To confront greatness. Daar is de Amerikaanse literatuurcriticus Harold Bloom (1930) al zijn leven lang mee bezig. Zesentwintig boeken van zijn hand getuigen van dat doel, alsmede ontelbare inleidingen, essays, kritieken, lezingen, academische colleges. Steeds weer is hij bezig door te dringen tot het wonder van literaire grootheid. Zoiets is nooit af: vijf jaar na een gezaghebbende studie over zijn grote liefde Shakespeare verschijnt nu de onthechte toegift Hamlet. Poem Unlimited, waarin Bloom briljant het mysterie van prins Hamlet ontrafelt.

Grootheid onder ogen zien. Moeizaam, stapje voor stapje, daalt Harold Bloom de trap af in zijn huis, colonial style, te New Haven. Hij heeft gerust en gaat mij voor naar de zitkamer, waar twee stoelen klaarstaan bij een overvol bureau. Niets dan boeken en paperassen. Hij had mij geschreven over zijn conditie – hij is verzwakt door een zware hartoperatie – toch is het een schok hem zo te zien. Bevend heft hij een glas water naar zijn mond, iedere beweging doet pijn. Dan is hij nog enorm afgevallen. Maar zo gauw hij begint te spreken, is er geen misverstand mogelijk: dit is Harold Bloom. Hartelijk, hoffelijk, humorvol. Bovendien: een en al sprankelende geest.

Hij begint meteen te vertellen, alsof we een eerder gesprek te hervatten hebben. Eerst over actuele politiek; hij hoont de martiale daden van de regering-Bush jr. ‘We hebben geen enkel massadestructiewapen gevonden in Irak, maar daar ging het ook helemaal niet om. Die heroïsche, magnifieke oorlog vond plaats om de macht in de Golf. We beleven nu de laatste versie van het Romeinse Rijk.’

Daarna, zonder breuk in de vertelstroom, over literatuur. ‘We leven in rare tijden. Gisteravond, voordat ik naar bed ging, pakte ik een van die Cambridge Companions, samengesteld uit het werk van een klassieke auteur. Ik bleef staren naar de inleiding, geschreven door een Engelse dame. Ik geloofde mijn ogen niet. Ze schrijft dat we in een verlichte tijd leven waarin de canon onzinnig is en dat er geen canonieke werken meer bestaan. Tja, wat moet je daarop zeggen? Dit soort idiotologie is tegenwoordig overal manifest.

Elke vrouw die bij mij wilde studeren adviseerde ik dat ze zich, als ze een academische carrière ambieerde, moest wijden aan eskimo-lesbische studies.

Mijn boek The Western Canon is een antwoord daarop. Ik heb, my dear, tot mijn spijt een te polemische natuur. Het was beter geweest als dat niet zo was, tja, het doet er niet meer toe… hier ben ik, bijna drieënzeventig jaar oud, gelukkig herstellend van een paar nare ziekten, vastberaden om door te gaan met lesgeven en schrijven. Ik zal toekomstige polemieken zoveel mogelijk proberen te vermijden. Wat heeft het nog voor zin? Het geld en de aandacht gaan tegenwoordig naar universitair onderzoek in wat men genderstudies of homostudies noemt.

Elke vrouw die bij mij wilde studeren adviseerde ik dat ze zich, als ze een academische carrière ambieerde, moest wijden aan eskimo-lesbische studies. Ik wist zeker dat zoiets ergens bestond. En ja hoor, een paar jaar geleden kreeg ik een boze brief van een vrouw, een Inuit, die doceert aan de universiteit van Alaska. Ooit was ze een groot bewonderaar van mijn werk, schreef ze, maar ze doceert Inuit-lesbische studies en ze achtte mijn opmerking onvergeeflijk.

Je lacht, maar bedenk wel: bij ons hebben de academische opportunisten en vreeswekkende feministes de canonieke literatuur geruïneerd.’

Harold Bloom

guerrilla-aanval

Dat zegt de auteur van het standaardwerk The Western Canon. The Books and School of the Ages (1994). Daarin pleit hij dwars tegen de cultuurrelativistische geest op de Angelsaksische universiteiten in voor hiërarchie op grond van artistieke kwaliteit alleen. Fel weert hij zich tegen feministen, marxisten en multiculturalisten die de literatuur niet als doel, maar als middel tot maatschappelijke verandering beschouwen. Pragmatisch en persoonlijk benadert Bloom de literaire canon als manier om zich de literatuur die hij een leven lang gelezen heeft te herinneren en te ordenen.

Slechts die verbeeldingrijke literatuur die het in Blooms optiek waard is om te herlezen, die als voornaamste kenmerk van literaire authenticiteit de ‘strangeness’ bezit die de grootheid van het werk en de schrijver uitmaakt, haalt zijn canonieke selectie – van De goddelijke komedie tot Endgame. Het is een prometheïsche onderneming om zo eigenmachtig te bepalen welke literatuur uit de westerse traditie de canon bereikt. Maar omdat Bloom zijn leven doorgebracht heeft met lezen, herinneren, oordelen en interpreteren van verbeeldingsrijke literatuur, weet hij als geen ander waar hij over spreekt.

U schreef in The Western Canon: ik hoop dat mijn boek geen elegie zal zijn, dat de lemmingen zich van de afgrond zullen afkeren.

‘Ze springen nog steeds van de rotsen. Ik wilde mij met The Western Canon inzetten voor het behoud van de literatuur. Maar, my dear, in de Engelstalige wereld, die van de academie en de media – een van mijn grappen vandaag: de mediaversiteit – is de strijd voor een canonieke intellectuele en esthetische standaard in wat ooit literatuurstudie werd genoemd voorgoed verloren. Het enige wat ik kan doen is een guerrilla-aanval uitvoeren, maar de oorlog is verloren.

Met de academische instituties en de vaak daaraan gelieerde, zogenaamde literaire elites zoals die rond The New York Times, komt het niet meer goed. Natuurlijk zijn er nog vrijplaatsen. Deze universiteit waaraan ik al vanaf 1955 verbonden ben (Yale – JV) excelleert nog steeds in literatuurwetenschap. Zoals een van mijn vroegere studenten, die hier nu college geeft, zei toen ik ooit klaagde: “Harold, dit is nog steeds een plek waar zeven docenten colleges geven over John Milton.” Dat stemde mij sprakeloos, want waar ter wereld zetten ze zeven man op John Milton? Ik ga daarom in september terug voor de klas.’

‘Ik heb Multatuli en Mulisch gelezen. Zeer interessant, al heb ik mij niet echt in hun werk verdiept.’

rare uitspraak

Achterin The Western Canon is een indrukwekkende lijst opgenomen met de door Harold Bloom uitverkoren wereldliteratuur. Helaas wordt Erasmus daarin tot de Duitse literatuur gerekend. Bloom voorziet mijn vraag, want hij barst los: ‘Vergeet die lijst. Of Erasmus nu Duits of Latijn schrijft maakt niets uit, hij is een puur Hollandse geest. Net als Baruch de Spinoza, hoewel joods, een puur Hollandse geest is. Ik moet je vertellen, die lijst was niet mijn idee, maar die van mijn uitgever en mijn agent, bij wijze van verkoopstunt. Ik heb dat geweigerd, maar ze hebben mij per contract gedwongen. Dus heb ik uit protest een lijst uit mijn hoofd opgedreund; ik heb niets geraadpleegd, niks is echt chronologisch, er zijn lacunes. De Nederlander Joost van den Vondel, een prachtige dichter en groot vertaler, ontbreekt bijvoorbeeld. Ik heb die lijst tenminste uit de Italiaanse en Zweedse vertaling weten te houden.’

Is er nog hoop voor de moderne Nederlandse literatuur?

‘Ik heb Multatuli en Mulisch gelezen. Zeer interessant, al heb ik mij niet echt in hun werk verdiept. Er is nooit genoeg tijd om alles te lezen. Het ultieme argument voor welke canon dan ook is dat je tijdens een heel lang leven elke dag de godganse tijd kunt lezen en dan nog heb je niet alles gelezen wat van grote waarde is. Onlangs las ik in een boek: zelfs Harold Bloom heeft niet alles gelezen. Waar. Ik wilde dat ik meer tijd had om de Nederlandse taal te leren. Maar dat zou me een jaar kosten.

Het is nu zeven maanden sinds mijn operatie. Mijn artsen zeggen dat het trauma van een openhartbypassoperatie zo’n tien maanden tot een jaar duurt. Pas in oktober zal ik de nachtmerrie vergeten. Vorig jaar speelde mijn artritis erg op. Ik kreeg heel sterke medicatie. Ik denk dat ik een overdosis heb genomen. Ik zal het nooit vergeten: 5 september, een woensdag, ik was in de badkamer boven, keek vrolijk vooruit naar een leuke dag: een assistent zou me komen ophalen met de auto en ik zou colleges geven. En ineens was alles wat ik kon zien bloed. Overal bloed. Mijn vrouw heeft meteen de ambulance gebeld en die kwam binnen een minuut. Vijf pinten bloed hebben ze me gegeven. In het ziekenhuis bleek hoe slecht ik eraan toe was: twee grote slagaders totaal verstopt. Ze opereerden vier en een half uur. Daarna verbleef ik weken in het ziekenhuis. Nu ga ik naar de gym en leer dat er spieren zijn in mijn lichaam waar ik nooit weet van had.

Volgende maand word ik drieënzeventig. Ik ben nog niet klaar om te stoppen met lesgeven. Misschien ben ik zelfs bang dat ik dan doodga. In theorie kan ik nog vijftien, zestien, zeventien jaar leven: veel tijd om te lezen. Maar je weet het nooit. Ik las ooit als een allesverslindend vuur, álles wat in mijn buurt kwam, zelfs de tekst op het pak cornflakes.’

Terugblikkend op zijn jeugd noemt hij zichzelf een freak, een rare. Hij glimlacht bij het beeld van de leergierige kleuter in een gezin uit de East Bronx, te midden van een half miljoen mensen die slechts Jiddisch spraken. ‘Ik was het vijfde kind en de jongste in ons gezin. Mijn vader werkte hard als kleermaker; we hielden het hoofd net boven water. Ik was een eenzaam kind, ondanks drie oudere zeer liefdevolle zussen en een erg toegewijde moeder. Ik had weinig vrienden. Ik leerde mezelf Engels lang voordat ik naar school ging. Daarom heb ik tot de dag van vandaag een rare uitspraak. Omdat ik de taal met het oog en niet met het oor heb opgepikt. Mijn grote passie was lezen.

‘Ongeveer tot mijn vijfendertigste kon ik bliksemsnel lezen en zeker als het gelezene mij bekoorde, leerde ik het uit mijn hoofd.’

Toen ik groot genoeg was om de boeken te kunnen dragen, ging ik naar de bibliotheek. We hadden geweldige bibliotheken toen. De stad New York heeft inmiddels daar geen geld meer voor over. Als ik niet die geweldige Bronx Public Library had gehad! Ik heb echt mijn weg door alle filialen gelezen en toen ik vijftien was, nam ik de metro naar de 42ste straat, naar de grootste bibliotheek in de stad. Die leende niet uit, dus zat ik de hele dag in de leeszaal. Daarna kreeg ik een beurs, ging ik studeren en ben ik aan de magnifieke universiteitsbibliotheken begonnen.

Ongeveer tot mijn vijfendertigste kon ik bliksemsnel lezen en zeker als het gelezene mij bekoorde, leerde ik het uit mijn hoofd. Alle grote dichters kende ik uit mijn hoofd – een enorme hulp bij het lesgeven. Ik heb mijn leerlingen willen bijbrengen dat ze dingen kunnen bezitten door het geheugen. Probeer een paar uur binnenshuis door te brengen en lees dit gedicht hardop, een paar keer, voor jezelf of voor iemand anders. Vecht om het te begrijpen en als je het uit je hoofd leert, wordt het een deel van je. Maar neem niet de moeite om iets te lezen dat die moeite niet waard is.’

Het lijkt erop of Bloom een primair vertrouwen heeft in de smaak van de literatuurliefhebber. ‘Gelukkig heeft de gewone lezer geen last van de intellectuele en culturele malaise. Nog steeds zijn er honderdduizenden ter wereld die liever Shakespeare, Proust en Tolstoj hebben dan de supermarktfictie van Toni Morrison. De ideologische nonsens raakt ze niet. Maar er is tegenwoordig een nieuw probleem: er zijn meer opgeleide, geletterde mensen dan vroeger, de belezenheid neemt toe, maar dat gaat gepaard met een grote mate van semi-geletterdheid.’

‘Het is bagger, absolute rotzooi, vreselijke troep, afgrijselijk – al die miljoenen lezers hebben ongelijk.’

Harry p.

Het is duidelijk waar Bloom op doelt. De dag na onze ontmoeting zal de nieuwe Harry Potter in de boekhandel liggen. Zelfs in de prestigieuze universiteitsboekhandel van Yale hing een aankondiging. Bloom gebaart dat ik de P-naam niet mag uitspreken.

‘Ik heb de afgelopen weken veel televisieprogramma’s en journalisten afgewimpeld die mijn mening wilden over dát boek – ik zal de titel niet noemen. Het is bagger, absolute rotzooi, vreselijke troep, afgrijselijk – al die miljoenen lezers hebben ongelijk. Slecht geschreven, het ene cliché na het andere! Ik heb mijn vrouw en mezelf plechtig beloofd niet over dat boek te praten, omdat ik me dan zo opwind, dus dit is het laatste wat ik daarover zeg: toen het vorige deel in deze stuitende reeks verscheen, schreef ik een artikel over dat boek in The Wall Street Journal.

De haai van een redacteur die mij overgehaald had dat stuk te schrijven, belde kort na publicatie en zei: “Harold, zoiets hebben we nooit meegemaakt, in een week hebben we vierhonderd brieven gekregen. Allen schelden ze op je. Slechts één iemand neemt het voor je op, we nemen aan dat je die brief zelf geschreven hebt.” Ik zei: “Natuurlijk niet. Druk ze maar af, ik lees The Wall Street Journal toch niet, ik zal ze nooit zien, gegroet.”

Toch denk ik niet dat dit soort literatuur door de eeuwen heen veel verandert. Als je naar de geschiedenis van het lezen kijkt en ziet wat mensen honderd jaar geleden in Amerika, Engeland of Italië lazen, zie je dat negentig procent daarvan inferieur was. Dus zo’n fenomeen van onze tijd is van alle tijden. Maar dit boek nu is bijzonder afstotend, omdat het om zulke enorme oplagecijfers gaat en het geen greintje esthetische waarde bezit.’

Wat je ten positieve over dát boek zou kunnen zeggen, is dat miljoenen zich nu van het beeldscherm afwenden en misschien blijven lezen.

‘Ja, maar is dat wel zo’n positieve ontwikkeling? Ik heb twee jaar geleden de bloemlezing Stories and Poems for Extremely Intelligent Children gepubliceerd die wereldwijd vertaald is, zelfs in het Bahasa. Al die mensen die ik tijdens signeersessies sprak waren dezelfde mening toegedaan: doet er niet toe wat, als kinderen maar lezen. Maar dat is niet zo! Mijn vrouw heeft gewerkt als schoolpsycholoog in Brandford, hier vlakbij. Na de zomervakantie bleek dat de kinderen maar één auteur hadden gelezen: Stephen King. Het vorige deel van die vreselijke reeks die ik niet nader aan wil duiden, werd door Stephen King gerecenseerd in de boekenbijlage van The New York Times, ook een bastion van semi-geletterdheid. Zonder ironie trok hij op het eind van zijn recensie de volgende conclusie: als kinderen die elf, twaalf zijn dit boek lezen, worden ze klaargestoomd om op hun veertiende met Stephen King te beginnen. Dat is pas horror, als je het mij vraagt.’

‘Als mensen niet leren om beter te denken, dan… kijk naar de Verenigde Staten.’

Nochtans lijkt u in uw recente boek How to Read and Why niet pessimistisch over de toekomst van literatuur.

‘Omdat ik mij daarin richt tot hen die lezen ervaren als, vrij naar Shelley, een zoektocht naar een moeilijk genot. Lezers dienen geen makkelijk maar moeilijk plezier na te jagen. Als we onze relatie tot de kunst niet veranderen, als we niet die overgang naar het moeilijke ondergaan, hebben we niets gedaan, niets bereikt.

Maar ik ben somber als ik aan het huidige onderwijs denk. Tegenwoordig doceert men bij het vak Engels slechts business-Engels. Mensen lezen geen Shakespeare meer, ze trainen voor een baan. Op de lange termijn is dat veel gevaarlijker dan de financiële crisis of de ideologische wartaal op de universiteiten. Ik maak me grote zorgen. Denken is tenslotte een kwestie van herinnering. De vraag is: wat bewaart de herinnering? We koersen al op een grotendeels orale en visuele cultuur af. Als ons literaire geheugen dan ook nog neerkomt op’ – ineens, zonder aarzeling – ‘Harry Potter, zijn we verloren.

Wie het allerbeste leest dat geschreven is, Shakespeare en Dante en Tolstoj en Proust, die gaat ook beter denken. Als mensen niet leren om beter te denken, dan… kijk naar de Verenigde Staten. Het enige wat deze regering doet is een sterk leger in stand houden en belasting voor de rijkaards afschaffen. De burgers van dit land spreiden een enorme stupiditeit tentoon door zich hierover te laten hersenspoelen. Onder Bush zal alles zo slecht worden dat het publiek hem uiteindelijk zal haten, maar tegen die tijd heeft hij een nationale schuld van vele triljoenen dollars gecreëerd en zal de regering failliet zijn.’ Hij zucht, zegt dan: ‘Ik voel mij de laatste tijd meer en meer een eenmanspartij.’

Zonder medestanders?

‘De Verenigde Staten hebben vier grote levende schrijvers: Philip Roth, Don DeLillo, Thomas Pynchon en Cormac McCarthy. Sommigen van onze beste dichters zijn helaas dood: Elizabeth Bishop, Archie Ammons. John Ashberry is waarschijnlijk onze beste levende dichter. Ik ben niet onder de indruk van Engelse romanschrijvers als Martin Amis, Julian Barnes en Ian McEwan. En verder… Saramago is een groot schrijver, ook al kreeg hij de Nobelprijs voor literatuur.

‘We lezen zoveel boeken omdat we onmogelijk zoveel mensen zullen kunnen leren kennen.’

De meeste recensenten van mijn boeken in Engelstalige landen storen zich aan wat ik juist het meest waardevolle om te doen vind: meteen tot de grootheid van een auteur doordringen. Waar gaat het om in Hamlet? Wat is het dat ons zo prikkelt en het zo moeilijk maakt om hem het hoofd te bieden? Proust vertelt in Op zoek naar de verloren tijd misschien het beste verhaal in de literatuur van de twintigste eeuw. Zelfs Joyce kan hem niet evenaren. Wat is het, dat de ervaring van meegaan met die verteller tot zo’n geweldige ervaring maakt? Waarom betekent het zoveel voor ons? Waarom is seksuele jaloezie bij Proust een angstwekkende komedie en tegelijk iets met een tragische intensiteit? Dáár moet literaire kritiek over gaan.

Ik heb ooit geschreven: we lezen zoveel boeken omdat we onmogelijk zoveel mensen zullen kunnen leren kennen. Het is bovendien ontzettend moeilijk om mensen intiem te kennen. Maar Hans Castorp kun je na het lezen van De toverberg helemaal kennen. Daarnaast lezen we de grote romans om onszelf te sterken tegen onze levenslange sombere passiviteit. Onze wanhoop vraagt om het medicijn van een wijze vertelling.’

Maar u schrijft ook: een deel van het nut van lezen is om onszelf voor te bereiden op verandering en de laatste verandering is helaas universeel.

‘Ik denk veel na over die laatste verandering, dezer dagen, omdat veel mensen van mijn generatie helaas vertrokken zijn. Ik ben een zeer dierbare en naaste vriend kwijt, de dichter Archie Ammons, anderhalf jaar geleden, op 27 februari 2001. Sindsdien jaagt hij op mij. Als mensen die we niet genoeg hebben leren kennen, maar die ons dierbaar waren, ons verlaten, gaan we door met lezen en moeten we ergens de hoop hebben dat, als we de goede boeken te pakken krijgen, we op de een of andere manier antwoorden krijgen of iets terugkrijgen van wat we kwijt zijn. Zodat het gemis minder wordt.’