De afgelopen tien jaar kwam ik geregeld in Suriname, het land dat mijn ouders in 1975 hebben verlaten. Soms voor vakantie, soms als journalist, meestal een beetje van beide. Eerst had ik het niet zo door, maar naarmate ik er vaker kwam en het land beter leerde lezen − vooral tússen de regels, gingen ze me opvallen. De steekjes onder water van mensen die daar wonen. De onderhuidse prikjes. En toen ik ze eenmaal hoorde, kon ik ze niet meer ont-horen.
De tjoeries, dat afkeurende slurpgeluid. Als ik tijdens een tropische stortbui verzuchtte dat mijn ouders dat hevige regengeweld zo missen. Als ik vertelde dat ze nooit écht zijn geaard in Nederland, dat hun heimwee als een hond is die slapend in de hoek ligt en soms, op onbewaakte momenten, begint te grommen.
De afgemeten opmerkingen. ‘Niemand heeft ze gedwongen om te gaan toch?’ ‘Zíj wilden naar Holland.’
De tweede generatie vertrekkers, waartoe ik behoor, krijgt de verwijten gratis bij de geboorte. Een bloemlezing:
‘Je bent hier niet in Holland hoor’, als ik voor werk probeerde een afspraak te maken met iemand en als dat niet lukte.
‘Je hoeft niet te denken dat het voor óns allemaal zo makkelijk gaat’, als het juist wél lukte.
‘Jíj gaat toch geld verdienen met het artikel?’, als een geïnterviewde geld vroeg en ik tegensputterde, beschaamd iets mompelend over persvrijheid, onafhankelijkheid, freelance tarieven en royalties.
‘Jíj hebt makkelijk praten.’ ‘Jíj woont in Holland.’ ‘Jíj hebt het goed.’ Alsof het mijn schuld is dat, ja, dat wát eigenlijk? Alsof mijn ouders hun land in de steek hebben gelaten. Alsof ik hun vertrek, het feit dat ik nu eenmaal ‘in Holland’ ben geboren en opgegroeid, bij me draag als een erfzonde.
Gedragscodes
Natuurlijk was ik bekend met het fenomeen ‘Suri-Neds’. Zo noemen Surinamers in Suriname de Surinamers die in Nederland wonen, terugkeren naar hun geboorteland voor vakantie of om te overwinteren, en die ‘ons hier komen vertellen hoe we het moeten doen.’ De mensen die na jaren in Nederland hebben geleerd over efficiency, die zich de Hollandse directheid hebben aangemeten, die nu denken dat ze heel wat zijn.
Die mensen, dacht ik, dat waren de anderen. Want ik deed dat niet. Ik had geen commentaar op Suriname. Zo zeer was ik me wel bewust van de gedragscodes: als ik me al ergens aan ergerde, dan zou ik het wel uit mijn hoofd laten om dat hardop te zeggen. Mijn ouders al helemáál niet, mijn moeder met haar roze bril zou amper iets kunnen bedenken wat haar tegenstaat aan het land. Maar nu realiseer ik me dat die karikaturale Suri-Neds alleen maar de overtreffende trap zijn, een niche binnen de veel grotere subcultuur van de vertrekkers.
Oog, hart; wie weg is, wordt niet meer gezien.

Geen recht van spreken
Asha Kalloe-Dhanpat woont sinds 1987 in Nederland en pendelt geregeld tussen beide landen. Tijdens een paar van die bezoeken kreeg ze het verwijt dat ze haar land in de steek had gelaten. En dat terwijl ze destijds niet eens weg wilde uit Suriname. Ze moest, het was de keus van haar ouders, zij was jong en had niets te willen. ‘Ik kom terug!’, huilde ze bij vertrek, het was 1971, ze was negen, maar ze weet het nog precies. En ze kwám terug, in 1983. ‘Om mijn steentje bij te dragen en mijn land mee op te bouwen.’
‘Als je een Nederlands paspoort hebt en je bent weg, dan heb je geen recht van spreken.’
Na vier jaar keerde ze alsnog terug naar Nederland, nu definitief. Met pijn in het hart. ‘Wat kom je hier kletsen?’ ‘Je bent zelf weggegaan’ kreeg ze soms naar haar hoofd in Suriname. En dat ze makkelijk praten heeft. ‘Want jíj kan weer weg.’ ‘Pas als je hier woont zie je hoe het écht is.’
Het is dat vermaledijde Nederlandse paspoort, zegt ze. De rode lap en de stier, de ziel en de duivel. ‘Vanwege dat paspoort komen mensen tot een oordeel waar je geen invloed op hebt. Als je een Nederlands paspoort hebt en je bent weg, dan heb je geen recht van spreken.’
De beschuldigingen doen haar pijn, maar mij ook. Want zouden mijn ouders ook zo gezien worden? Terwijl er volgens mij niemand méér van dat land houdt dan zij? Mijn moeder en haar zusters kwamen naar Nederland, al haar broers bleven in Suriname, en daarmee was het gezin letterlijk doormidden.
Hoe keken de mensen die ze achterlieten destijds eigenlijk tegen hén aan?
Het bos in
Ik leg het voor aan mijn neef Martin. Ik ben de jongste dochter van de jongste dochter van mijn opa en oma, hij is de oudste zoon van hun oudste zoon. Mijn ouders gingen, Martins ouders bleven. We spreken elkaar via Facetime terwijl hij aan het koken is. Er staat bang bang op het menu, de witvis die qua smaak en textuur wel wat van zalm heeft. Een week eerder heeft hij de vis zelf gevangen. ‘Een geweldige trip,’ zegt hij. ‘Ik zou het weer vaker moeten doen.’
Martins vader was mijn moeders oudste broer, mijn oom Paul. Ik heb hem nauwelijks gekend, maar weet dat hij, als hij niet op kantoor was, ‘het bos’ introk – zo noemen Surinamers het oerwoud. De zoons gingen vaak mee, en zetten nu die traditie voort.
Weet je, zegt Martin, ‘ik kan me voorstellen dat dát meewoog in de overwegingen van mijn ouders. De naderende onafhankelijkheid van Suriname bracht een heleboel onzekerheden met zich mee, maar één ding was zeker: in Holland zouden ze nooit de vrijheid hebben om te gaan jagen en vissen zoals ze gewend waren. Hier in Suriname koop je een hengel en je gaat. In Holland moet je voor alles een vergunning hebben. En jagen en vissen, dat was echt hun lust en hun leven.’
Martin was achttien in 1975, hij herinnert zich goed dat veel vrienden en kennissen vertrokken, dat de kennissenkring van mijn ooms en tantes ineens zowat gehalveerd was. Tot die tijd woonde de familie dicht bij elkaar op een stuk land dat vroeger van onze opa was geweest. Mijn oma woonde op het einde van het doodlopende zandpad, mijn ouders en broers aan het begin. Een vrolijke janboel was het, met door elkaar krioelende kinderen die in bomen klommen en overal in en uit liepen. Iedereen kwam elkaar tegen bij mijn oma, en toen ineens niet meer. ‘Dat was wel een beetje onwennig. Ik denk dat oma het ook niet leuk vond, maar het wel begreep.’
Mijn vader was goudsmid, mijn moeder juf, werk dat ze ook in Nederland zouden kunnen doen. Oom Paul was hoofd van de douane, een verantwoordelijke baan met mensen onder zich. ‘Hij kende Holland omdat hij er had gestudeerd. Kleine erven, huizen dicht op elkaar. Voor geen goud wilde hij de vrijheid van Suriname daarvoor inruilen,’ zegt mijn neef, terwijl hij uien en tomaten fijnhakt.
Van scheve gezichten of verwijten was geen sprake, verzekert hij me. ‘No mang. Hoe zou je iemands individuele keus kunnen veroordelen?’
Toch gebeurde dat, maar niet in onze familie. Het kan ermee te maken hebben, zegt Martin, dat al onze ooms ook naar Nederland hadden kunnen vertrekken. Ze hadden het zich kunnen veroorloven. Dat ze bleven was dus een bewuste keus. ‘En dan is er ook geen sprake van afgunst. Mijn vader dacht echt: liever jullie dan ik, in zo’n flatje op driehoog-achter.’
Cassettepost
Tijdens mijn bezoeken aan Suriname vingen mijn neven en nichten me hartelijk op, alsof we elkaar al jaren kenden, terwijl het tegendeel waar was: behalve hun namen en een paar verhalen wist ik van de meesten niets. Maar toen ik in 2017 een boek over mijn – onze – voorouders presenteerde in Paramaribo, zaten ze allemaal in de zaal. En nu klets ik met Martin.
Hij draait de camera naar zijn jongste zoon, we zwaaien even. Als de groenten gesneden zijn, is het tijd om de vis te vullen. Ik hoor grikibi’s op de achtergrond, Surinaamse vogeltjes, het heeft iets gezelligs, alsof ik op een stoel bij hem in de keuken zit om tori te praten, te babbelen, en niet duizenden kilometers verderop.
Hoe anders was dit vroeger, in de tijd dat mijn ouders weggingen uit Suriname, en in die rommelige tijd die daarop volgde. Bellen was amper te betalen, brieven deden er weken over, áls ze al aankwamen, en dan had je nog telegrammen en cassettepost – ik herinner me nog dat ik als klein meisje liedjes inzong voor mijn oma.
Als het contact zo beperkt is, blijft het bij het hoogstnoodzakelijke. Overlijdens, geboorten, huwelijken. De koetjes en kalfjes – het weer, dat je bang bang eet – worden wegbezuinigd; beide partijen moesten het doen met die schaarse telefoontjes en wat ze in de media vernamen. En dat was, in geval van Suriname, niet bepaald opbeurend in de jaren tachtig.
Terwijl mijn moeder de kinderwagen voortduwde door de grauwe straten van Veghel, liep ze zachtjes ‘Mi kondre tru’ te zingen, een ode aan het land waar ze nooit meer zou wonen.
Elke zaterdag kochten mijn ouders de Weekkrant Suriname, zaten ze met bezorgde gezichten bij het kraakradiootje in de keuken naar Zorg en Hoop te luisteren, het Surinaamse actualiteitenprogramma op Radio Vijf, terwijl ik aan de eettafel zat te tekenen en me ondertussen stilletjes een beeld vormde van dat verre, vreemde land, met plaatsnamen die klonken als liedjes: Moengo, Albina, Moi Wana.
Dat land waar het oorlog was, waar mensen dagenlang in de rij stonden voor een rol toiletpapier. Mijn ooms, tantes en neven en nichten moesten het wel heel zwaar hebben.
Toch?

Zonder koetjes en kalfjes
Ik vraag het aan Martin, die vertelt dat hij een tijd in de Verenigde Staten studeerde, en in 1984 en 1985 stage liep in Engeland. Zijn ogen gaan glimmen terwijl hij vertelt over de treinreizen die hij maakte, naar Schotland, naar Brighton, over het kerstfeestje met zijn bedrijf waarbij op tafel werd gedanst. Steeds als hij ‘What’s love got to do with it?’ van Tina Turner hoort is hij weer terug in dat topjaar in Woking.
Hè? Maar het was toch oorlog en ellende en zo?
Ik vertel hem hoe het mijn ouders verging na hun aankomst in Nederland. Hoe het beloofde land ze tegenviel. Van een huis met een erf met kippen en geiten naar acht hoog, naar hutjemutje, naar donkergrijs beton. Dat ze niemand kenden, een nummer waren in het aangeharkte en koude land waar mensen elkaar haastig voorbijliepen op straat zonder te groeten. Een jaar na hun aankomst kwam er nog een baby – dat was ik. Terwijl mijn moeder de kinderwagen voortduwde door de grauwe straten van Veghel, liep ze zachtjes ‘Mi kondre tru’ te zingen, een ode aan het land waar ze nooit meer zou wonen.
In mijn beleving hingen er grote donkere donderwolken boven het midden van de jaren tachtig. In 1985 overleed mijn oma in Suriname, mijn moeder vloog erheen voor de uitvaart. Ze schrok van hoe slecht het land erbij lag. De binnenlandse oorlogen braken uit, de journaals lieten lange stromen mensen zien die vluchtten naar Frans-Guyana. In 1986 vierden we geen Sinterklaas. Mijn ouders konden het gewoon niet opbrengen om vrolijk te zijn terwijl Suriname aan flarden werd geschoten. Ze hadden te veel pijn aan hun land.
En in diezelfde midden-jaren-tachtig liep Martin, een jonge, veelbelovende aanstormende econoom, stage in Engeland. Ik ben met stomheid geslagen – wat ik dacht te weten over mijn familie blijkt niet te kloppen. Martin valt op zijn beurt stil als ik vertel hoe moeilijk mijn ouders het vonden om te aarden, om zo ver weg te zijn. We realiseren ons dat er een gat zit tussen 1975 en, zeg, 1995, toen internet opkwam en we konden mailen met elkaar. Dat wij, maar misschien wel álle vertrekkers en blijvers, twintig jaar van elkaars leven hebben gemist.
Dit is wat er gebeurt zonder koetjes en kalfjes. Dan kén je elkaar niet meer.
Doen alsof alles goed is
‘Alsof de schakels niet samenkomen.’ Zo omschrijft Rita Jaikaran de ontmoetingen met haar zussen tijdens haar bezoeken aan Suriname. ‘Ik ben de oudste zus, ze respecteren me. En we hebben heus fijne gesprekken. Maar échte aansluiting is er niet. En dat komt toch omdat we elkaars dagelijks leven niet meer delen.’
Ze merkt het verschil in contact tussen haar in Suriname wonende zusters onderling, dat is speelser, ongedwongener. Het zit ’m in kleine dingetjes. Gekibbel, bijvoorbeeld, zoals alleen broers en zussen dat kunnen, maar waar zij altijd nét even buiten valt. Het maakt haar soms verdrietig, ze benoemde het ook wel eens, maar haar zussen stelden haar gerust. Doe niet zo raar, didi, natuurlijk hoor je erbij! ‘Zij zeggen dat het er niet is. Maar ik vóel het.’
Natuurlijk zijn de tijden nu anders, er is Skype. Maar kun je zoveel verloren tijd inhalen? En zouden de verhoudingen anders zijn als er meer contact was, als je, zeg, vandaag zou emigreren?
‘Wie weggaat, zal altijd doen alsof alles goed is. Als dat niet het geval is, dan schaam je je.’
‘Als je meer van elkaar weet, je je elkaars leefwereld beter kunt voorstellen, kan dat het ressentiment minder maken,’ zegt Marli Huijer, hoogleraar filosofie en voormalig Denker des Vaderlands, die zich voor haar boek Achterblijven verdiepte in de achterblijvende familieleden van emigranten. Emigreren is minder ingrijpend geworden nu het niet meer per se permanent is. ‘Vroeger wist je zeker dat je elkaar nooit meer zou terugzien. Nu is er meer transnationaal contact: vliegreizen zijn goedkoper en er zijn allerlei digitale oplossingen. Daardoor wordt er nu ook gemakkelijker gedacht in termen van ‘‘familie” en minder van het eigen kerngezin.’
Maar, zegt ze: dat er meer contact is wil nog niet zeggen dat we alles van elkaar weten – iedereen kan kiezen wat hij wil laten zien. ‘Wie weggaat, zal altijd doen alsof alles goed is. Als dat niet het geval is, dan schaam je je. Je ziet het al terug in trans-Atlantische correspondentie uit de negentiende eeuw. Als iemand ernstig ziek is, wordt het hooguit even aangestipt. Op tegenslagen in het nieuwe land rust een enorm taboe.’
Het ressentiment van de achterblijver
Huijer verdiepte zich in het ressentiment van de achterblijver, dat volgens haar een aantal oorzaken heeft. Het begint al bij het woord ‘achterblijven’ en de negatieve connotaties daarvan. ‘“Blijven” doe je uit vrije wil. Maar “achterblijven” overkomt je als je wordt verlaten. De ander gaat weg en maakt jou zo tot een achterblijver. En het is nu eenmaal doorgaans zo dat de vertrekker als een held wordt gezien, als een avonturier. Weggaan wordt gezien als een verbetering. En dat maakt automatisch de achterblijver tot een mislukkeling, omdat die daar niet voor kiest.’
Achterblijvers, zegt Huijer, voelen zich vaak in de steek gelaten, belast met de zorg voor ouderen, voor behoud van land of cultuur. En dit is precies de zwakke plek waarmee ze de vertrekkers kunnen raken. Een klap in het gezicht zou mijn ouders minder pijn doen dan de beschuldiging dat ze huis, haard, familie en land aan hun lot hebben overgelaten.
Dit zijn, let wel, algemeenheden. In haar boek focust Huijer zich op Europeanen die veelal arm waren en in de negentiende en twintigste eeuw naar landen als Canada en de Verenigde Staten trokken in de hoop daar een beter bestaan op te bouwen.
Surinamers kozen vaak voor Nederland uit angst voor politieke onrusten en onzekerheden in hun eigen land. In Nederland was het stabiel, er waren goede scholen. Dat laatste gaf voor mijn ouders de doorslag: ze maakten de keuze met de toekomst van mijn broers, die toen zeven en tien waren, in gedachten.
Misschien zou je kunnen zeggen dat mijn ouders hun hoofd lieten spreken en mijn ooms, die in Suriname bleven, hun hart.

Argwaan
Speelt bij het ressentiment mee dat het Nederland is, en niet, zeg, de Verenigde Staten, vraag ik mijn neef Martin. Nederland was, tenslotte, de kolonisator, de grootmacht die eeuwenlang zijn cultuur en taal aan de inwoners had opgedrongen. Het land dat de baas had gespeeld en dus de vijand was.
Nee, zegt mijn neef. In Nederland speelt de koloniale geschiedenis weliswaar de laatste jaren een grote rol in het maatschappelijk debat − in Suriname is dat veel minder het geval, zegt hij. Maar is er een ándere reden waarom de ‘Suri-Neds’ met argwaan worden bekeken. ‘Nederland werd, zeker in de tijd van de onafhankelijkheid en daarna, gezien als een plek waar je je hand maar hoefde op te houden en je kreeg geld. Als je hier in Suriname niet werkt, kun je niet eten. In Nederland heb je allerlei uitkeringen en zijn de dingen goed geregeld.’
Had je dat nog niet bedacht, vraagt Martin me als ik verbaasd reageer, en ik moet toegeven van niet. Ik verschuil mezelf achter het feit dat ik zzp’er ben, dus hoezo uitkeringen en pensioen en ziektekostenverzekering, maar schaam me voor mijn naïviteit en realiseer me dat dit is waar het de hele tijd al om draait: de geprivilegieerdheid omdat ik nu eenmaal in Nederland woon en de verzorgingsstaat een vanzelfsprekendheid voor me is. Ik kan het me veroorloven om er niet aan te denken.
‘Dus om terug te komen op je vraag: ja, als je naar de VS verhuist vanuit hier is het anders, omdat iedereen weet dat je daar ook heel hard moet werken. Ja, er is een American Dream, maar als je niet werkt, ga je die droom niet kunnen waarmaken. Hoewel we hier heus weten dat Nederland erg veranderd is en het allemaal niet meer zo gemakkelijk is als vroeger, heerst het beeld nog steeds dat het leven daar gemakkelijker is, omdat er altijd wel iemand is die voor je zorgt. Niemand hoeft honger te lijden.’
Iets terug doen voor Suriname
Wie in Nederland woont, heeft dus, alleen al door dat feit, gewoon makkelijk praten. De Suri-Neds, met hun ideeën en hun theorieën over wat er allemaal mis is met Suriname en wat er beter zou kunnen: de tijd om daarover te kunnen nadenken is een luxe, en die heb je niet als je een ploeterleven leidt in Suriname, als je naast je gewone baan ook nog taarten bakt en taxi rijdt om je gezin te kunnen onderhouden. Die Suri-Neds gaan aan het eind van de rit weer terug naar hun perfect geregelde en aangeharkte verzorgingsstaat.
Waar veel van hen voedselpakketten laten verschepen of allerlei projecten op poten zetten om Suriname te helpen. Zoals Asha Kalloe-Dhanpat, die een stichting oprichtte waarmee ze gezinnen met schoolgaande kinderen wil ondersteunen. Dat doet ze onder meer door geld te genereren met de verkoop van Surinaamse maaltijden en zelfontwikkelde nasikruiden.
Ze vindt het belangrijk om iets terug te kunnen doen voor Suriname, zegt ze. ‘Het is mij niet gelukt mijn land te helpen opbouwen en daar ben ik teleurgesteld over. Met de opbrengsten van de stichting wil ik alsnog mijn bijdrage leveren.’
Kalloe-Dhanpat is bepaald niet de enige. Een andere betrokken Surinamer werkte in eerste instantie ook mee aan dit artikel, maar besloot zich later terug te trekken omdat hij vreest dat zijn projecten anders in gevaar zullen komen. ‘Wij zien het zo: we helpen ons land. In onze beleving zijn we één volk. Maar in Suriname denken ze in termen van wij en zij en zien ze ons als Hollanders die hen iets willen opleggen.’
Zijn verzoek tot schrappen is zo veelzeggend. De Surinaamse gemeenschap is klein, iedereen kent elkaar; open zenuwen, lange tenen. Misschien lieten daarom veel mensen die ik benaderde voor dit artikel uiteindelijk niets meer horen toen ik vertelde waar het precies over ging.
Surinaams hardhout
Veel Surinaamse jongeren die van school komen en gaan studeren, doen dat in Nederland. Soms keren ze terug, vaak niet. Dat Martin in Suriname bleef, is te danken aan de eerder dit jaar overleden econoom en voormalig premier Jules Sedney. Deze richtte in 1975 een faculteit economie op aan de Universiteit van Suriname (die sinds 1983 de Anton de Kom Universiteit heet), en benaderde eigenhandig talentvolle eindexamenkandidaten.
Martin was een van die eerste lichting economiestudenten. ‘Als hij er niet was geweest, was ik vermoedelijk naar Holland gegaan, en de kans is groot dat ik daar was gebleven. Dan had mijn leven er heel anders uitgezien.’
Hoe zou het zijn geweest als mijn ouders in Suriname waren gebleven? De vraag dringt zich op als ik me verdiep in migrantenpijn, sluimerheimwee, in huizen, haarden en verbrande schepen. Vooral als ik in Suriname ben. Als ik de grijze mannen zie zitten aan de Waterkant in Paramaribo is het niet moeilijk om in gedachten mijn vader daar te zien, met zijn witte baardje en de wandelstok van purperhart die we hem gaven op zijn negentigste verjaardag – ‘Surinaams hardhout papa, net als jij.’ Hoe zouden we geleefd hebben? Zou ik dan ook als journalist zijn gaan werken?
Wat zouden mijn broers voor mannen zijn geworden? Toen ik dit een keer aan mijn moeder voorlegde, reageerde ze met een tjoerie en een afgemeten ‘Meisje. Misschien had je dan helemaal geen broers meer gehád.’
Ik realiseerde me dat ze precies in de tijd van de binnenlandse oorlogen de dienstplichtige leeftijd hadden.
En tegelijkertijd: al mijn neven en nichten in Suriname leven ook nog.
En tegelijkertijd: dat konden we toen nog niet weten.
Weet je, zei mijn moeder toen ik hier met haar over sprak: ‘Je neemt een beslissing die op dat moment goed lijkt. Maar of dat zo is, weet je pas later.’
Heeft ze spijt? Ze denkt na en zegt dan: ‘Het gaat goed. Met jullie gaat het goed. Dat is belangrijk.’
Stilte.
‘Maar weet je? Als ik in Suriname ben, dan ben ik thuis.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.