De Museumkaart biedt de MuseumkaartMatch aan, een datingdienst die liefhebbers van kunst samen musea laat bezoeken. Gretig speurde ik tussen de profielen. Er ging een wereld voor me open. Het verschil met een dienst als Tinder leek op het eerste gezicht niet groot. Vooral door ouderen werden ongebreideld verlangens en voorkeuren medegedeeld, zoals je die in contactadvertenties in kranten leest.

Maar ik zocht geen mensen om gebak mee te eten, fikse boswandelingen mee te maken of om te kunnen zeggen: ‘Eerst keken we naar Mondriaan, toen zagen we elkaar en moet je ons nu zien!’ Ik zocht onbekenden om samen over kunst te spreken.

Na tientallen berichten en evenveel afwijzingen – om geslacht, leeftijd of beide – lukte het toch om vier afspraken te maken.

Simon

De eerste afspraak is in Zwolle met Simon (29) uit Goor. We gaan het werk van Neo Rauch in de Fundatie bekijken. In zijn profiel gaf Simon aan van schilderkunst en cultuurhistorie te houden. De bijzaken werden beperkt tot: ik speel gitaar en ik zing. Sinds zijn achttiende had Simon al aardig wat musea bezocht, ‘maar helaas toch vaak alleen’.

Aan de rand van het busstation staat hij te wachten. Zijn schouders hangen iets gebogen, er zit een vlassig baardje aan zijn kin. Terwijl Simon de weg naar het museum wijst, vertelt hij met beverige stem dat zijn interesse in kunst op de middelbare school werd aangewakkerd.

Simon doet me denken aan een dier. Een dier dat niet vaak buitenkomt. Hij lijkt bang voor auto’s, of hij is gewoon erg voorzichtig tijdens het oversteken. Zelden heb ik iemand zo goed zien opletten. Ik hoop dat hij ook zo naar de schilderijen zal kijken. Goed opletten is de kunst, volgens mij.

We lopen langs water. Er drijft een paraplu voorbij. Ik vraag Simon of hij ooit zelf iets in de kunsten heeft geambieerd. ‘Daar heb ik nooit serieus over nagedacht. Op de middelbare school heb ik weleens een abstract schilderij gemaakt. Ik kon het niet mee naar huis nemen omdat het huis van mijn ouders veel te klein is.’ In dat huis woont hij nog steeds. Twee keer ging hij het huis uit maar hij keerde steeds terug. ‘In Groningen studeerde ik geschiedenis, in Utrecht literatuurwetenschappen, maar beide studies maakte ik niet af.’

Simons geschiedenis is wellicht minder interessant dan waar hij terecht is gekomen. ‘Ik schrijf nu teksten voor websites zodat ze beter gevonden worden op Google. Je zou een computer ook tekst kunnen laten genereren, maar dat is niet uniek, daar heb je niks aan.’

De mens is nog niet overbodig dus?
‘Nee, de mens is niet overbodig.’Het is een geruststelling.

Simon zoekt naar het begin van de tentoonstelling en leest hardop van de folder: ‘“Neo Rauch is een van de belangrijkste hedendaagse kunstenaars…” dat ben je al snel als je nog leeft.’ Zijn sarcasme komt onverwachts. Ik lach. ‘Met het werk van Neo Rauch ben ik niet bekend,’ zegt hij serieus en zonder lach.

‘Ik dacht dat Rauch dood was’, zeg ik. ‘Zijn werk doet denken aan vervlogen tijden.’ We kijken op dat moment naar arbeiders, fabriekspijpen en stenen. Op bijna elke schilderij lijkt er een verbouwing van het een of het ander gaande. Wellicht is het de ‘wederopbouw’. Simon knikt en zegt: ‘Ja, het werk doet mij ook oud en erg socialistisch aan.’ Of hij het socialisme een goed of verouderd idee vindt, laat hij niet doorschemeren. Het voelt onbehoorlijk om naar zijn politieke voorkeur te vragen.Musea

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de zalen die volgen blijft Simon voor elk schilderij erg lang staan, alsof hij wacht tot er iets gaat gebeuren. Maar hij zegt niets over de schilderijen, het lijkt alsof er niks gebeurt. Via een omweg probeer ik een gesprek op gang te brengen.

Waarom koos je ooit voor literatuurwetenschappen?
Simon praat zo zacht dat ik erg dicht bij hem moet gaan staan. ‘Op aanraden van mijn broer ging ik literatuur studeren,’ zegt hij luider. ‘Hij heeft Nederlands gedaan. Maar ik ben nooit zo’n lezer geweest eigenlijk.’

Welke boeken spraken je wel aan?
Het is een vraag waar hij nog nooit over nagedacht lijkt te hebben. Hij oogt verward als hij zegt: ‘Hermans wel, denk ik. Hij heeft een surrealistisch verhaal geschreven. Ja. De Laatste Roker. Het gaat over de toekomst, 2021, het verbannen van sigaretten en rokers.’

Dat lijkt niet erg surrealistisch meer.
‘Klopt.’

Het werk van Rauch is ook vrij surrealistisch, vind je niet?
‘Een beetje surrealistisch ja, daar hou ik wel van. Dalí bijvoorbeeld.’

Ja, waarom zou je iets maken dat echt is? Dat is er al.
Dat weet Simon ook niet.

Ik vertel Simon dat Dalí met een bos sleutels in zijn hand op een stoel ging zitten om in slaap te vallen. Op het moment dat hij in slaap viel, ontspanden zijn spieren en liet hij de sleutels vallen. Het beeld dat hij als laatst zag, ging hij schilderen.

Ook Rauch zei in een interview dat zijn beelden zich aan hem opdringen als in dromen. Soms laat dat lang op zich wachten, dan mediteert Rauch om er dichterbij te komen. Simon kijkt me geschrokken aan, alsof we naar de nachtmerries van Rauch kijken, en zegt dan: ‘Zo kan ik mijn dromen niet onthouden hoor, maar ook bij mij loopt alles door elkaar.’

Een etage hoger gaan we een zaal binnen waar Rauchs schilderperiode wat religieuzer lijkt. We kijken naar het werk Vater. In de armen van een man, ligt een kleinere man. Omdat Simon niks zegt herhaal ik hardop dat het me religieuzer aandoet. ‘Ben jij christelijk opgevoed of zo?’ vraagt Simon. Ik schud mijn hoofd. Simon is wel gedoopt, maar hij heeft zich onlangs uit laten schrijven want hij deed er niks mee.

Gaan je ouders nog naar de kerk?
‘Ja, maar niet iedere week.’

Of het door de religieus aandoende beelden komt, weet ik niet, maar Simon vertelt dat hij er in Groningen achter kwam autistisch te zijn. ‘Op de middelbare school zeiden ze wel dat ik meer aandacht en structuur nodig had. Maar in Groningen liep het contact met nieuwe mensen en het zelfstandig studeren moeizaam. Dus ik stopte.’

Dapper dat je dan wel met vreemden naar musea gaat dan.
Simon haalt zijn schouders op.

Ik vraag of hij al eerder gematcht heeft via de Museumkaart en hoe dat ging. ‘Eén keer eerder ja, in Amsterdam. Maar er werd toen niet veel gesproken, alleen een beetje vooraf.’ Welke tentoonstelling hij toen gezien heeft, is hem ontschoten.

Ik wil Simon niet teleurstellen op zijn tweede museumdate, maar het praten over kunst blijkt een taaie aangelegenheid. Als we voor de laatste, gigantische werken van de expositie staan, probeer ik directer te zijn.

Wat vind je hiervan?
‘Het is lastig om er iets van te vinden.’

Is er kunst die je weleens heel erg mooi of goed vond?
De vraag brengt hem in verlegenheid. ‘Nou, een tijd geleden was ik met mijn ouders en broer naar het Openluchtmuseum in Arnhem. Dat vond ik wel interessant. Mijn ouders waren toen 35 jaar getrouwd.’

Daar kun je oude boerderijen bekijken, toch?
‘Ja, maar er was ook een Turkenpension,’ zegt hij glunderend.

Een wat?
‘Een Turkenpension, werd gebouwd voor gastarbeiders. Hele bedompte ruimtes vol met stapelbedden.’

De herinnering aan de sociale huisvesting lijkt hem meer te bekoren dan welk kunstwerk dan ook vandaag. Zou Rauch, vermoedelijk een socialist, dat pension ook kunnen waarderen?

Op de schilderijen van Rauch is de arbeider nog niet overbodig. Het werk dat Simon in zijn dagelijks leven doet, maakt hem ook niet overbodig. Al zijn het naar verluidt andere tijden waar de schilder naar verlangt. Waar Simon naar verlangt, is me een raadsel. Als hij wegloopt bij het museum kijkt hij nog een keer schichtig over zijn schouder. Wat Simon heeft gezien, weet ik niet.

Musea-dates

Wil

Een half uur later staat de levendige Wil (77) op de stoep van de Fundatie. Ik zal de tentoonstelling nogmaals bekijken. Mijn hoop op een vruchtbaar gesprek over kunst groeit direct. Met een kleine camera in haar hand loopt ze voor me de tentoonstelling in. Ze vertelt dat ze onlangs via een MuseumkaartMatch naar de expositie ‘The American Dream’ in het Drents Museum is geweest. Ze vertelt enthousiast over het werk van Edward Hopper dat ze daar zag. ‘Je kon er met een koptelefoon luisteren naar muziek terwijl je er rondliep. Dat maakt het makkelijker om je te concentreren.’

Het is nu ook druk in het museum, drukker dan met Simon. Wellicht zei Wil het daarom. Het lijkt geen vanzelfsprekendheid dat mensen zwijgend naar kunst kijken, men lacht en praat alsof ze op een borrel zijn.

In de eerste zalen zien we werk van Rauch uit het begin van de jaren negentig. We lopen snel van schilderij naar schilderij. Maar ik kan me lastig concentreren. Twee onverzorgde mannen in fluoriserende trainingspakken met lang vet haar stiefelen rond. Aan de voorovergebogen manier van lopen denk ik te zien dat ze onder de medicatie zitten. Als ze dicht langs ons lopen, ruikt het naar oud zweet. Wil slaat er geen acht op, maar zegt enthousiast: ‘Gister probeerde ik mijn hand na te tekenen. Het is zo moeilijk, bijna onmogelijk.’

Wil schildert, maar moet van zichzelf eerst beter leren tekenen om goed te kunnen schilderen.
Ik zeg dat het me vaak opvalt bij schilderijen dat handen gemaskeerd worden. ‘Ze houden iets vast of zijn verstopt achter een romp.’

Wil zet twee stappen vooruit en inspecteert driftig alle handen op het grote doek. Ik ga naast haar staan. ‘Vaak zie je maar één hand, inderdaad, en bij sommigen klopt er helemaal niks van,’ zegt ze. ‘Maar bij die persoon zijn de handen op zich wel goed, maar hij heeft geen armen. Vreemd.’ Ze lacht en doet een stap naar achter om er foto’s van te maken.

In het trappengat komt haar werkende leven ter sprake. Ze woont al dertig jaar in Overijssel maar komt uit de Randstad. ‘Voor mijn werk in de psychiatrie en de liefde verhuisde ik ooit naar het platteland om te werken in een inrichting.’

Liefde en psychiatrie zijn nauw verwant in haar leven maar misschien ook wel in het algemeen. Want is verliefdheid ook niet een soort hypnose? En vormt die hypnose niet evenals een psychose een andere werkelijkheid? Wil praat luchtig over de tijd dat ze werkte met moeilijk opvoedbare meisjes, TBS’ers en ex-verslaafden. Het is alsof ze met kleine kinderen werkte. ‘Maar op den duur word je zelf ook een soort patiënt. Ik woonde intern en dat vond ik minder. Je kon wel weg maar niet zomaar, er moest altijd iemand aanwezig zijn.’

Was je nooit bang voor je patiënten?
Ze glimlacht. ‘Ik was te onwetend om bang te zijn.’

Zoiets staat ook in de Bijbel toch? ‘Zalig zijn de armen van geest’?
‘Inderdaad,’ zegt ze en loopt door.

Het valt Wil op dat erg veel figuren op Rauchs doeken speren of stokken in hun hand hebben. Het woord is aan de psychologe: ze denkt dat het een angst of trauma van de schilder is. ‘Eerst lijken alle voorstellingen normaal, maar als je langer kijkt, is dat het niet. Het is best een beetje bizar, agressief zelfs. Alles is uit verhouding en verwrongen.’

Weer denk ik aan een psychose. Net als liefde is kunst misschien het vormgeven aan een nieuwe wereld, aan visioenen of aan vroeger. Ik vraag het Wil. ‘Ja, zoiets, misschien,’ zegt ze.

In de volgende zaal zijn de twee mannen in trainingspakken er weer. Het is de ruimte met de religieuze werken. De ene man in trainingspak zegt tegen de ander: ‘Dit is niet echt.’ De ander kijkt hem aan met een blik die heel ver weg lijkt en zegt: ‘Nee, dit is geen realisme.’ Dan haalt de laatste ongegeneerd en traag zijn onderbroek uit zijn bilnaad. Vervolgens ruikt hij langdurig aan zijn nagels. Lichaamsgeuren blijken een rode draad vandaag in De Fundatie.

Wil maakt foto’s en zegt: ‘Bij Carel Willink is het allemaal echter, omdat het beter geschilderd is, dit komt een beetje slordig over. Ik hou meer van Willink.’ Ik zeg dat het precies is wat die man net ook zei: dit is geen realisme‘Welke man?’ Die mannen die zo stinken, zeg ik zachter maar ondeugend. Ik voel me een kind. ‘Oh, ik ruik al twintig jaar niets meer. Ik ben daarvoor in behandeling. Helpt niks. Maar niet ruiken heeft ook zo zijn voordelen,’ zegt ze met een knipoog.

Als ik de mannen wil aanwijzen zijn ze nergens meer te bekennen. Misschien denkt Wil dat ik fantaseer of last heb van psychoses.

Over het schilderij Vater zegt ze: ‘Moet je die handen eens zien, waar die man in ligt, ze hadden van Mickey Mouse kunnen zijn, toch?’

Wils ontevredenheid uit zich in gejaagdheid. Ze loopt snel door de zalen en langs de doeken. Ik bewonder die vitaliteit maar we raken zo ook snel door de schilderijen heen zonder veel te zien of erover te praten. Als we naar de bovenste etage van het museum lopen zegt ze: ‘Nou, toen ik die directeur van de Fundatie hoorde praten over Neo Rauch dacht ik: dit wil je echt niet missen. Maar ik vind het eerlijk gezegd tegenvallen. Ik hou meer van realisme, ik snap er te weinig van.’

In een interview zei Rauch dat hij een zintuiglijke ervaring wil opwekken. Zoals bij het kijken naar abstract werk als dat van Mark Rothko. Als we voor de laatste werken staan, kijkt Wil me aan. Ze lijkt niet geraakt of wat dan ook. Glimlachend haalt ze haar schouders op. ‘Ik wil wel gaan.’

Als we de trappen afdalen vraag ik wat Wil geleerd heeft van het werken met mensen. ‘Hoe vreemd mensen ook kunnen zijn, je moet ze accepteren,’ zegt ze. ‘Alles is uiteindelijk menselijk. Als je naar ze luistert, kom je erachter dat alles een verhaal heeft waardoor je het iets beter kunt begrijpen.’

Moet je daar zelf ook niet een beetje gek voor zijn?
‘Ja en een beetje meegaand ook. Maar een hulpverlener ziet ook niet alles hoor, mijn ex-man was verslaafd.’ Voor het eerst valt haar schild van onbewogenheid af. Voor het eerst lijkt ze zich te schamen.

Was hij een patiënt van je?
‘Nee, dat niet. Ik had het gewoon niet door, ik was verliefd.’

Dat is eigenlijk heel klassiek, een relatie tussen een patiënt en…
‘Ja.’

Wil zei het werk van Rauch niet te begrijpen. Maar als de mens niet meer in verwarring is, betwijfel ik of de kunst überhaupt zou kunnen voortbestaan. Zoals Wil naar haar patiënten keek, zo zou je ook naar kunst kunnen kijken: het een beetje proberen te begrijpen.

Jos

Aangezien de gesprekken tijdens mijn vorige bezoeken wat weinig over kunst gingen, heb ik Jos en Ernestine gevraagd om zelf een tentoonstelling in Overijssel te kiezen voor vandaag. Ze kwamen beiden uit op het Rijksmuseum Twenthe in Enschede.

Maar als ik in de trein naar Enschede zit belt Jos. ‘Voor ik van huis wilde gaan heb ik je even opgezocht met de computer.’ Hij aarzelt. ‘Jij bent helemaal geen vrouw…’ De teleurstelling in zijn stem is groot. Ik weet mijn ergernis te onderdrukken en zeg dat dat klopt. ‘Dan heeft het niet zoveel zin, ik had me dit anders voorgesteld.’ Ik stel voor om toch een koffie te drinken. Maar hij heeft wel wat beters te doen vandaag en zonder pardon hangt hij op.

Musea-dates

Ernestine

Twee uur later ontmoet ik de zeventigjarige Ernestine in de hal van het Rijksmuseum Twenthe om de expositie ‘De Aard der Dingen’ van zes hedendaagse tekenaars bekijken. In het museumrestaurant vertelt ze vergeten te zijn dat ze ooit een profiel bij de MuseumkaartMatch had aangemaakt. Ik ben haar eerste date. Ik vertel haar over Jos. Ze lacht en zegt: ‘Mijn dochter zei vanochtend ook al: “Oh, ga je met een lekker jong ding op stap?” Wat is dat toch?’ Harder lachend zegt ze: ‘Nou, heb jij pech, ik val wel op jonge jongens.’

Haar lach verraadt een leven dat omringd is of was door tabak. Als door een pavlovreactie pak ik mijn shag tevoorschijn. Direct zegt ze: ‘Oh, ik rook niet meer eigenlijk, maar ik doe het nog graag.’ Ze vraagt om een sigaret en we gaan buiten in de zon zitten.

Ernestine is beeldend therapeute en reisleidster geweest.‘Dat wat mensen maakten was niet het belangrijkste,’ zegt ze over de therapieën. ‘Het vormde slechts de aanleiding voor een evaluatie.’ Ook vandaag zullen wij proberen te evalueren wat er door anderen gemaakt is.

Voor een ex-reisleidster komt ze chaotisch over. ‘Ik weet nooit waar ik moet beginnen, zegt ze. ‘Ik doe maar wat.’ Later zal dan ook blijken dat we de hele expositie achterstevoren hebben gezien.

In de eerste zaal hangen donkere houtskooltekeningen van Emmy Bergsma. Ze doen Ernestine denken aan zompige moerassen. Ze slaat haar armen over elkaar en kijkt zwijgend. Ik ben benieuwd of ze als een therapeute naar kunst kijkt. ‘Nee, dat probeer ik niet te doen. Maar soms doemt er wel een ziektebeeld op.’

Hoe zie je dat?
‘Schizofrenie bijvoorbeeld, als iemand heel erg in hokjes werkt. Of eindeloos cirkels schildert.’ De maker van dit werk voldoet niet aan een ziekte, volgens haar. Maar toch zegt ze: ‘Ik word er wel somber van.’

We draaien ons om en in dezelfde zaal hangt het gigantische muurvullende werk op papier van Arno Kramer. Het lijkt tussen abstractie en figuratie in te zweven. Vlekkerige stukken ecoline en strepen met soms een paar uitgewerkte dieren; twee hertjes en een hond met daarachter een flats rode ecoline. Een beetje rommelig vindt Ernestine het.

Ja, en die hond, het lijkt of die al zijn ingewanden verliest.
‘Grappig dat je dat zegt, als man. Ik denk meteen aan een bevalling.’

Is het mannelijk om aan ingewanden te denken óf denken vrouwen eerder aan een geboorte?
‘Het laatste ja, want welk dier verliest er zijn organen?’ We lachen, weten het niet en lopen verder.

Uit haar zak tovert Ernestine een verfrommeld briefje. Ze heeft de website van het museum goed bekeken en haar bevindingen er al bij gezet. Wellicht schuilt in die voorbereiding toch haar vroegere werk als reisleidster of de therapeute die zich inleest in patiënten.

Op dat moment kijken we naar hele kleine, nette, potloodtekeningen op papier. De werken zijn niet groter dan A4’tjes. Alles wordt herhaald: tientallen torretjes, kikkers of mensenhoofden, alles is netjes naast en onder elkaar getekend. Sommige van de hoofden zijn opgezet in een vingerafdruk met inkt. Het portretje is even duidelijk als de vingerafdruk, het loopt door elkaar heen en beide lijken ze te vervagen.

‘Deze vond ik heel mooi,’ zegt Ernestine terwijl ze naar haar briefje kijkt. ‘Maar ik dacht dat het veel groter zou zijn.’ Het lijkt of ze mij een plezier wil doen als ze zegt: ‘Dit zou nou het werk van een autist kunnen zijn. Door de regelmaat.’

‘Zou dit hem zijn?’ vraag ik wijzend naar een hoofdje op papier. Als we verder lopen zien we een foto van de kunstenaar: Aline Era. Ze is een vrouw, geen man.

Musea-dates

Op de gang spreekt een suppoost met een fors Twents accent wat luidruchtige kinderen toe over het programma Tussen Kunst & Kitsch. De kinderen zijn er niet mee bekend. Ook daar kijken we even naar. ‘Soms is een kunstwerk wel miljoen’n waard,’ zegt hij. ‘Miljoen’n.’ Maar de kinderen lijkt het geld weinig te schelen. Een jongen vraagt: Heeft u ook een wapen, als bewaker? ‘Nee, ik hou jullie alleen in de gaten met mijn oog’n.’

In de volgende zaal treffen we het werk van Hans de Wit. ‘Het lijkt wel de rommel die je onder op de zeebodem vindt,’ zegt Ernestine. Er zijn vergane stronken hout, lianen, vishaken en een soort hagedis te zien. Is het het eind van de wereld? Een dystopische wereld?

‘Mijn partner en ik houden van duiken,’ zegt ze. ‘Soms helpen we mee met het opruimen op de bodem. Gelukkig stinkt het niet onder water.’ Ze lacht maar zegt toch: ‘Ik vind het niet aangenaam om naar te kijken. Maar misschien is dat ook niet de bedoeling. Dat gebeurt me tegenwoordig wel vaker met moderne kunst, wellicht is het deze tijd, helemaal op slot kom ik vaak uit een expositie.’

Ze maakt verfommelende handgebaren en loopt snel door. We belanden in een ruimte waar een grote stapel catalogussen van de expositie liggen. Ik blader erin en dan zegt ze: ‘Dit vind ik echt mierzoet, oh, zo wee. Heeft weinig zeggingskracht.’ Ze windt er geen doekjes om. ‘Ik neem aan dat het van een juffrouw is, maar dat weet ik helemaal niet.’

Soms denk je dat meteen te zien, hè: dit heeft een vrouw gemaakt.
Ze knikt.

Met een gedragen stem vraag ik: ‘Hoe kan dat? Mevrouw de therapeute?’ Ze begint te hard lachen. ‘O god, jongen. Het verschil tussen man en vrouw, het is een spel dat je als klein meisje leert. Als je met een hoog stemmetje tegen papa praat, krijg je je zin en je broertje niet, daar begint het al mee. Maar ik denk dat onze voorkeuren gewoon besloten liggen. Het is toch heel raar dat mannen niet van zoetige dingen houden, maar wel op een vrouw met een bloesje met roze bloemetjes vallen?’

Maar dan haalt ze zichzelf onderuit door te zeggen: ‘Ik ben zo hetero als de pest, maar ik ben al jaren met een vrouw. Hoe kan dat dan, Jonah?’ Ze lacht hard. ‘Niet alles ligt dus zo vast in de natuur.’

We besluiten het zoete werk te gaan zoeken, omdat vooroordelen gevaarlijk zijn, volgens Ernestine. Het blijkt inderdaad van een vrouw, Kinke Kooi. Op de grond ligt hoogpolig roze tapijt. Zien we kussens met plooien en parels erop? Maar door de roze kleur doet het ook aan vlees denken.

‘Wat vind jij ervan, als man?’ vraagt Ernestine. ‘Nou,’ ik aarzel, wil haar liever laten spreken. ‘Overkill aan vrouwelijkheid toch?’ zegt ze. ‘Wat wil ze hiermee?’

Ik vind het suggestief, als vlezige inhammen om het zo maar even te noemen.
‘Ja erg sensueel,’ zegt ze lachend. ‘Het associeert wel met kutten ja, wat mij betreft.’

Maar niet bepaald op een erotische manier.
‘Nee, vind je van niet?’ Ik voel weinig behoefte om mijn erotische fantasieën met haar te delen.

Gelukkig zegt Ernestine: ‘Nee, het is ook niet mijn erotiek. Het ligt er te veel bovenop. Ik zou het wel mooi vinden als stof, als kleding om te dragen. Niet als kunst maar als patroon.’ Lachend wijst ze nog een paar plooien aan. ‘Je ontkomt er nu niet meer aan om aan een vagina te denken. Geweldig!’ Ze zoekt de foto van de kunstenares aan de muur en zegt dan: ‘Leuk, die dame doet mij niet denken aan sensualiteit. Beetje een strenge bibliothecaresse.’

In de laatste zaal hangt het werk van Roos Holleman. Het is eigenlijk het begin van de tentoonstelling. Bij ons laatste of het eerste werk blijft Ernestine het langst staan. Het is een klein zwart werk met daarop veren. Is het een vogel? Een kop is niet te zien, wel een dubbele snavel. Het werk heeft ze al opgezocht maar ze kijkt niet meer naar haar aantekeningen. ‘Ook in het echt vind ik het prachtig. Het is bijna abstract, een soort sprookje. Het is donker maar ik word er niet treurig van. Het is genoeg, het heeft alles.’

In stilte kijken we ernaar. Over het mooiste werk wordt opvallend weinig gezegd.

OVER DE AUTEUR

Jonah Falke (1991) werd geboren in Ulft en studeerde fine art painting aan ArtEZ in Enschede. Hij exposeerde in binnen- en buitenland en maakte als frontman van de band Villa Zeno de plaat Self Made Woman. In 2016 verscheen zijn debuutroman Bontebrug bij Lebowski Publishers. Dit is zijn debuut bij Vrij Nederland.