles schrijven, alleen niet over dat ik ooit in mijn broek plaste omdat jij me aan het lachen maakte.’

De therapeutische werking van schrijven moet nog bewezen worden, volgens mij. Misschien maakt het noteren van problemen ze alleen maar groter.

8.

Mijn tante bezocht ik in haar rijtjeshuis te Doetinchem. We gingen aan tafel zitten en tot mijn verbazing vertelde ze een heel ander verhaal over mijn opa.

‘Opa was een strenge man, ja, maar ik koester veel goede herinneringen aan hem. We werkten bijvoorbeeld veel samen in de tuin. Later gingen we dagjes uit naar pretparken en hij was dan erg leuk met de kleinkinderen en zo. Misschien behandelde hij me anders omdat ik een meisje was. Maar ik heb ook altijd gewoon redelijk goed geluisterd. Ik was geen dwarsbomer. Daarom doet dit boekje me verschrikkelijk veel pijn. Ik snap niet waarom hij niet eerder heeft verteld over zijn jeugd. Wij wisten er zo goed als niets van. Ja, dat hij het “niet fijn had vroeger”, dat was het. Als hij het eerder had gezegd, dan had ik hem kunnen helpen.’

Ze viel stil en probeerde niet te huilen. Ik vroeg: ‘Hoe vond je het om dit boekje te herlezen?’

‘Ik zag er tegenop en stelde het steeds uit. Ik vond het heftig, ik heb veel medelijden met wat ze hem hebben aangedaan. Al dat zinloze mishandelen, hem als een zwart schaap behandelen. Hij was niet zo’n prater, geen man van gevoel, daarom schreef hij het op, denk ik. Ik probeer soms ook dingen van me af te schrijven. Misschien zit het in onze familie…’

Ik glimlachte wel, maar ging er niet op in. De therapeutische werking van schrijven moet nog bewezen worden, volgens mij. Misschien maakt het noteren van problemen ze alleen maar groter.

‘Ik vond het zo zielig, hij zei op zijn sterfbed: “Ik hoop dat ik mijn moeder niet tegenkom in de hemel.”’

Net als mijn vader en oom las mijn tante het boekje toen mijn opa op sterven lag. ‘Praten ging toen al niet echt meer, hij was al heel ver weg door de morfine. Met dat open einde heb ik het heel moeilijk gehad. Ik vond het zo zielig, hij zei op zijn sterfbed: “Ik hoop dat ik mijn moeder niet tegenkom in de hemel.”’

Haast verontschuldigend zei ze: ‘Je zult tot nu toe alleen de verhalen van je vader en ooms kennen, maar zo’n verhaal heb ik niet. Ik kom er nu wel achter dat onze jeugdervaringen erg van elkaar verschillen. Daar moeten we het samen maar eens over hebben.’ En toen opgewekter: ‘Ergens vind ik het ook wel leuk dat ik iets positiefs te vertellen heb en het niet alleen maar drama is.’

9.

Met het schrijven van het boekje vraagt mijn opa om begrip en medeleven. Maakte dat het boekje tot een aflaat om rustig te kunnen sterven? Een egoïstische biecht?

Mijn eigen vader oogde het koelst van de drie kinderen. Hij had zijn eigen plan getrokken en wilde zich het liefst distantiëren van zijn verleden. Maar hij vertelde wel een keer dat hij bang was geweest om vader te worden, bang dat de geschiedenis zich zou herhalen en hij ook een gewelddadige man werd. Dat is niet gebeurd. Hij heeft me nooit met een vinger aangeraakt of vernederd, maar louter gestimuleerd waar het kon en verder vrijgelaten.

Doorgaans is mijn vader een bedachtzame, kalme Falke. Maar soms kan hij razend worden en streng zijn. Als mijn moeder hem op zo’n moment wil raken, zet ze haar joker in en zegt: ‘Je bent net je eigen vader nu.’

opa
Een gelukkig huwelijk Opa en oma bij de brug in Doesburg zomer 1952
10.

In de periode dat ik aan dit verhaal werkte, maakte ik mij zelf ook schuldig aan huiselijk geweld. Ik had mensen gesproken over wat voor impact mijn opa’s jeugd en het geweld hadden gehad, maar kennelijk had ik daar niks van geleerd.

Mijn vriendin en ik stonden al enige tijd naar elkaar te schreeuwen. Het werd steeds erger en het hield maar niet op. Op den duur stond ze op een centimeter van mijn neus af. Ik stond met mijn rug tegen het aanrechtblad. Ik wilde dat ze stopte. Zonder nadenken duwde ik haar met mijn volle kracht van me af. Ze viel tegen de tafel en kwam keihard neer. Ze greep naar haar stuitje en even was ik bang dat ze blind zou worden. Ik kreeg een droge mond, ging op de grond naast haar zitten en bood onafgebroken mijn excuses aan, maar die hoefde ze niet. Ik schaamde me. Ze riep: ‘Donder op, ik wil je niet meer zien, ga weg, anders bel ik de politie.’

Ze had wel met d’r kop tegen de punt van de tafel kunnen komen. En dan?

Mijn geliefde had de vernedering van het op de grond gegooid worden het allerergste gevonden.

Nog nooit had ik me zo machteloos gevoeld. Dat ik het zo makkelijk lichamelijk van haar kon winnen, deed me walgen van mezelf. Ik pakte mijn tas, ging de stad uit en vluchtte het platteland op als een bang dier. Het was onwerkelijk om zo buiten het beeld te treden dat je van jezelf hebt.

Besef van liefde

Twee dagen later stond ik op de stoep met een mandarijnenboompje. Mijn geliefde had de vernedering van het op de grond gegooid worden het allerergste gevonden. Ze zei: ‘Ik voelde me een zwakke vrouw, en dat wil ik nooit meer voelen.’

In het begin was alles tussen ons onwennig, alsof we elkaar opnieuw moesten leren kennen, op een onaangename manier.

De enige positieve bijwerking van dit voorval was, voor mij, dat het me deed beseffen hoeveel ik van haar hield. Maar wat had zij daaraan? Je zou dat ook louter egoïsme kunnen noemen. Was dit besef van liefde ook ooit voorgekomen bij mijn opa of zijn ouders? Hun geweld was systematisch en niet incidenteel. Ik ontdekte dat in spijt tenminste nog liefde schuilt.

11.

In maart reisde ik met mijn vriendin naar Canada voor een bezoek aan de oudoom die priester was geworden. Als broer van mijn grootvader moest hij het geweld hebben meegemaakt en antwoord kunnen geven op de vraag of het inderdaad zo erg was.

Voor vertrek bezocht ik mijn oudtante. Ze lag in het Radboud-ziekenhuis in Nijmegen en was bijzonder blij om me te zien. Ze vertelde dat ze bijna was gestikt door vocht achter haar longen. ‘Maar ik kan nog niet dood,’ zei ze. ‘Dat weet je, hè?’

12.

Op het treinstation van Ottawa stiefelde een oude man voorbij. Aarzelend riep ik: ‘Falke?’

Hij draaide zich om en zei: ‘Falke?’

Mijn oudoom leek op mijn opa, die ik alleen kende van foto’s. Het was een lange, kale man met een scherpe blik. Hij droeg knalblauwe sokken in sandalen, een beige jas en een gebreide muts. We schudden elkaar de hand, hij glimlachte kort en zei: ‘Oké, kom!’

‘Ik rij nauwelijks auto,’ zei hij. Een minuut later werd duidelijk waarom. We zagen de universiteit van Ottawa en het parlementsgebouw, zei hij. Maar om iets uit te leggen of aan te wijzen stond hij soms bijna stil op de snelweg. In de achteruitkijkspiegel zag ik mijn geliefde steeds witter worden.

Voor een gigantische villa in een woonwijk stapten we uit. Mijn oudoom zei: ‘Hier huizen de inwoners van onze gemeenschap: the priests of the sacred heart.’

De man leek meer gewend aan vertellen dan aan vragen stellen. Pas op dag drie vroeg hij mijn geliefde en mij: ‘Wat doen jullie eigenlijk voor werk?’

We bewonderden het Villa Kakelbont-achtige huis. Het interieur was zo oud als mijn oom zelf. Op de vloeren lag een dik tapijt. Daaronder hoorde je het hout kraken. Alleen de koelkast was gloednieuw.

De temperatuur binnen was tropisch. We gingen zitten in de serre vol planten en een vogelkooi met drie schetterende parkieten. We dronken slappe koffie en mijn oudoom sprak: ‘Ik wist op mijn twaalfde al dat ik priester wilde worden, dus ik ging naar het grootseminarie.’

Het was een vreemde gewaarwording dat hij tijdens het praten precies dezelfde grote en beweeglijke handgebaren maakte als mijn vader. En nog voor hij sprak, wist ik wanneer hij iets ironisch ging zeggen. In welke kleine trekken dat zat, weet ik niet. Maar als een vreemde voelde hij niet.

De volgende dagen zou hij vertellen als een wandelende encyclopedie. De man leek meer gewend aan vertellen dan aan vragen stellen. Pas op dag drie vroeg hij mijn geliefde en mij: ‘Wat doen jullie eigenlijk voor werk?’ Het moest beroepsdeformatie zijn, hij was priester en kunstonderwijzer geweest, onder meer in Oeganda.

Dozen vol foto’s die hij in Afrika maakte, had hij onlangs aan de straat gezet. ‘Niemand wil ze zien en ik ben oud, dus ik moet langzaam van alles af.’

Ik hoopte dat hij nog van meer dingen af wilde voor zijn dood. Daarom was ik er immers: om een pijnlijk verhaal te ontwaren of gewoon om grofvuil op te halen.

Altijd een geweer

De volgende dag bezochten we zijn oude parochie. Een man vertelde me er dat hij altijd een geweer bij zich droeg. Er liepen te veel gekken rond.

Tijdens het eten die avond zei een priester: ‘Hebben jullie het nieuws al gehoord? Er is vandaag een priester neergestoken tijdens een dienst in Montreal.’ Er werd gezucht aan tafel. ‘Tegen zulke gekken kan niemand zich verdedigen.’

Later die avond vertelde ik eindelijk over het boekje. Mijn oudoom wilde het eerst lezen. Hij zei: ‘Mijn broer was really the black sheep van de familie. Ik ken hem beter dan hij zichzelf kende.’

13.

Die nacht las hij het boekje. De volgende ochtend zei hij: ‘Toen je opa hier op bezoek was, hebben we het over zijn jeugd gehad. Hij moest erg huilen. Zijn hele verhaal heeft te maken met het ophouden van de stand. Mijn vader had zich opgewerkt uit een armoedig milieu tot hoofdonderwijzer. Dat was iets waar je niet aan moest komen. En daar zit de knoop. Want mijn broer, jouw opa, was een moeilijke en onverschillige man. Dat was iets waarmee hij geboren werd. Hij dreigde altijd de hoge verwachtingen van het dorp voor de Falkes naar beneden te halen. Mijn ouders waren vaak ten einde raad in hun pogingen om hem in te passen in hun “ideale” familie.’ De aanhalingstekens verzorgde hij zelf, met zijn lange vingers.

Een man vertelde me er dat hij altijd een geweer bij zich droeg. Er liepen te veel gekken rond.

 

‘Bijvoorbeeld,’ zuchtte hij, ‘je opa ging trouwen. Iedereen in de kerk wachtte op het bruidspaar, het orgel speelde en de mis begon al. En je opa, hij was er niet. Hij kwam twintig minuten te laat aan voor z’n eigen trouwerij. “Ja, ik was de ringen vergeten. En toen we de ringen gingen halen, kwamen we vast te zitten in een sloot.” Met paarden moest hun auto eruit getrokken worden. Dit is maar één voorbeeld, hè?’

Ik kende de foto van het bruidspaar dat angstig naar een groot zwart paard keek. Met mijn oma had ik vaak om gelachen om deze tragikomedie.

‘Je kunt erom lachen, maar het is iets wat alleen hem kon overkomen,’ zei mijn oudoom streng. ‘Hij had iets van nature, het ongeluk zat ín hem. Dus het is niet allemaal puur de schuld van mijn ouders. Dat moet je ook inzien. Hij was een erg lastige leerling. Bij elke docent ging het mis. En er was later ook niet één werkgever die met hem kon.’

Hij lachte ongemakkelijk, sloeg zijn armen over elkaar en zei: ‘Eens waren onze vader en moeder een dag weg, en je opa was het mannetje in het huis. Hij was helemaal dol, zette de radio loeihard en met z’n vuisten hengstte hij op de piano. Mijn vader was vroeger vioolspeler. Je opa greep die viool van de muur en speelde.’ Met zijn grote beweeglijke handen deed mijn oudoom een wilde violist na. ‘En natuurlijk brak hij de viool in tweeën. Zo was hij. Constant van die onbenullige uitbarstingen, en dan kreeg hij weer straf. Hij leek niet te willen deugen. Elke zondag moesten wij als een keurig geklede familie door het dorp wandelen, en we mochten niet tegen stenen schoppen! Maar wie deed dat wel?’

In het boekje schrijft mijn opa dat hij als kind weliswaar druk was, maar niet zo wild als mijn oudoom zegt. Als ik dit verhaal moest geloven, was hij misschien een soort ADHD’er. ‘Ben jij weleens mishandeld door je ouders?’ vroeg ik.

‘Nee, nooit. Een andere broer heeft één keer een goed pak klappen gehad.’
‘En je zus natuurlijk, mijn oudtante…’
‘Die heeft nooit slaag gehad!’
‘Ze zegt zelf van wel…’
‘Dat betwijfel ik.’

Het was vreemd om hem zo stellig te horen over iets wat zijn zus haar hele leven met zich mee heeft moeten dragen.

‘Mijn vader was geen goede leraar, hij had geen controle op school. En thuis was er zijn eigen zoon, die kon hij wel aan.’

‘Kon jij er iets van zeggen, als ze je broer sloegen?’
‘Nee, dat was aan mijn ouders. “Wat heb je nou weer gedaan?” schreeuwde mijn vader dan. “Waarom heb je een vier op je rapport?” En hij maar jammeren, ja maar. Ik had altijd goede rapporten. De beste of de tweede van de klas. Er was geen moeilijkheid aan. Bij mij ging alles vanzelf. Je opa zei op een dag: “Wat hij kan, dat kan ik ook, als ik maar het wil.” Toen heeft hij straf gehad. Maar het was ook een onnozele opmerking, natuurlijk.’

Als kind heb ik dat bijna letterlijk ook tegen mijn leerkrachten gezegd: ‘Als iedereen het doet en kan, dan kan ik het ook. Maar het interesseert me niet.’ Mijn ouders en leerkrachten sloegen me niet, maar zeiden: ‘Laat dan eens zien wat je kan.’ Dat was mijn eer te na. Ze stuurden me naar het vmbo.

‘Wat vond je ervan dat hij zo wild was als kind?’ vroeg ik.

‘Ik heb het allemaal gezien en er doorheen geleefd, en in zekere zin heb ik er ook onder geleden. Ik had geen idee wat er van hem moest worden. Ik kon gemakkelijk met mijn zus spelen, die zes jaar jonger is. Met hem ging dat niet. Dat ligt aan allerlei fysieke en psychische redenen. Maar de andere oorzaak is dus die kleinburgerlijkheid van mijn ouders. Dat heeft hem tegengewerkt. Mijn vader was geen goede leraar, hij had geen controle op school. En thuis was er zijn eigen zoon, die kon hij wel aan.’

Ik knikte en vroeg hoe mijn opa op latere leeftijd was.

‘Dat was zijn goede tijd. Ik gaf hem eens vijfduizend dollar en zei: “Ik wil hebben dat je eens reisjes gaat maken.” Ze gingen altijd maar aan de Rijn in de wei zitten met een tent. Toen hebben ze een paar mooie reizen gemaakt. Naar Rome en een paar weken in dit huis. Verder was het een groot geluk dat hij op latere leeftijd de liefde voor klassieke muziek vond. Beethoven was hem heilig. En je oma, zij had echt een hele goede invloed op hem. Ze was het zachte element. Dat was nodig om de dwarsheid die in hem zat te compenseren.’ En toen zei hij na een korte stilte besluitend: ‘Je oma was heerlijk.’

Wat me met terugwerkende kracht het meest ‘steekt’ aan het ‘levensverhaal’ uit het boekje, is dat mijn opa slechts in een enkele bijzin over zijn vrouw praat.

De schone schijn

Bij het afscheid op het busstation van Ottawa gaf mijn oudoom me een brief mee. Toen de bus Ottawa uitreed, luisterde ik naar het album Here Is What Is van de Canadees Daniel Lanois en ik las de brief. Mijn oudoom besluit die met: ‘Ik raad je aan, zoals je opa zelf ook begon te begrijpen en voorstelde, om het documentje te verbranden. Iedereen heeft eruit geleerd waarom hij, soms duidelijk onredelijk, moeite had met de opvoeding van zijn eigen drie kinderen. Gelukkig heeft de natuurlijke zachtmoedigheid van je oma daarin de nodige balance gebracht. Bijna niemand is een compleet opvoeder.’

Hoe graag ik het ook wilde, helemaal los zal ik er nooit van raken, ik neem het verhaal hoe dan ook mee.

Toen ik later mijn oudtante dit artikel liet lezen, sprak ze een aantal dingen tegen die mijn oudoom had gezegd. Volgens haar waren haar ouders helemaal niet van schamele komaf. Werd niet alleen mijn opa mishandeld met de karwats. Heeft ze haar moeder nooit echt als een schat of wijze vrouw gezien en het feit dat mijn opa ‘hun teleurstelling’ was, vond ze onbegrijpelijke woorden van de priester. Ook zei ze dat ik de gewelddadige dieptepunten wel erg veel aandacht gaf in mijn verhaal. Maar ze voegde eraan toe: ‘Waar ik mezelf op betrap, is dat ik van jou een persoon wil maken die de naam Falke met trots draagt en die eventueel doorgeeft.’ Daar hoorde ik niets anders in dan dat zij ook de schone schijn wilde ophouden. Herhaalde de geschiedenis zich?

De muziek van Daniel Lanois paste goed bij het besneeuwde landschap in Canada. Op het album Here Is What Is is een dialoog tussen Brian Eno en Daniel Lanois te horen. Eno zegt, haast als een priester: ‘Beautiful things grow out of shit. Nobody ever believes that. Everyone thinks that Beethoven had his string quartets completely in his head – they somehow appeared there and formed in his head – and all he had to do was write them down and they would be manifest to the world. But what I think is so interesting, and would really be a lesson that everybody should learn, is that things come out of nothing.’ ‘You know, the tiniest seed in the right situation turns into the most beautiful forest. And then the most promising seed in the wrong situation turns into nothing.

Die woorden leken verband te houden met mijn opa’s jeugd als teleurstellende nazaat in een ‘hoopvolle’ omgeving, maar ook met zijn liefde voor Beethoven en het gelukkige huwelijk met mijn oma, na hun stroeve start van het verschil in stand en het paard in de sloot.

Ik keek uit het raam en ik had erg veel zin om dit familieverhaal af te ronden en verder te gaan. Want op zoektocht waren maar weinig beautiful things out of shit tevoorschijn gekomen. Hoe graag ik het ook wilde, helemaal los zal ik er nooit van raken, ik neem het verhaal hoe dan ook mee. De enige manier om dit te veranderen, verder te gaan, is misschien wel om me voort te planten en een goede vader te worden.

Wellicht was ik gewoon opgewonden. De afgelopen dagen hadden mijn geliefde en ik niet gevreeën. Het kruisje boven ons bed, in het gehorige huis vol priesters, had het verlangen gedoofd. Meteen nadat de bus aankwam in Montreal bedreven we de liefde, in een hotelkamer op zevenhoog.