Lilian (ze houdt haar achternaam liever achterwege) is 77, Surinaams-Nederlands, slecht ter been maar helder van geest. ‘Geef me een brasa jongen,’ zegt ze. Ik omhels haar. We zijn op de persopening van de Grote Suriname-tentoonstelling in De Nieuwe Kerk te Amsterdam.
Lilians voorouders waren tot slaaf gemaakten die met Joden en Schotten gingen. Ze werd geboren in 1942 en woont sinds 1961 in Nederland, maar ieder jaar gaat ze terug.
In de jaren vijftig werd haar geboortehuis verkocht aan politicus Eddy Bruma: de man die samen met Henck Arron, de eerste premier van het onafhankelijke Suriname, de onafhankelijkheid in gang zette, aldus Lilian. ‘In dat huis werd de basis gelegd.’
Lilian, die gedurende haar werkende leven in Eindhoven in het bestuur zat van het Emancipatiebureau Noord-Brabant en een Surinaamse maatschappelijk instelling, is altijd omringd geweest door verhalenvertellers.
Een paar maanden geleden reageerde ze op een artikel op de site van Vrij Nederland – de voorpublicatie van mijn roman De mooiste vrouw van de wereld, die de verhalen van een oude vrouw als vertrekpunt heeft.
Een audiotour hebben we niet nodig, zegt Lilian, zij zal het woord voeren.
Sindsdien bestookt Lilian me met onderwerpen om over te schrijven, allemaal Surinaams georiënteerd. Dat ik zo goed als niets weet over haar geboorteland en geschiedenis, lijkt haar niet te deren. Ze vindt dat er maar eens door jonge mensen over Suriname geschreven moet worden. Ze zegt: ‘Ik ben voorstander van intergenerationele overdracht.’ Het liefst zou ze me als correspondent naar Suriname sturen tijdens de verkiezingen in 2020. Ook moet ik de jungle eens in om de oorspronkelijke bewoners te ontmoeten, de inheemsen en de Marrons. Laatst zei ze: ‘Wanneer je naar Suriname gaat, dan heb ik een chauffeur voor je. Hij is een intelligente betrouwbare hosselaar.’
De hosselaar en de oorspronkelijke bewoners laat ik nog even voor wat ze zijn. Eerst deze tentoonstelling over Suriname. Een audiotour hebben we niet nodig, zegt ze, zij zal het woord voeren. In feite zijn Lilians intenties niet anders dan die van deze tentoonstelling: vertellen over de grotendeels onderbelichte geschiedenis van dit land.

Oorspronkelijke bewoners
Er fluiten vogels in de kerk. Op een banier van tien meter hoog staat een jungle afgebeeld. Hoewel we naar hoofdtooien, bakjes, kruiken en kettingen van Indianen kijken, is er te weinig aandacht voor hun lijden, volgens Lilian. ‘Nog voordat er slaven uit Afrika werden gehaald, werden de Indianen uitgebuit door de Europeanen. Maar omdat die Europeanen allemaal ziektes met zich meebrachten, werden de oorspronkelijke bewoners ziek en konden ze niet meer als slaaf fungeren. Toen pas heeft een Spaanse pater gezegd: we gaan mensen uit Afrika halen. Dit is een verhaal dat veel te weinig wordt verteld.’
‘Mooie voorwerpen hier, maar ja, ik heb thuis ook voorwerpen. Kom, we gaan door, anders zijn we morgen nog bezig.’
Vandaag de dag leven er nog maar een paar Indianenstammen in het binnenland van Suriname.
Lilians leeftijd gaat misschien gepaard met haast, of misschien ligt de verveling altijd op de loer, want al snel zegt ze: ‘Mooie voorwerpen hier, maar ja, ik heb thuis ook voorwerpen. Kom, we gaan door, anders zijn we morgen nog bezig.’
Slavernij
‘Ah, de slavernij,’ zegt ze haast opgelucht. We kijken naar documenten van het koloniaal bestuur, diorama’s van Gerrit Schouten die plantages tonen en maquettes van huizen waarin slavendrijvers leefden.
‘Dit is wel leuk gedaan, die huisjes,’ zegt ze. ‘Maar de slaven woonden in hutjes en die zie ik nergens. Sommigen vluchtten hè? Dat moet ik je vertellen, ga even zitten jongen. Kijk, de slaven woonden rondom de plantages, maar velen zijn gevlucht naar het binnenland en die noemen we Marrons. Een slavenhouder moest per slaaf belasting betalen. Stel: hij had honderd slaven opgegeven maar er werkten honderdvijftig mensen voor hem, dan moesten vijftig mensen zich verstoppen in de bossen als ze ze kwamen tellen en belasting innen. Maar die vijftig vluchtten dan het binnenland in en vormden daar een gemeenschap, waarbij ze werden geholpen door de Indianen. De Marrons hebben hun eigen Afrikaanse leefstijl en gewoontes aangehouden.’
Lilian liep op de zaak vooruit: in de volgende ruimte lees je het verhaal van de Marrons, hoe de slaven ontsnapten en zich in het regenwoud vestigden.

Eddy Bruma
In 1699 vertrok kunstenaar en wetenschapper Maria Sibylla Merian met haar dochter per boot van Amsterdam naar Suriname. Ze tekenden als eersten de insecten uit de jungle. Terwijl we naar een metershoge vergrote tekening van Merian kijken, die Lilian prachtig vindt, zegt ze dat haar neef, onafhankelijkheidsvoorvechter Henck Arron, kopergravures van Merian heeft gehad toen hij premier was.
‘Jouw neef was premier van Suriname?’
‘Jazeker, hij is de man die de onafhankelijkheid heeft gebracht. Dat ging natuurlijk niet van de ene op de andere dag, maar geleidelijk, vanaf de jaren dertig. Mijn vader is van 1895, die heeft het interbellum meegemaakt. In die periode probeerde mijn vader samen met mensen zoals Bos Verschuur en Willem Campagne de bevolking iets bij te brengen om ze op een hoger niveau te krijgen. De toenmalige gouverneur Kielstra maakte korte metten hun acties. Bos Verschuur werd tijdens de Tweede Wereldoorlog geïnterneerd. In de jaren vijftig was Eddy Bruma bezig de jeugd te empoweren. Dit waren allemaal erg belangrijke mannen, maar die “founders” zie je hier niet terug. Er zit een hiaat in hoe de geschiedenis wordt verteld.’
‘Henck Arron was mijn neef maar wel een erg eigenwijze man.’
Eddy Bruma en consorten gaven burgers trainingen in empowerment om de onafhankelijkheid echt in gang te zetten. Ze richtten de PNR (Partij Nationalistische Republiek) op. Toen de combinatie PNP en NPS (Nationale Partij Suriname) de verkiezingen won in 1973 heeft Arron als premier gezegd dat er direct onafhankelijkheid moest komen.’ Ze begint te lachen en zegt dan: ‘Henck Arron was mijn neef maar wel een erg eigenwijze man.’
In 1980 pleegden zestien sergeanten van het Nationale Leger onder leiding van Desi Bouterse een coup. Arrons regering werd afgezet en door sommigen beschuldigd van corruptie. Ze namen hem gevangen en later kreeg hij huisarrest. Misschien bedoelde Lilian het eufemistisch toen ze zei dat Arron een eigenwijze man was.
Michiel de Ruyter
Over twee dagen opent deze tentoonstelling voor het publiek. Op een paar plekken zijn nu nog mensen aan het werk.
‘Dit is een muziekinstrument van de Marrons, een bongo,’ zegt Lilian en ze trommelt op het museumstuk. Een man die de laatste hand legt aan de tentoonstelling met een accuboormachine in zijn hand, kijkt bevreesd toe. ‘Zie je die houten banken, uit één stuk hout gesneden? Ik had zulke dingen ook ooit, met die fantastische houtsneden. Mijn broer was geoloog, dus we kregen al dat spul uit het binnenland. Ik heb het weggegeven. Maar merk je hoeveel aandacht er aan de Marrons is besteed? De Indianen hebben maar een klein hoekje hier terwijl zij toch ook mooie hangmatten en kleding maakten?’
We passeren een raam in de muur. Het hoort niet bij de expositie. We kijken een kelder in, recht op een uitgelichte grafkist. ‘Een graf,’ zegt Lilian droog. ‘Wie ligt er?’ vraag ik.
‘Het is Michiel de Ruyter,’ lees ik verbaasd vanaf een bordje. Maar onverstoorbaar is Lilian alweer doorgelopen.
Kunstenaar Marcel Pinas staat verderop naast zijn kunstwerk: een lange gedekte tafel vol eetborden met gruwelijkheden. In 1986 werd er door soldaten van het Nationale Leger een massamoord gepleegd in het dorpje Moiwana. Ten minste negenendertig Marrons kwamen om. Op de borden van Pinas zijn foto’s van de lijken afgedrukt. De huidige premier van Suriname, Desi Bouterse, wordt als hoofdverdachte gezien van deze aanslag. Even achteloos als aan Michiel de Ruyter loopt Lilian de tafel voorbij en ik volg haar.

Desi Bouterse
In de laatste zaal is bontgekleurde klederdracht van Surinamers te zien. Lilian komt er een vriend tegen. Hij zegt: ‘Geweldig dat je er bent, alle mensen die ertoe doen zijn hier vandaag.’
‘Ik zou nog een keer met je mee naar Iran gaan, toch?’ vraagt ze. Kennelijk heeft ze nog meer reizen met mensen gepland.
‘Iran is een beetje lastig nu, door Trump, maar dat komt wel weer,’ zegt hij.
Deze man is een van de schrijvers van een monoloog over Desi Bouterse. Het vormt één deel van de zesdelige theaterproductie De Suriname Monologen van regisseur John Leerdam, waarin historische figuren centraal staan.
Lilian zegt dat Leerdam weleens over andere Surinamers monologen mag maken.
Haar vriend lacht en verlegt het onderwerp van het gesprek naar de expositie, die hij geslaagd vindt. ‘Geweldig dat de kerk nu helemaal in het teken staat van Suriname. Maar dit had het begin moeten zijn.’ Hij wijst op de kleding om zich heen. ‘Daarna had er een deel Bouterse moeten zijn, en dan die historische prietpraat. Nu is Bouterse er niet. Ik denk dat het publiek in het begin doorloopt bij die vitrines. Ze hadden het laagdrempeliger kunnen maken. Maar goed, voor mij is deze zaal echt Suriname: kleur!’

Hiaten
‘Kom jongen, die klederdracht hebben we nu wel gezien,’ zegt Lilian. Tussen mannen in overalls met steekwagens door lopen we richting de uitgang.
‘Nou. Dat was erg mooi,’ zegt ze. ‘Dit is groots en uitgebreid gedaan. Zo is het gegaan. Dit heb je nog nergens kunnen zien. Maar er zijn ook hiaten in de expositie: de Indianen en ook de Javanen, aan hen wordt te weinig aandacht besteed. Terwijl die ook een wezenlijk onderdeel zijn van de Surinaamse samenleving. Maar ik vind het goed dat die slavernij eens in de picture is gezet. Dat het duidelijk wordt hoe erg het was. Voor de Nederlandse jeugd is het goed om te zien wat er heeft plaatsgevonden. Anders denken ze: ach ja, die zwarte mensen die daar rondliepen. Maar het is hún voorgeschiedenis.’
‘Ik probeer deze jongen warm te maken voor Suriname, ik wil hem graag de jungle insturen.’
Ik beken dat ik ook schrikbarend weinig weet. Ik vraag of ze het erg vindt dat bijvoorbeeld de Tweede Wereldoorlog zoveel meer aandacht krijgt in Nederland. ‘In dit land lijdt de derde generatie nog onder die oorlog,’ zegt ze. ‘Daarin herkent men zich, maar hierin niet.’
Geschiedschrijving
In de garderobe komen we een vrouw tegen die voor de KRO-NCRV werkt. Ik ken haar van een persdag rondom de Market Garden-operatie, een bevrijdingsactie rondom Arnhem tijdens de Tweede Wereldoorlog. De vrouw is hier om de religieuze kant van Suriname uit te lichten op de radio. Ze bewondert het dat moslims en joden er probleemloos naast elkaar leven.
Lilian stelt zich voor en zegt dan: ‘Ik doe aan kennisoverdracht en probeer deze jongen warm te maken voor Suriname, ik wil hem graag de jungle insturen.’
‘Ik probeer er allemaal religie bij hem in te pompen,’ zegt de vrouw lachend. ‘Daar ben ik nog niet mee bezig,’ zegt Lilian.
De vrouw zegt benieuwd te zijn naar de monologen van John Leerdam over onder andere de Surinaamse verzetsstrijder Anton de Kom.
‘Mij vielen die toch een beetje tegen,’ zegt Lilian. ‘Ik vind Leerdam te gemakzuchtig. Toen hij aan de slag ging met die monologen heb ik hem direct gebeld. Altijd maar dezelfde mensen, Anton de Kom, die verhalen zijn al vaak verteld. Ga iets nieuws onderzoeken en daar iets van maken. In de jaren dertig had je bijvoorbeeld gevluchte Fransen die schilderles gaven in Suriname. De beroemde Surinaamse kunstenaar Erwin de Vries is daaruit voortgekomen. Dat is interessant maar dat verhaal wordt niet verteld. Elke keer bel ik Leerdam weer opnieuw,’ lacht ze.
Doordat Lilian al zoveel weet lijkt ze behoefte te hebben aan andere, nieuwe verhalen. Al lijkt me het verhaal van Anton de Kom voor een groot deel van het Nederlandse publiek nieuw genoeg.
De vrouw van de KRO-NCRV zegt: ‘Dit is hoe het bijna altijd gaat, de geschiedenis wordt geschreven door de keuzes van bepaalde mensen.’
Koffie
Als Lilian haar jas aan heeft, begint ze in haar tas te graaien. Ze pakt er kaartjes uit waarmee je gratis koffie kunt drinken bij de Bijenkorf. ‘Daar ga ik toch nooit meer heen.’ Ik zeg dat het lief van haar is maar dat het niet hoeft. ‘Pak toch aan, ik krijg die kaarten al jaren in de bus van de Postcode Loterij, maar doe er niets mee.’ De portier bij de uitgang geniet van dit tafereel. Lilian staat erop dat ik ze aanneem.
Als ze buiten naar tram 4 stiefelt, dringt de ironie pas tot me door. Ik haal de kaarten uit mijn zak en lees: ‘Geniet van uw Koffiecadeaukaart!’ Dit is waar de koloniale geschiedenis eens begon en dit verhaal eindigt: bij ‘gratis’ koffie.
De Grote Suriname Tentoonstelling is nog tot en met 2 februari 2020 te zien in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.