Jamal Ouariachi realiseerde zich tijdens het schaamtevol naar binnen schrokken van een Quarter Pounder, dat hij zich midden in de smeltkroes van de globalisatie bevond. Gewoon in de gemiddelde McDonald’s.

De bezigheid op locatie A eindigde rond 18 uur, terwijl ik op z’n vroegst om 19 uur op locatie B hoefde te zijn. Het kostte hooguit een kwartiertje om van A naar B te wandelen en daar ik vermoedde dat mij bij B geen volledige maaltijd te wachten stond, besloot ik de overtollige minuten te gebruiken om onderweg snel ergens iets te eten. Het kopstootje dat ik op locatie A had gedronken riep die kenmerkende alcoholische trek in vettigheid in mij op: ik dook de McDonald’s in.

Ik leid het wat omstandig in, want er kleeft veel schaamte aan zo’n bezoekje. De spijt begint eigenlijk meteen al bij het binnenstappen. En dan moet je nog bestellen. En met je zondige dienblad een plekje zoeken onder die akelige verlichting. Hopen dat je niemand tegenkomt. Zo snel mogelijk die Quarter Pounder naar binnen prakken, afwisselen met een frietje, wegspoelen met een paar slokken prikvrije cola…

Terwijl ik daar zo schaamtevol zat te schrokken, keek ik schichtig om me heen – en toen kwam de ontspanning. Ik constateerde dat er in al die jaren niets veranderd was, dat deze McDonald’s – op steenworp afstand van mijn oude middelbare school – nog altijd hoofdzakelijk een jongerenrestaurant was. Als vijftienjarigen kwamen mijn klasgenoten en ik hier om de vreetkick na het blowen te lenigen.

Zo snel mogelijk die Quarter Pounder naar binnen prakken, afwisselen met een frietje, wegspoelen met een paar slokken prikvrije cola…

Destijds, halverwege de jaren negentig, was dit al een multiculti-vreetschuur, en dat bleek nog steeds zo te zijn. Politici komen en gaan, maar de multiculturele samenleving zal blijven bestaan, want de geschiedenis is onomkeerbaar. Deze ogenschijnlijk weinig inspirerende plek was daar het symbool van: Amerikaans bedrijf, wereldwijd gevestigd. Als je ergens de globalisering en de versmeltkroesing aan het werk zag, dan wel hier. Al heel wat jaren lang. Hier zat zwart en wit vredig naast elkaar klef vlees te verwerken. In Azië en Afrika smikkelden ze net zo goed van hun Quarter Poundertje als ik hier in Europa.

Ik begon aan de andere kant van mijn burger te knagen omdat het met saus volgespoten vlees daar nogal vervaarlijk over de rand van het broodje helde. En terwijl er saus in mijn baard liep, dacht ik aan de mensen voor wie dit alles een nachtmerrie was. De zwarte pietverheerlijkers, de moslimvrezers, de vluchtelingenhaters, de eigen-volk-eersters. Ik dacht: hun tijd is voorbij. Definitief. Ze denken dat ze weten wat Nederland is, maar ze hebben het fout, ze lopen achter. Elk multicultureel probleem is een Nederlands probleem. Je hoeft niet eens een idealist te zijn of een fatsoensrakker of een linkse grachtengordelbewoner om dat vast te stellen. De tijd van de achterlopers is voorbij, en dat is terecht. De mensen die anderen het Nederlanderschap willen ontzeggen: ze verdienen niet anders dan dat hun nachtmerrie werkelijkheid wordt.

Alles was op. Ik liet een gedempte boer, veegde kin en vingers af met een servet en toen ik opstond merkte ik dat ik naar de wc moest. Een muntje van 50 cent volstond, de toiletjuffrouw was een blanke dame met blond haar, lekker plat Amsterdams accent. Sympathiek wijf trouwens, daar niet van. We hoefden ons allebei nergens voor te schamen.