Vrij Nederland deelt dit artikel met jou.
Het zijn tijden voor Vrij Nederland.

Hoe Warffum werd wakkergeschud

Louis Stiller
Warffum. Foto: Jan Rosseel
Aardbevingen hebben veertig procent van de woningen beschadigd in het NoordGroningse Warffum. De laatste voorzieningen begonnen te verdwijnen. Maar het tij werd gekeerd, dankzij de inspanningen van de wakkergeschudde bewoners en een handjevol pioniers, schreef dorpsbewoner en journalist Louis Stiller in 2015.

Vandaag werd bekend dat Louis Stiller de Groninger Persprijs heeft gewonnen met dit artikel. Het verscheen op 7 februari 2015 in Vrij Nederland.

‘Dikke scheuren, buiten en binnen. Glas kapot, ornamenten, alles. En jullie?’

‘Voorgevel, barsten in de buitenwanden, binnen, buiten, overal, dikke puinhoop.’

Buurman voegde zich bij het gesprek in de Spar. ‘Bij ons is het vooral achter. Het museum heeft ook flinke klappen gehad. En bij die boerderij aan de Oudedijk is de zijwand zowat ingestort.’

Het ging nergens anders meer over in de vroege zomer van 2013, bij de dokter, bij de bakker, bij de plaatselijke Spar, op straat: overal waren de gasbevingen het gesprek van de dag. Bedragen, termijnen en technische details gingen in ons dorp van hand tot hand, van oor tot oor. ‘Tweeëntwintigduzend. En bij jullie?’ ‘Zeventien. De schoorsteen moet helemaal gestut worden.’

Vier winkels

Ons dorp: Warffum. Gelegen in het noordelijkste puntje van de provincie Groningen, vlak onder de Waddenkust (Rottumeroog en Rottumerplaat behoren tot onze gemeente). Een dorpje dat op de grootste wierde van Nederland ligt: een door mensen opgeworpen bult die 500 jaar voor Christus al bewoond werd. In onze achtertuin kunnen we de sporen van deze vroege wierdebewoners vinden, als we maar diep genoeg graven (wat we niet doen). Vlak na de oorlog woonden er bijna 4.000 mensen in dit dorp, maar sinds de jaren zeventig nam het bewonersaantal gestaag af tot de huidige 2.500. Toch was het dorp nog altijd springlevend, dankzij een middelbare school (met vwo-plus), een aanpalende bibliotheek, een gezondheidscentrum, een openluchtmuseum, een treinstation, een jaarlijks dansfestival, een handvol winkels en twee kroegen, waar tientallen verenigingen wekelijks of maandelijks bijeenkomen.

Reden genoeg voor ons om in 2007 voor Warffum te kiezen, toen we vanuit Friesland wilden verhuizen naar het Noord-Groninger platteland. Voor Warffum en niet voor een van de andere dorpen in de omgeving, want die hadden de afgelopen decennia hun winkels en horeca zien vertrekken, de bibliotheek zien sluiten, bushaltes zien verdwijnen en de jaarlijkse kermis teloor zien gaan. En wat is een dorp zonder kermis?

Zes winkels telde Warffum toen we er kwamen wonen. Vijf, toen de slager een paar jaar later overleed. Daarna vertrok de Duitse drogisterijketen Schlecker met de staart tussen de benen uit Nederland en waren het er nog maar vier: een supermarktje, een dappere bakker, een rijwielhandelaar en een dierenspeciaalzaak. Vier winkels, een Chinees restaurant, een kroeg en een café-restaurant. Daar moesten we het mee doen, de komende jaren.

Ons huis was kapot. Flink kapot.

En toen kwam 16 augustus 2012. Dikke boem. Drie komma zes op de schaal van Richter. In februari 2013 gevolgd door een van drie komma twee. Die twee bevingen veroorzaakten zoveel schade dat bijna veertig procent van de huizen in ons dorp moesten worden gerepareerd, bleek later. In onze straat bleef geen huis gespaard, zagen we. Overal liepen de bewoners hoofdschuddend rond hun huis, keken met spiedende ogen de gevels af, startten met veel gezucht de schadeprocedures en wachtten geduldig op de komst van de inspecteurs.

Zelf bleken we voor meer dan 13.000 euro schade te hebben aan ons huis. Scheuren buiten: onder het keukenraam, twee in de voor- en zijgevel, verticale scheuren in de sintelstenen pilaren en nog een getrapte barst onder een bovenraam. De voordeur had zijn dorpel verloren. Een dakornament was gebarsten en in de dakgoot beland, waar we het nog met de ladder van de totale ondergang konden redden. Binnen: kieren en scheuren langs de randen van stucwerk en in de houten balken van de zolder, barsten in de antieke gele ruitjes in de keuken, ontzette vensterbanken.Ons huis was kapot. Flink kapot.

Mismoedig maakten we om de paar dagen een rondje in en rond het huis en ontdekten nieuwe scheuren en barsten in muren en ornamenten. Waarom had niemand ons gewaarschuwd toen we dit huis zes jaar geleden kochten, zeiden we tegen elkaar. Hoge heren bij de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), bij de provincie en bij ministeries moesten dit toch hebben geweten? Die cijfers en voorspellingen lagen toch ergens in een la?

Waar was de verontwaardiging? Waar was de landelijke solidariteit?

Gehavend was ons huis, net als vele andere huizen in onze straat en in ons dorp. Warffum kreeg iets triests, zag ik als ik op donderdag of vrijdag uit de Randstad naar ons dorp terugkeerde en de gescheurde muren, verschoven daklijsten en gebarsten ramen zag. Onze dorpsgenoten keken ook met een andere blik naar de huizen: de ogen heen en weer schietend, van onder naar boven, bezorgd, de wenkbrauwen gefronst. Het dorp lag onder vuur en iedereen wist het.

Ook waardevol erfgoed bleek flink aangetast. De middeleeuwse kerk was omringd met steigers, niet alleen buiten, maar ook binnen. Op de top van de wierde had het blijkbaar ook flink geschud en het oeroude kerkje had een opdonder gekregen zoals het sinds de Beeldenstorm niet meer had meegemaakt.

Na de oorlog, mailde ik aan een vriend in het buitenland, zo voelde het. Meteen schreef ik er achteraan dat dat natuurlijk een overdreven beeld was, maar door die scheuren, gaten en steigers leek het alsof er niet lang geleden een ramp was gebeurd in ons dorp en we nu aan de wederopbouw waren begonnen – een wederopbouw die net zo goed morgen weer ongedaan gemaakt kon worden, door een volgende beving.

De firma Ad hoc

De 3,6 en de 3,2 leken het dorp over het randje van zijn leefbaarheid te duwen. Want na de slager en de Schlecker verdwenen nu in snel tempo andere winkels en voorzieningen. In het voorjaar van 2013 sloot bijvoorbeeld ook de plaatselijke kroeg in het centrum van het dorp zijn deuren. De pachter kon het niet bolwerken, een nieuwe kon niet worden gevonden. Afgetimmerde ramen in het centrum van ons dorp. Ook het voortbestaan van het enige andere café-restaurant, Spoorzicht, hing aan een zijden draadje: de eigenaren waren al voorbij hun pensioengerechtigde leeftijd en konden geen goede overnamekandidaat vinden. De schrik sloeg ons om ons hart. Zou ook het laatste café uit ons dorp verdwijnen?

Een paar weken later hoorden we meer slecht nieuws: het verzorgingscentrum werd opgeheven. Ouderen die niet meer zelfstandig konden wonen, moesten in de toekomst verhuizen naar een groter dorp, tien kilometer verderop, om daar hun laatste levensjaren door te brengen, zeer tegen hun eigen zin. Het pand kwam leeg te staan en werd bewaakt door de firma Ad Hoc, zo meldden de opgehangen borden.

‘Het was stil geworden in het dorp. Soms reden er schoolkinderen langs de weg, gebogen, driftig trappend, in lange slierten, tassen vol huiswerk achterop. Soms zag je in de verte een boer, hollend langs een sloot. Soms was er iets met een schaap, of er zat een trekker vast. Soms kwam er rook uit een schoorsteen.’ Zo beschreef Geert Mak in 1996 de economische en sociale neergang in het Friese plaatsje Jorwerd. ‘Zo verdween iets wat eeuwenlang een essentieel onderdeel was van het boerenbestaan: de eigen economie, binnen de grote economie. De grenzen tussen die twee vervaagden, in de dijk van trouw en traditie vielen steeds meer gaten, en opeens was de dorpseconomie weggespoeld en leek het alsof die nooit had bestaan.’

Ook in Warffum leek de dorpseconomie verstoord. Wie wilde nog investeren in de voorzieningen en winkels van ons dorp? Wie wilde onze huizen nog kopen? Zou ons dorp leeg en stil worden, zoals die andere dorpen, met angstige bewoners achter de ramen, wachtend op duister gerommel van de aarde?

Foto Jan Rosseel
Foto Jan Rosseel

Hoe groter een ramp, hoe langer het duurt voordat het echt tot je doordringt. In de dagen, weken, maanden die volgden op de tweede beving, leek het alsof we het allemaal niet konden of wilden geloven dat ons dorp voor onze ogen werd afgebroken. Ook het huis liet pas in de loop van de tijd zijn werkelijke schade zien: her en der zagen we scheurtjes en kieren die we niet eerder hadden opgemerkt, in wanden en buitenmuren, langs de randen van stucwerk, in sommige raampjes en balken, zelfs in de ruiten.

Buurman vertelde dat dit kwam omdat het huis zich weer moest zetten: na de klap van de beving was alles uit zijn verband geraakt en moest zich nu weer schikken. Dat klonk griezelig: een huis dat voor een kort moment zijn samenhang was kwijtgeraakt en dat zich daarna moest zetten. Het beeld dat we tot die tijd hadden gehad van huizen – en zeker zo’n stevig bijna-eeuwoud huis als het onze – was van een onbeweeglijkheid en onwrikbaarheid die weinig van doen had met woorden als ‘uit verband’ en ‘even zetten’.

Scheuren openbaarden zich pas na maanden en de meeste werden groter en groter naarmate de tijd vorderde. Je moest elke week een nieuwe inspectie houden om goed te kunnen zien hoe het scheuren-en-barsten-landschap zich ontwikkelde. De huizen waren inderdaad uit hun verband geraakt en zochten nu, krakend en scheurend, een nieuw evenwicht.

Net als wij. Na de onwennige lacherigheid van het begin, het ongeloof en de gelatenheid zette ook ons gemoed zich naar angst en wrevel. Boosheid over de grappen die elders over ons werden gemaakt. Op een feestje in de stad Groningen werd lacherig gedaan over ‘die bevinkjes’. Wat stelde dat nou voor? Het enige antwoord dat we in alle verbijstering konden formuleren, was een gedetailleerde opsomming van de schade aan ons huis. De volgende dag kwam het excuus per mail.

Aanstellers waren we, als we de commentaren en de cartoons mochten geloven. Pas boven magnitude zes kwamen de echte aardbevingen

Grappen doken ook op in de landelijke media, op Facebook en Twitter. Drie komma zes, twee komma acht, wat waren dat voor niksige bevingscijfers? Een eend en een kanarie rennen in hun overalls ervandoor. Fokke en Sukke zijn nuchtere Groningers. ‘Aaah!! 2 op de schaal van Richter!!’ ‘Dood! We gaan allemaal dooohood!’

Aanstellers waren we, als we de commentaren en de cartoons mochten geloven. Pas boven magnitude zes kwamen de echte aardbevingen. Zeven komma vijf was de verwoestende klap in Pakistan geweest. De tsunami van 2004 begon met een zeebeving van negen komma een. En ook de Fukushima-bevingen in Japan waren boven de negen geweest.

Dus.

We werden belachelijk gemaakt in de rest van het land en ondertussen begrepen zij niet dat de schaal van Richter gerelateerd moet worden aan – onder meer – de diepte van de beving en de gesteldheid van de bodem, zo wisten wij inmiddels maar al te goed. Berg- en zeebevingen vinden plaats op tientallen kilometers onder de aarde, terwijl ‘onze’ bevingen op minder dan drie kilometer onder de oppervlakte begonnen. Vandaar zoveel schade met zulke lage waarden.

Dus.

Louis Stiller in voormalig café De Terp, dat het dorp nu opknapt. Foto Jan Rosseel
Louis Stiller in voormalig café De Terp, dat het dorp nu opknapt. Foto Jan Rosseel

Door al die kennis en waakzaamheid werden we wantrouwiger en bezorgder. We doken in de cijfers en statistieken, zagen animaties voorbij komen die duidelijk maakten dat de bevingen steeds frequenter werden in onze omgeving. In 1992 waren er twee bevingen in Groningen, in 2002 elf, in 2012 drieënnegentig. Elk jaar, zo bleek uit de cijfers, groeide het aantal bevingen in onze omgeving. Als dat zo doorging, dan, nou ja, dan ging het maar door.

En het ging zo door. Het aantal bevingen bleef stijgen. In 2013 zouden het er zelfs 127 worden. Honderd en zeven en twintig bevingen in een jaar. Bozer werden we. Bozer en angstiger. Het had lang geduurd, maar blijkbaar heeft zoiets tijd nodig. Vragen tuimelden over elkaar. Wie was hier verantwoordelijk voor? Waarom hadden ze ons niet eerder gewaarschuwd? Waar was de landelijke verontwaardiging? Waar was de landelijke solidariteit? Er was toch voor 265 miljard euro hier uit de bodem gehaald – geld dat zo’n beetje het hele Nederlandse sociale stelsel al meer dan een halve eeuw overeind had gehouden?

Ziedend waren we. Over de draaikonterij. Over het pappen en nathouden. Over de plotselinge openheid na jaren van stilzwijgen. Gesprekken bij de Spar, in de kroeg of in de wachtkamer van de huisartsenpraktijk werden scherper en luidruchtiger. De overbuurvrouw sloot zich aan als actief lid bij de Groninger Bodembeweging, plantte een vlag in haar tuin en begon mee te doen aan demonstraties. Dorpscomités kwamen bijeen en moesten de gemoederen sussen.

En toen kwamen de najaarsstormen van 2013 – drie op een rij. Gehavende huizen zijn extra kwetsbaar voor storm, zo bleek. Ook bij ons vlogen de pannen van het dak bij de drie noorderstormen die in de herfst van 2013 vanaf de Noordzee over het Hogeland raasden. Ornamenten die decennialang alle soorten stormen hadden overleefd, werden door schuivende en vallende pannen kapotgeslagen. Daar lag het Maltezer kruis dat de daklijst bekroonde, een ‘origineel detail’ van bijna honderd jaar oud, in gruzelementen op straat, tussen de uiteengespatte Tuile de Nord-pannen. Terwijl de laatste stormregen op de straat spatte, drong eind 2013 de koude, Groningse werkelijkheid diep tot ons door: hier viel niet meer tegenop te klussen. Het werd ‘aal minder’, zoals de Groningers zeggen.

We moesten de komende jaren rekening houden met zwaardere bevingen, boven de 4,1 – misschien wel richting 4,5 of zelfs nog hoger

Koude en woede kropen nog dieper onder onze huid toen minister Kamp op 17 januari 2014 naar Loppersum kwam om zijn gasbesluit toe te lichten. Ineens hoefden we ons voor onze informatievoorziening niet langer te wenden tot de regionale radio en tv: onze bevingen waren landelijk en zelfs internationaal nieuws geworden. ‘The Dutch Earthquake Zone’ noemde de BBC ons. ‘Earthquakes Hit Gas-Rich Groningen’, kopte Bloomberg News. ‘Dutch to cut output from huge Groningen gas field,’ wist Reuters te melden.

Op de landelijke zenders werd, als verwacht, potsierlijk protest getoond: waar een tractor verscheen, begonnen camera’s te zoomen en te klikken. Boze demonstranten bonsden op de ramen en de wanden van het gemeentehuis, terwijl minister Kamp zijn persconferentie gaf. Een handjevol geërgerden probeerde naar binnen te dringen. ME’ers hielden ze tegen, het werd duwen en trekken. Eén arrestatie werd verricht. Chaos, meneer, chaos.

Eén arrestatie, gebons en geduw; en bijna zouden we vergeten wat Kamp ons kwam vertellen. Namelijk dat er minder gas zou worden gewonnen in de komende jaren: van 54 miljard kuub zou de winning teruggedrongen worden tot maximaal 42,5 miljard per jaar. De winning rond Loppersum zou sowieso sterk terug worden gebracht (met tachtig procent) en er kwam maar liefst 1,2 miljard beschikbaar voor het versterken van gebouwen en het stimuleren van de leefbaarheid en de economie. Luguberder nieuws kwam ook onder Kamps papieren vandaan: we moesten de komende jaren rekening houden met zwaardere bevingen, boven de 4,1 – misschien wel richting 4,5 of zelfs nog hoger. Tien procent kans bleek er te zijn, op die beving van 4,1: een beving die gebouwen om zou doen vallen en mogelijkerwijs doden tot gevolg zou hebben.

Sigaar uit eigen doos

Wanhopig probeerden we ons dat voor te stellen: tien procent kans op een dikke beving. Wat betekende dat precies?

De gesprekken vlamden op in de supermarkt, in de kroeg en bij de dokter. Hoofdschuddend vertelden we elkaar dat er volgens deskundigen helemaal niets klopte van wat Kamp ons had voorgehouden: de terugdringing was helemaal geen terugdringing maar een terugkeer naar de normale gaswinning van vóór 2012 en 2013 – jaren waarin er uitzonderlijk veel gas was onttrokken aan de bodem (wat wil je, in crisistijd). En van die beloofde 1,2 miljard was maar een zeer gering deel voor de gedupeerde bewoners en hun kapotte huizen. Het waren vooral overheidsgebouwen en dijken die extra verstevigd moesten worden en die gemakshalve in het sommetje waren verwerkt. Kluitje in het riet. Sigaar uit eigen doos.

‘’t Is om te janken.’

‘Kon ik dat maar.’

Ander kathedraalglas

Het voorjaar van 2014 kwam en met de eerste lentebriesjes arriveerde eindelijk ook de aannemer om ons huis op te knappen. Met enige angst en licht wantrouwen zagen we de busjes en wagentjes met aanhangers op een maandag komen aanrijden en bespraken we met de voorman wat er moest gebeuren. Nu zouden we ook meemaken wat veel van onze buren en dorpsgenoten al eerder hadden ervaren: het repareren van de bevingsschade. Grote koffiekannen werden gevuld, suiker en melk aangekocht, een koektrommel volgestopt. Mijn thuiswerkende vrouw had gelukkig een vakantiewoning kunnen huren om haar werk voort te zetten, want al snel schalden de radio’s, begon het gehak, gebreek en getimmer en vluchtten de katten het huis uit.

Foto Jan Rosseel
Foto Jan Rosseel

Ondanks het geluid, het stof en de voor ons nieuwe werktijden (vroeg beginnen, vroeg stoppen) begonnen we wat meer vertrouwen in de afloop te krijgen toen we zagen met welk vakmanschap ons huis werd opgeknapt. Omdat de antieke, lichtgele ruitjes van kathedraalglas nergens meer verkrijgbaar bleken, werd door de schilder een speuractie op touw gezet die uiteindelijk twee alternatieven opleverde: een wat donkerder geelgetint glas en een neutraal, doorzichtig glas, allebei van kathedraalglas. We kozen voor het laatste en dat betekende dat de schilder maar liefst 34 ruitjes moest vervangen – iets wat hij geduldig en nauwkeurig deed.

Net zoals zijn collega’s – oude dorpsgenoten uit Drenthe, zo bleek – geduldig en nauwkeurig stripten, schuurden, kitten, verfden en in de buitenmuren spiraalankers aanbrachten, waarna ze geduldig en nauwkeurig knipvoegen maakten. Ruim een week: langer duurde het niet en daarna hadden we een nieuw huis. Een nieuw, oud huis. Een huis met andere tint kathedraalglas in de keuken, met gedempte scheuren en nieuwe geknipte voegen.

Het voelde goed. Het voelde als een nieuw begin. We kregen weer zin om ook de rest van het huis en de tuin op te knappen – iets wat er het vorige jaar bij in was geschoten, wachtend op de Grote Verbouwing. Het daaropvolgende weekend – het was inmiddels half april – legde ik nieuwe borders achter in de tuin, verplaatste struiken, plantte krentenboompjes en bracht de groentetuin op orde. Een nieuwe lente, een nieuwe tuin.

Gelatenheid

Ook van andere kanten hoorden we dat het herstellen van de bevingsschade behoorlijk goed was gelukt en er een soort gelatenheid was doorbroken. Niet bij iedereen, vanzelfsprekend, maar wel bij een groot aantal dorpsgenoten die we spraken. Wat ook hielp, was dat er nu al meer dan een jaar geen zware bevingen meer waren geweest in en om ons dorp. (Wel een aantal lichtere.) Het bevingsgebied leek zich te hebben verplaatst. Ineens kregen bijvoorbeeld ook de randen van de stad Groningen met trillingen en schokken te maken. Ook daar klonk eindelijk grootscheeps protest. Ook de stad werd wakker geschud.

Langzaam, heel langzaam leek het dorp uit zijn neerslachtige lusteloosheid te ontwaken. In de maand dat ons huis werd gerepareerd, deed het Openluchtmuseum na een grondige verbouwing zijn deuren weer open. Een nieuwe entree, een compleet nieuw café-restaurant en een auditorium werden aan het museum toegevoegd. Er bleek ook een nieuw winkeltje in tweedehandskleding te zijn bijgekomen, aan de rand van het dorp. En de plaatselijke supermarkt kreeg een nieuwe eigenaar, een jonge ondernemer uit een naburig dorp die allerlei plannen had met de Spar-vestiging.

En het ouderencentrum Warfheem mocht dan opgeheven zijn, er werd aan een alternatief gewerkt. Een aantal verontruste burgers en verenigingen had de koppen bij elkaar gestoken en de stichting GoudOud in Warffum opgericht. ‘Als het plan slaagt, kunnen de ouderen “bijna allemaal tot hun dood” in het dorp blijven wonen’, berichtte NRC Handelsblad. ‘Eerst thuis, en als dat niet langer gaat, in een hofje met zo’n 25 aangepaste woningen.’

Om dit goed uit te kunnen voeren, vertelde het bericht, moesten professionals in het gezondheidscentrum in kaart brengen welke zorg ouderen nodig hadden. ‘De huisarts en de fysiotherapeut, de diëtiste en thuiszorgmedewerkers leveren de medische zorg, vrijwilligers de rest. Want vrienden, familie, buren en andere Warffumers gaan de ouderen zelf helpen, met eten, boodschappen doen, wandelen, vervoer, klusjes in huis, met het uitlaten van de hond.’

Als we niet langer gesteund worden door de instituten, dan moeten we het maar zelf organiseren, werd het devies

Een mooi initiatief, maar kwetsbaar en riskant, vond bijzonder hoogleraar samenlevingsopbouw Justus Uitermark van de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Want wat doe je als bij de enthousiaste aanjagers het heilige vuur dooft? Wat als de vrijwilligers ruzie krijgen of niet langer de tijd en de kennis beschikbaar hebben om er hun ziel en zaligheid in te stoppen? ‘Dat is een probleem bij basisvoorzieningen waarvan we willen dat iedereen er gebruik van kan maken. Daar kan je niet zeggen: eens kijken wie er vandaag komt.’

Natuurlijk had Uitermark daarin gelijk. Vrijwilligersinitiatieven – hoe goed geleid ook – blijven kwetsbaar en zijn nooit een volwaardig alternatief voor professionele zorginstituten. Maar ja, wat moet je, als er geen ‘institutionele verankering’ is, je ouderencentrum verdwijnt en de firma Ad Hoc verschijnt? Dan organiseer je zelf iets – en zo goed mogelijk.

Voorzitter Francie Kaaijk van de stichting GoudOud in Warffum draaide de kritiek van Uitermark dan ook om: waarom niet meer ondersteuning voor een dergelijke initiatief van de bestaande instituten. ‘Ik mis een stimulerende rol van de overheid, de zorgverzekeraars en de zorginstellingen,’ zei ze in datzelfde NRC-artikel. ‘Je hoopt dat ze zien: dit dorp ontdekt zijn eigen kracht, de zorg wordt goedkoper, hoe kunnen we dat ondersteunen?’

Bijles wiskunde
Foto Jan Rosseel
Foto Jan Rosseel
 

De eigen kracht. Dat was het. Ons dorp was zijn eigen kracht aan het ontdekken. Gedwongen door de omstandigheden kwamen er het afgelopen jaar allerlei commerciële en sociale initiatieven tot stand die weliswaar kleinschalig en kwetsbaar zijn, maar de energie en de mentaliteit van de bewoners wel hebben veranderd. Als we niet langer gesteund worden door de instituten, dan moeten we het maar zelf organiseren, werd het devies. De participatiemaatschappij begon hier, in ons kleine dorp.

Opvallend was dat er ook particuliere initiatieven de kop opstaken. Twee mannen uit het dorp kochten een vervallen pandje aan een van de centrale, eeuwenoude kerkpaden in het centrum van het dorp om er een openbaar huiskamercafé van te maken: geen café om dagelijks een biertje te drinken, maar een plek waar groepen, gezelschappen en verenigingen tegen geringe vergoeding gebruik van kunnen maken. Voorwaarde was wel dat de dorpelingen mee zouden helpen voormalig café De Terp op te knappen. En zo stonden we daar met werkhandschoenen, in de overalls, muren, plafonds en vloeren van het vervallen pand te slopen en te herstellen. Koffiepauze met koek en dan weer verder timmeren.

Een paar weken later was er een eerste vergadering: wat voor plannen hadden wij, dorpelingen, die we graag in dit pand zouden verwezenlijken? De klaverjasvereniging bleek onderdak te zoeken, evenals een ouderencommissie en een nog op te richten filmclub. We keken om ons heen en probeerden door de afgebladderde wanden en wankele plafonds heen te kijken: wat zou je nog meer kunnen doen met zo’n gemeenschappelijke ruimte? Misschien was het wel een plek voor de plaatselijke bierbrouwclub en de kookstudio? En waarom niet twee keer per week ontbijt of lunch voor de ouderen van GoudOud?

Nederland heeft ons opgegeven, de rest van de wereld gelooft blijkbaar nog in ons.

Anderhalve maand later kwam het bericht dat er subsidie was toegekend voor het huiskamercafé, door gemeente en provincie. Nu kon het pand ook daadwerkelijk worden hersteld en voorzien van verwarming, sanitair en een keuken. Nieuwe plannen konden worden gemaakt, vrijwilligers kregen nieuwe data doorgemaild. ‘We gaan beginnen!’

In de herfst van 2014 kwam er meer goed nieuws: de eigenaren van Café-Restaurant Spoorzicht hadden eindelijk een koper gevonden – de geruchten gingen al langer door het dorp – en de financiering die lang op zich had laten wachten, was eindelijk rond. Inderhaast kwam op een zaterdag het afscheid van de oude eigenaren en de maandag erop waren de nieuwe al aan het breken en slopen. Ook zij zaten vol plannen: van creatieve middagen tot huiswerkbegeleidingsmiddagen. ‘Iedere woensdag tussen 18.00 en 19.00 uur bijles wiskunde en natuurkunde. Wordt gegeven door bevoegde docent met humor en veel ervaring.’

Warffum is wakkergeschud. We moeten niet afwachten maar handelen. Van ons dorp weer een leefbare plek maken.

Een Google-datacentrum

Ondanks al deze initiatieven blijft de toekomst van ons dorp wankel. De bevolking vergrijst, winkels houden zich amper staande, huizen worden niet of nauwelijks meer verkocht en als de voorspelde aardbeving van meer dan 3.5 er komt, kunnen we weer helemaal opnieuw beginnen. Maar er is in het laatste jaar iets aangeboord waar we misschien wel langer profijt van kunnen hebben: de wil en het vermogen om zélf onze toekomst te organiseren.

Want wat telkens weer blijkt, is dat we het vooral moeten hebben van mensen uit ons eigen dorp of uit de naburige gehuchten. Investeerders, ondernemers en kopers van elders zien onze regio kennelijk als een verloren gebied, aangetast door de bevingen en niet of nauwelijks rendabel om te ondernemen. De bevolking zelf denkt daar anders over. Na de schok van de bevingen, de angst en de boosheid, is er een vitaliteit aangeboord die we niet eerder gevoeld of gezien hebben. Als we het niet van de instituten en bedrijven moeten hebben en de steun van de rest van Nederland op zich laat wachten, dan moeten we het maar met elkaar zien te rooien.

En misschien met enige buitenlandse hulp. Want eind 2014 kwam het bericht dat Google een megadatacentrum zal bouwen in de naburige Eemshaven, dat deel van onze gemeente (Eemsmond) is. Na drie energiecentrales, een enorme mouterij, een veerdienst naar het Duitse Borkum en vele andere bedrijven, strijkt nu ook de leider van de digitale wereld neer in ‘onze’ Eemshaven, die begin jaren zeventig is gegraven en al decennialang op emplooi wacht. Nederland heeft ons opgegeven, de rest van de wereld gelooft blijkbaar nog in ons. En wijzelf ook.

Dertig jaar ontkennen, soebatten, pappen en nathouden

 

De gasgeschiedenis van Nederland begon in 1959 met de ontdekking van een gasveld onder de akker van boer Boon in het Groningse Kolham (gemeente Slochteren). Vier jaar later werd het eerste gas op grote schaal gewonnen en in de jaren erna ging Nederland massaal over op aardgas. Het gesleep met kolenkitten, olietanks en butagasflessen was voor de meeste Nederlanders begin jaren zeventig voorbij: vrijwel elk huis had toen een aansluiting op het aardgas, een gasfornuis, een geiser of een boiler en een gaskachel of centrale verwarming. Dankzij de gasvelden van Groningen.

Een ware gasbonanza barstte los. Overal in Noord-Nederland werden proefboringen gehouden en met seismografische instrumenten werd geluisterd naar wat de aarde los wilde laten over zijn bodemschatten. Drenthe, Groningen, Friesland, de Waddenzee, de Noordzee: overal onder het noordoosten van Nederland (en ook delen van het westen) bleken gasvelden te liggen. In Midden-Groningen lag een van de grootste ter wereld, met een omvang van zo’n 2.800 miljard kubieke meter (waarvan nu minder dan 1000 miljard over is). Van de opbrengst daarvan vloeide 265 miljard euro naar de staatskas. Elk jaar komt er zo’n 12 miljard bij.

Geen gehoor

Grond zakt, zoals sommige geologen al in de jaren zeventig voorspelden. De bevingsgeschiedenis begon officieel bijna vier decennia jaar na de eerste vondst bij Slochteren, toen op tweede kerstdag van 1986 de eerste grondsiddering zich in de omgeving van Assen openbaarde. Volgens ooggetuigen klonk er een dreun alsof een vrachtwagen ergens tegen een gevel was gereden. De theekopjes trilden op de tafels. Drie punt nul op de schaal van Richter. Buitenwanden en pleisterwerk waren gescheurd, maar konden niet met verzekeringsgeld worden gerepareerd, want, tja, een natuurramp is een natuurramp.

Bijna een jaar later was er weer beving, ook in de buurt van Assen, minder zwaar dan de eerste, maar goed voelbaar en met lichte schade her en der. Waar kwam dit vandaan, vroeg iedereen zich af. De eerste geruchten staken de kop op: zou dit toch iets met de gaswinning te maken hebben? Nijvere geologen en aardrijkskundeleraren als Dr. Meent van der Sluis uit Assen stuurden verontruste brieven naar officiële instanties en kranten, maar kregen geen gehoor. Onverbeterlijke intriganten, vonden de autoriteiten. Van der Sluis verkocht onzin, liet de NAM weten. ‘Hij was zo fel dat het uiteindelijk averechts werkte,’ vergoelijkte Dineke van As-Kleijwegt, oud-burgemeester van Assen en oud-gedeputeerde (PvdA) voor Ruimtelijke Ordening en Milieu in Drenthe aan de NOS in 2013.

Gaswinning en bevingen hadden niets met elkaar te maken, was lange tijd het officiële standpunt. In de week na de eerste beving wist Dr. Ritsema van het KNMI al in het Nieuwsblad van het Noorden te melden dat er geen verband kon zijn tussen de bodemdaling in Groningen en de gaswinning. ‘Dat is een geleidelijk proces, terwijl een aardbeving juist optreedt bij plotselinge veranderingen.’

Kennis van aardbevingen was destijds blijkbaar dun gezaaid in Nederland, kun je na al die jaren concluderen. In een artikel in NRC Handelsblad van tien jaar later (1997) vertelde dr. H.W. Haak, hoofd seismologie van het KNMI, dat wetenschappelijk niet bewezen kon worden dat gaswinning iets met de bevingen te maken kon hebben, uitgezonderd een serie trillingen in het Drentse Eleveld in 1991 en 1992. ‘In alle andere gevallen was sprake van circumstantial evidence,’ vertelde hij. ‘Soms een opeenhoping daarvan, wat betekent dat het oorzakelijk verband waarschijnlijk tot zeer waarschijnlijk is.’

Game changer

Sceptisch en afstandelijk was niet alleen het KNMI, maar ook de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), de onderneming die olie en gas in Nederland naar boven haalt en – anders dan de naam doet vermoeden – geen overheidsbedrijf is, maar een dochterbedrijf van Shell en ExxonMobil (met elk de helft van de aandelen). Omdat de gewone verzekeringsmaatschappijen geen reparatieschade uitkeerden, moest men bij de NAM aankloppen. Maar die was even duidelijk als koppig. Schadevergoeding om de huizen te herstellen? Bewijs eerst maar eens klip en klaar dat de bevingen door gaswinning komen!

Ook na de jaren negentig veranderde er weinig in deze starre houding – zelfs toen de statistische gegevens een andere kant op begonnen te wijzen. Het gemor nam toe, maar de houding van de NAM en de overheid bleef dezelfde: stug en ondoorgrondelijk. En toen kwam de beving bij Hunzinge op 16 augustus 2012 en veranderde alles.

Drie komma zes op de schaal van Richter bleek de schok te zijn geweest. Door de zwaarte van die beving, de enorme schaal waarop huizen werden beschadigd en het rumoer dat daarna ontstond, waren alle statistieken, twijfels en voorbehouden in één keer aan gruzelementen getrild. De Grote Beving bleek de game changer. Op 1 september, twee weken na de beving, meldde het Dagblad van het Noorden al dat de NAM haar schadeafhandeling had aangepast. Ineens mocht er een tweede taxateur op kosten van de NAM worden ingeschakeld en de bewijslast hoefde niet altijd voor de volle honderd procent bij de bewoner te liggen. Het woord ‘ruimhartig’ verscheen op het toneel: de NAM zou ruimhartig omgaan met schadevergoeding. Als de inspecteurs niet zeker waren of schade door de beving was veroorzaakt of deze alleen maar had verergerd – een van de vele twistpunten in het vergoedingsbeleid – dan zou daar ruimhartig mee worden omgegaan. Veelzeggend was de uitspraak van NAM-directeur Bart van der Leemput in het Dagblad van het Noorden: ‘Het beeld dat de bevolking nu van ons heeft, is niet meer het beeld dat we willen dat ze van ons hebben. Draagvlak is belangrijk voor ons.’

Draagvlak. Beeld. 1250 schademeldingen waren er binnengekomen na de Grote Beving en de Groningse grond was landelijk nieuws geworden. In de tien jaar daarvoor waren er 1166 schadeclaims geweest, die anderhalf miljoen gulden hadden gekost – vaak zwaarbevochten door de bewoners. Alles werd anders, na 16 augustus 2012. De politiek ging zich er – eindelijk, eindelijk – mee bemoeien, commissies werden aangesteld, de raderen begonnen te draaien. Na dertig jaar ontkennen, soebatten, pappen en nathouden kwam een flintertje van de waarheid boven: de aardbevingen in het noorden bleken wél door de gaswinning te zijn gekomen en de NAM en de Nederlandse overheid zijn – al is het schoorvoetend – verantwoordelijk voor het herstel van de schade. Het begin is er.

Vernieuwend, verdiepend, vooruitstrevend: dat is Vrij Nederland. Maar goede journalistiek kost tijd en aandacht. Om de verhalen te kunnen maken die jij graag leest, vragen we je abonnee te worden.
Word abonnee vanaf € 4,99 Sluit je aan
X
Het zijn tijden voor Vrij Nederland
Het zijn tijden voor VN
Goede journalistiek kost tijd en aandacht. Om de verhalen te kunnen maken die jij graag leest, vragen we je abonnee te worden. Sluit je nu aan.
Goede journalistiek kost tijd en aandacht. Om de verhalen te kunnen maken die jij graag leest, vragen we je abonnee te worden. Sluit je nu aan.
Het platform voor progressief Nederland
Voor cultuurliefhebbers en kritische volgers van de actualiteit
Onafhankelijke journalistiek: van maandblad tot video, van podcast tot blog
Met diepgravende interviews, prikkelende columns en onthullende reportages
En: jaarlijks vier thema-specials

Advertentie

Advertentie