opnieuw relevant, want

Ilja Leonard Pfeijffer zit zondagavond bij Zomergasten.

Jarenlang, en misschien nog steeds, liep Ilja Leonard Pfeijffer (Ilja, naar Ilja de kleine ganzenridder, het kinderboek) rond met een fotoportretje van zichzelf ‘as a young man’, dat hij op verzoek liet zien: een keurige, kortgeknipte jongen, richting nerd, waarschijnlijk de student die ooit klassieke talen ging studeren en zich op een onheuglijk moment, ergens voordat wij belangstelling voor hem kregen, daarvoor de doctorshoed op de schedel liet drukken. Het laat zien dat deze schrijver en dichter tot drastische verkleedpartijen in staat is, want inmiddels kennen we hem als enigszins onverzorgde, langharige romantische verschijning, sterk gelijkend op de Franse decadente schrijver Theophile Gautier (en trouwens ook op Michiel de Ruyter uit de onlangs gelanceerde film), een complete make-over.

Verandering, registerwisseling, het zijn sleutelwoorden voor Pfeijffers werk, waarover straks meer. Nu eerst hoe hij begon. Het eerste gedicht uit de bundel De vierkante man, zijn debuut waarmee hij in 1998 direct de C.Buddingh’-prijs won, eindigt met de programmatische woorden: ‘serveer mij in roomboter gebakken beelden / en verzen met boulemie’. Een credo van vraatzucht en braakneiging dat zeker de eerste fase van zijn schrijverschap prima uittekent. Schijnbaar zonder veel discipline, maar in de geest van de door hem weer in volle glorie herstelde Lucebert (vast niet toevallig ook favoriet bij die andere vernieuwende dichter, Tonnus Oosterhoff), vreet hij zich met uiterst barokke poëzie een weg in de Nederlandse literatuur.

Een Rainbowpocket met een keuze uit zijn gedichten, getiteld De maan heeft geen liefde nodig uit 2008, probeert het allemaal gedomesticeerd aan de doorsneelezer te verkopen: ‘Pfeijffer staat bekend om zijn geestige gedichten, ongebruikelijke woorden en hedendaagse thema’s,’ lispelt de flaptekst. Wat u zegt: geestig, ongebruikelijk, hedendaags, dat is echt wel het allerbescheidenste wat je ervan kunt zeggen, nee, het is provocerend, rabelaisiaans, het kotst taal en het houdt zich op in de achterbuurten en de onderbuik van onze wereld. ‘Épater le bourgeois’ lijkt doelstelling nummer één.

In de uiterwaarden van de taal

Om te beginnen met de promotie van het werk zelf. Zonder de in onze calvinistische streken gangbare bescheidenheid kondigt Pfeijffer zich aan. ‘Deze toneeltekst (…) is een huzarenstuk van de bovenste plank,’ roept hij ons toe over zijn theaterstuk De eeuw van mijn dochter, en ‘Een meeslepend avontuur in het baggerwezen’, gevolgd door de aanbeveling uit De Baggerbode: ‘Ontroerend en leerzaam’, als ware het een werk uit de stal van stripuitgeverij Nooitgedacht: lees feestelijk, groei geestelijk. De Idyllen heet ‘bij voorbaat klassieke poëzie’. En op Het ware leven, een roman laat Pfeiffer optekenen ‘Echter is het nooit geweest’ en verder bij wijze van uithangbord: ‘Ilja Leonard Pfeijffer is etc. Librisprijs etc.*****’. Oftewel, Pfeijffer wil bekend zijn, niet anoniem pennend op een zolderkamertje maar welsprekend en omvangrijk in ons midden verkeren.

Sinds de democratisering van de literatuur in de jaren zestig is er geen schrijver geweest die zich zo uitbundig in de uiterwaarden van de taal heeft begeven, in de hoge maar met name ook in de lage registers. Zijn gedichten en romans gaan graag ruimschoots over de schreef als het gaat om traditionele schoonheid en beschaving, en dat in een tijd waarin er toch haast geen heilige huisjes meer bestaan. Hier, een willekeurige greep uit zijn cyclus ‘Touwen’, ‘een baggersonnettenkrans’:

Snollen met snotterend smegma dat druipt uit d’r gleuven.
Alle gehoerte als kipsaté pront op een stokje,
nou breekt m’n schoeisel het schompers met pindasaus, wok me
wokkeltje als het niet waar is. Met lekkende sleuven

alle addergebroed bloedend in Zeist op een rijtje.

Geen poëzie om mee bij je schoonmoeder langs te gaan, maar Pfeijffer exploiteert ongebruikte hoeken en nissen van de taal om te zien wat dat aan poëzie oplevert. Het is overigens een waardevrije onderneming, in de trant van de Vijftigers die de taal omploegden, maar niet de maatschappij.

Geen poëzie om mee bij je schoonmoeder langs te komen, maar Pfeijffer exploiteert ongebruikte hoeken en nissen van de taal.

Berenlul berenlul

Hoogte- of zo men wil dieptepunt van deze exercitie is Het grote baggerboek (2004), een grandioze stijloefening in grensoverschrijdend proza, met aan de ene kant een hyper-geaffecteerde psychiater aan het woord, aan de andere kant een meer dan doorleefde baggeraar die zijn beroep vooral verbaal beoefent: ‘Maar dat waren verdullemikkie wel dagen bij de Koninklijke, krijg nou tieten. We liepen daar de godganse etgemalen met onze pikkemansen uit de broek te steigeren en deze jongen toevallig nog wel een beetje krapper als het zooitje als je begrijp wat ik bedoelt. Dus. Er was toen dat liedje van start spreading your legs I’m coming tonight. En wij zingen. En ook die van berenlul berenlul geef me nog wat berenspul. Ook zingen natuurlijk.’

Het verhaal lijkt weinig om het lijf te hebben, baggeraar bouwt onwaarschijnlijke band op met klein oosters jochie en belandt in psychiatrische inrichting, maar verraadt intussen wel iets: het gaat Pfeiffer nogal eens om vriendschap, gemeenzaamheid, goede verstaanders.

Wie daarover meer wil weten, leze de inleiding bij zijn verzamelbundel poëzie De man van vele manieren (2008), waarin hij zichzelf uitroept tot miskend dichter, omdat men hem voor virtuoos en geraffineerd houdt, maar nee, ‘Er is niks virtuoos aan mijn gedichten. Ze zijn hulpeloos en oprecht. Het ziet er hier en daar misschien wat verboos en gewapend uit. Maar prik toch door mij heen. Ga toch niet op mijn robuuste uiterlijk af of op het robuust vertoon van mijn zinnen.’

Om het de lezer gemakkelijk te maken zich met hem te vereenzelvigen, liet hij zich voor de achterflap naakt, maar onglorieus en met een kennelijke kater op de bank voor zijn boekenkast afbeelden. Een portret dat je niet gauw vergeet, en de antipode van de gezonde, heroïsche naakte man die die andere exhibitionist, Jan Wolkers, ooit op een van zijn boeken liet zetten.

Een illusie van spontaniteit

Moeten we Pfeijffer eigenlijk geloven als hij zegt dat achter zijn zichzelf nogal eens overschreeuwende gedichten ‘een echt mens temidden van mensen’ schuilgaat? Het doet er weinig toe, zo wil hij zich in elk geval voordoen: grote bek, klein hartje. In een interview liet hij zich ontvallen hoe hij te werk gaat: ‘Steeds als ik de lezer aanspreek, benadruk ik dat hij daar zit en ik hier. Die vorm creëert ook een illusie van spontaniteit, alsof het allemaal ter plekke wordt bedacht. Zo kan ik de interpretatie van het verhaal sturen. En ik hou ervan om de lezer te betrekken bij het proces van hoe een roman tot stand komt. Ik wil de infrastructuur niet aan het zicht onttrekken, maar juist opzichtig buitenom aanleggen. Zoals bij het Centre Pompidou in Parijs.’

Moeten we Pfeijffer geloven als hij zegt dat achter zijn zichzelf nogal eens overschreeuwende gedichten ‘een echt mens temidden van mensen’ schuilgaat?

Pfeijffers openhartigheid over zijn werkwijze maakt deel uit van zijn belangrijkste wapen: de retorica. Daar weet de classicus Pfeijffer natuurlijk veel meer van dan wij, gewone lezers, die retorica al gauw met het vermaledijde ‘holle retoriek’ associëren. Maar voor classici is het nog altijd een meer dan levend instrumentarium. De classicus en dichter J.P. Guépin schreef zelfs een hele pil, De beschaving geheten, over retorica als fundament van onze cultuur. Aan Pfeijffer is dit alles welbesteed. In De man van vele manieren spreekt hij onder meer zijn banvloek uit over het toverwoord authenticiteit, dat in onze tijden zo makkelijk opgeld doet: ‘Willen we dan soms authenticiteit? Laat me niet lachen. Zoals onze politici zeker. Of onze vrienden. We denken te weten dat ze zijn zoals ze zijn en waarderen hen daarom. Sukkels zijn we. Alles is vorm.’

En omdat alles vorm is, kan alles ook verschillende vormen aannemen. Vandaar zijn identificatie met de mythische man van vele manieren, Odysseus Polytropous, de listenrijke. Nu eens potsenmaker, dan weer ernstig, nu eens liefdevol, dan weer onder de gordel, ‘iemand die telkens iets anders doet’. Het maakt het moeilijk de maker achter al deze romans en gedichten te betrappen, maar daar gaat het hem ook niet om, hij wil ons verleiden, behagen, met provocaties, met charme, met eerlijkheid, al naargelang het hem uitkomt. De waarheid is immers, net als authenticiteit, ook maar een dubieuze categorie: ‘Voor dieren is er niets dan waarheid, dat stemt triest,’ schrijft hij in de derde Idylle van zijn laatst verschenen werk.

Had ik dat al gezegd?

Een van de trucjes waarmee hij ons probeert in te palmen, is dus zijn schaamteloosheid, gesymboliseerd door zijn naakte en onttakelde ik op de foto. Een ander is zijn geveinsde vergeetachtigheid die in bijna al zijn boeken wel een rol speelt en die een soort vertrouwelijkheid suggereert: ‘Ik heb Herexamen gewonnen, of had ik dat al gezegd’ (De man van vele manieren), ‘Mijn gootsteen lekt, had ik dat al verteld’ (Het ware leven), ‘En we hadden elkaar in de ogen gekeken. Of had ik dat al gezegd.’ (La Superba) ‘Er was iets leuks vandaag, wat was het ook al weer?’ (Idyllen). Dat alles volgens het retorische charmeoffensief: ik ben ook maar een gewone jongen.

Ergens aan het begin van La Superba brengt Pfeiffer een ode aan de Genuese Via Amandorla, een steeg van niks, lelijk, ondoelmatig aangelegd met verkeerde stenen: ‘Dit alles maakt mij erg gelukkig.’ Het onaanzienlijke straatje, de lulligheid van de blote dichter. Zo rekent hij op de aantrekkingskracht van het armetierige.

Uiteraard kan de retoricus naar believen zijn stem verheffen en zijn stem dempen. Dat bewijzen zijn twee laatste boeken, de roman La Superba (2014) en de dichtbundel Idyllen (2015), waarin een zachtere toon wordt aangeslagen dan in het vroege werk. Misschien komt het omdat de dichter, die Pfeijffer eigenlijk in al zijn werk is, niet alleen meer op zoek is naar lauwerkransen, maar nadrukkelijker dan ooit ook naar het meisje, de muze, en zelfs naar de zin van het bestaan. In La Superba, dat niet alleen een ode is aan Pfeijffers zelfverkozen woonplaats Genua maar ook aan de vrouwelijke schoonheid. ‘Je moet je leven veranderen, dacht ik toen ik haar zag,’ schrijft Pfeijffer in navolging van Rilke.

Uiteraard loopt de zoektocht op niets uit, anders zou ze literair niet geslaagd zijn. Het vrouwenbeen dat Pfeijffer als een soort onderpand bewaart, blijkt aan een man toe te behoren, de liefdesscènes in het boek, zelfs die met de aanbedene, zijn stuk voor stuk van een ellendige soort. ‘Strak, hard en gelaten’ probeert hij de teleurstellingen te verteren, maar je voelt dat het hem pijn doet. Eigenlijk is de voornaamste liefde die hij vindt de lezer, die hij voortdurend met ‘mijn vriend’ aanspreekt, amicaal, verbroederend, ook weer in de sfeer van de retorica: jij mijn luisteraar bent mijn bondgenoot.

Pfeijffers stem in La Superba is bij alle virtuositeit een tandje kalmer dan we van hem gewend waren, minder provocerend, geen scheldpartijen of vuilbekkerij. Wat dat betreft heeft het boek zelf ook iets superbs. Hij kreeg er de Libris Literatuurprijs 2014 voor, dus de kans bestaat dat hij de toon van dit geslaagde werk in de toekomst vaker uitprobeert.

De nieuwe Pfeijffer

In elk geval past ook zijn laatste project, Idyllen, bij de nieuwe Pfeijffer. Het zijn er vijftig, geschreven in de moeilijke want altijd voor stijf en formeel gehouden alexandrijnen. Ze rijmen dus volop en spelen zich af in een streng gedisciplineerd metrum. Dat is allemaal noodzakelijke vorm maar het is vooral de inhoud die raakt. Het lijkt of Pfeijffer wil afrekenen met zijn vroegere ik. In de zevende Idylle lezen we over een soortement paulinische bekering:

Geen deconstructies meer, geen cryptogram, geen quiz.
we zullen moeten leren zeggen hoe het is.
Ik heb het zelf in het verleden fout gedaan,
ontwortelaartje dat ik mij daar was. De waan
dat ik de toch al losse schroeven nog meer moest
ontregelen en hoopjes zekerheden woest
moest ondergraven, heeft de zaak geen goed gedaan.
Ook wie een goede vraag heeft, wil graag zijn verstaan,
want anders is er niemand meer die het nog snapt.

en verderop:

De romantiek van épater la bourgeoisie
heeft stof verzameld als een kostbaar relikwie
dat relevantie en urgentie heeft verloren.

Ook berouwvolle inkeer kan een retorisch middel zijn.

Intussen geven de Idyllen een tobbende, existentieel verwarde dichter te zien, ‘twijfelend in niemandsland’ en op zoek naar de waarheid, vol momenten van wanhoop, ‘Er is een muur tussen mij en de wereld’ en toch ook weer op zoek naar het eenvoudige geluk dat hij uit zijn jeugd ophaalt, ‘Op foto’s sleutel ik in pyjama aan een truck / van plastic. Maar het was niet erg. Hij ging nooit stuk’, een geluk dat hij in het hier en nu probeert te vinden, hij wil wel ‘met tuinbroekmeisjes grachtenpanden witten’.

Niet toevallig komen er in de Idyllen regelmatig flarden Nijhoff langsdrijven, het gedicht heeft iets weg van Nijhoffs Awater: het is de zoektocht van een man naar een kameraad en bondgenoot, naar een levensdoel; ernstiger toon en thematiek dan die in Idyllen hebben we tot nu toe niet van hem vernomen.

Misschien probeert Pfeijffer in zijn laatste werk zijn zin te krijgen, namelijk dat we door zijn retorica heenprikken en de ware mens achter de coulissen aantreffen. Het is de vraag of we daar in willen tuinen of in alles de retorische illusie blijven zien.