Glenn Helberg (66) lag de laatste tijd elke vakantie wel in een ziekenhuis. ‘Ik kreeg flinke maag-darmklachten, of ik viel en brak weer iets,’ zegt de oud-psychiater in zijn Amsterdamse appartement dat uitkijkt over het IJ. Sowieso moest hij altijd erg uitrusten op vakantie. ‘Dan boekte ik dure reizen en sliep ik alleen maar veel.’ De laatste keer ging hij maar naar een kuuroord in Spanje. ‘Ik dacht: als ik dan toch ziek word…,’ zegt hij. ‘En toen schóót het me in m’n rug! Ik kon níét meer bewegen.’

Vlak voor zijn 65ste zei zijn huisarts: als je nog langer mee wilt, zul je moeten gaan afbouwen. Dus dat doet hij. Met werk dan; maar de keren dat ik hem bel voorafgaand aan dit interview moet hij de ene keer ophangen vanwege een ‘spoedklus’, en de andere keer omdat hij de trein moet halen.

Bestel 'm hierDit is het coververhaal van de nieuwe VN! Heb jij hem al in huis?7 september 2021

Hoe gaat hij om met zijn fysieke klachten, vraag ik hem. De aanleiding voor het interview is namelijk zijn boek Als ik luister, dat half september uitkomt, en waarin hij aan de hand van zijn patiënten laat zien hoe je harmonie kunt vinden. Het leven zal je steeds uit balans halen, en daarom zul je in elke levensfase opnieuw relaties moeten aangaan met jezelf en je omgeving. ‘Ik zie een lichamelijke ziekte als iets waartoe je je moet verhouden,’ zegt hij. ‘Ik ben niet ziek, ik heb een ziekte, zeg ik altijd.’

Onder het mes

Helberg heeft een aangeboren nierziekte. De medicijnen die zijn immuunsysteem in toom moeten houden, tasten zijn ogen aan, waardoor die soms moeite hebben om een volledig beeld te reconstrueren. Daardoor valt hij soms. Zoals vorig jaar tijdens een healingsessie die hij begeleidde tijdens de Black Pride in Amsterdam, een evenement georganiseerd door zwarte lhbtq’ers. Hij zag een kussen niet dat voor zijn voeten lag. ‘Een kússen! Kun je het je voorstellen?’ Zijn kniepees scheurde volledig door.

Een jaar later is hij weer helemaal hersteld van de knie-operatie. Hij heeft zich voorgenomen vandaag te proberen voor het eerst weer een rondje rond het IJ te lopen. Maar binnenkort moet zijn andere knie onder het mes. ‘Dat oog, daar heb ik nooit over geklaagd. Ik vloek natuurlijk achter de computer als ik iets niet zie, maar dan vraag ik mensen een appje te sturen. Dat kleinere schermpje geeft meer rust.’ Zijn wandelstok is inmiddels vaste uitrusting geworden, bijna een trofee. Op fotoshoots wordt die allesbehalve weggemoffeld.

Als ik luister. Persoonlijke reflecties over de complexiteit en diversiteit van ons bestaan is pas het eerste boek van Helberg. Pas, omdat hij al jaren publiekelijk van zich laat horen over de thema’s die hij erin behandelt.

‘De cirkel was rond: wij voeden de volwassenen van morgen op.’

In 2008 zei Helberg in NRC dat ‘hulpverleners zich moeten verdiepen in de achtergronden van hun cliënten’. In de zomer van 2019 zei hij in debatcentrum Pakhuis de Zwijger dat systeemtherapie, waarin familie en vrienden betrokken worden bij de behandeling, veel beter werkt voor zijn zwarte cliënten.

Bij het grote publiek is Helberg lang niet alleen bekend als psychiater. Hij was tussen 2008 en 2017 voorzitter van Stichting OCAN, dat belangen behartigde van de Antilliaanse gemeenschap in Nederland. Hij ging in die rol in gesprek met politici en politie over vooroordelen, schreef opiniestukken over excuses voor het slavernijverleden en doorbrak taboes over afwezig vaderschap en homoseksualiteit binnen de gemeenschap. Landelijke bekendheid kreeg hij als Zomergast bij het interviewprogramma van de VPRO in 2017, waarin hij de psychiatrie verbond met racisme, de homo-emancipatiebeweging met de burgerrechtenbeweging en afwezig vaderschap met het slavernijverleden.

Cultuurgevoelige aanpak

Na Zomergasten benaderden drie uitgevers hem. Als ik luister verschijnt bij Nijgh & Van Ditmar, omdat de medewerker die hij daar sprak een oud basisschoolvriendinnetje van een van zijn zoons bleek te zijn. ‘De cirkel was rond: wij voeden de volwassenen van morgen op.’

Maar een jaar later was het er nog steeds niet van gekomen. Ontwikkelingssocioloog en vriendin Irene Zwaan drukte hem in 2018 op het hart dat hij echt wat activiteiten moest parkeren. Vrienden hadden hem al jaren gepusht tot een boek. Familietherapeut Kitlyn Tjin A Djie hield prompt een microfoon voor zijn neus als hij begon te praten, voor als hij die woorden zelf later zou willen opschrijven.

Met Als ik luister, dat hij samen met Zwaan schreef, lijkt Helberg iets te willen inhalen. Het schiet van geboorte naar dood, van politiek naar spiritualiteit en van racisme naar gender. Hij heeft nog veel losse teksten op de plank liggen, maar Zwaan zei op een gegeven moment: ‘Glenn, het is genoeg. Je hoeft niet al je kruit in één keer te verschieten.’

Een omgeving kan disfunctioneel zijn, volgens Helberg, en wel zodanig dat iemand er ziek van wordt.

Toch is er een rode draad: zijn patiënten. Zij waren de afgelopen veertig jaar zijn naslagwerk. En hoe verschillend ook, Helberg laat zien hoe ze allemaal gebaat waren bij een cultuurgevoelige aanpak. Bij een behandelmethode die rekening houdt met de nalatenschap van eerdere generaties en van grotere verhalen uit de wereldgeschiedenis zoals het slavernijverleden en de Tweede Wereldoorlog.

Een omgeving kan disfunctioneel zijn, volgens Helberg, en wel zodanig dat iemand er ziek van wordt. Maar om dat te behandelen, vond hij het westerse model voor psychiatrie, dat is gericht op het individu, te beperkt. Als ‘transcultureel’ psychiater leerde hij te kijken naar de patiënt in zijn omgeving met behulp van kennis uit alle windstreken: noord, oost, zuid én west.

Helberg zelf is de belichaming van de vier windstreken. Al in Curaçao werd hij niet als echte eilander gezien, omdat zijn ouders uit Suriname kwamen. Hij heeft inheems-Surinaamse, Aziatische, Afrikaanse en Europese voorouders. Recent ontdekte hij dat hij ook wortels heeft in het gebied dat nu Turkije heet. In zijn woonkamer staan gouden boeddha’s, houten Afrikaanse beelden en wierookstokjes. Op de grond kerstverlichting in de vorm van een rendier. Centraal een kleurrijk portret van Nelson Mandela.

Systeemtherapie

‘Ik heb mijn Turkse “familie” in de loop der tijd een klein beetje leren kennen,’ zegt Helberg. ‘Als ggz-behandelaar ging ik al vroeg naar Turkije. Wij vonden dat met een groep collega’s noodzakelijk, omdat we veel mensen uit Turkije behandelden die hier kwamen werken. In Turkije maakten we kennis met hun cultuur en praatten we met de gezondheidszorg.’

Autochtone Nederlanders hebben geleerd alleen te reflecteren op het ik, het zelf, zegt Helberg. Maar niet-westerse migranten reflecteren ook vanuit de groep. In plaats van te vragen: hoe voel je je? kun je dan eigenlijk beter iets vragen als: wat zou je oma nu adviseren?

Systeemtherapie, waarbij mensen uit de omgeving van de patiënt worden meegenomen in de behandeling, is voor hen vaker een optie. ‘Stel: er komt iemand binnen met een groot geheim binnen de familie. En dat geheim zorgt ervoor dat diegene ziek wordt. Dan ligt het probleem niet alleen bij die ene persoon. Dan nodig ik iedereen uit. Opa, oma, ouders. Niet zelden gaan mensen dan dingen tegen elkaar zeggen die ze nog nooit tegen elkaar hebben gezegd.’

Maar het Nederlandse systeem is gericht op het individu. Familiesessies bestaan niet als declaratie. ‘En als ik met een tweede therapeut wilde werken omdat het te groot werd, moest ik allerlei trucs verzinnen.’ Daar komt langzaam verandering in. ‘Sinds een paar maanden mag een deel van de therapie systeemtherapie zijn.’

Is zo’n behandeling ook voor mij geschikt? Met voorouders die allemaal uit de omgeving van Nederland komen?

‘Mensen uit een monocultuur zullen net zo goed een blik moeten hebben naar hun grootouders. Het lijkt alsof het witte denken bestaat uit afsnijden. Ouders? Hoef ik niet meer te zien. Grootouders? Niet belangrijk. Maar je bent een product van alle lagen boven jou. Een wit persoon maakt problemen vaak individueel, maar iedereen heeft verbinding nodig. Jij hebt bepaald gedrag aangeleerd, je hebt geleerd om op een bepaalde manier met emoties om te gaan. Ik help je al die lagen af te pellen en tot je kern te komen.’

Met zijn vingers tekent Helberg een kubus in de lucht. ‘Dit is iemands black box. Net als in de zwarte doos van een vliegtuig komen er van allerlei kanten data binnen. Je wilt weten: wat is er ingegaan?’ Hij onderscheidt vier ‘ingangen’: migratie, ontwikkeling, maatschappij en vooroordelen.

‘Inzicht alleen is onvoldoende, er is een corrigerende, emotionele, lijfelijke ervaring nodig voor herstel.’

Een psychiater moet bij migranten met veel lagen rekening houden, zegt Helberg. ‘De omringende cultuur klopt niet meer, de grootouders zijn ver weg, dat zijn stressfactoren. Witte mensen kunnen vaak zo bij opa en oma op bezoek. Huidskleur speelt vaak geen rol.’ Maar ook bij witte mensen kan migratie spelen. ‘Bij een verhuizing van Maastricht naar Amsterdam kan iets verloren zijn gegaan. Limburgers kunnen te maken krijgen met vooroordelen.’ En dat kan relevant zijn voor de behandeling.

Hoe komt het dat de westerse psychiatrie zo gericht is op het individu?

‘Westerse therapieën zijn erg gericht op het hoofd. Binnen de westerse wereld wordt ratio veel belangrijker gevonden dan emotie.’ Mensen uit ‘zijn’ cultuur worden vaak gezien als emotioneel, zegt Helberg, en mensen uit een witte cultuur als rationeel.

Zo vindt hij het tekenend dat in het eerste artikel van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staat: ‘Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.’ Verstand en geweten, dus. Maar gevoelens? Emoties? Die ontbreken. Terwijl die emoties vaak ten grondslag liggen aan meningen en handelingen. ‘Op het moment dat je iemand reduceert tot verstand, doe je iedereen tekort.’

Die emotie zit in het lichaam. Als een patiënt binnenkomt, weet die nog niet wat er gaande is, ‘maar het lijf is allang bezig het verhaal te vertellen’. Helberg beschrijft een vrouw die slecht sliep door gepieker. Hij vroeg waar ze dat piekeren voelde in haar lichaam. Als een bal rond haar navel, zei ze. Hij hielp haar die bal te visualiseren en vroeg vervolgens: ‘Kun je die bal nu ook kleiner maken?’ De onrust in haar lijf verminderde. ‘Ik praat niet alleen over de inhoud van dat gepieker,’ zegt Helberg. ‘Inzicht alleen is onvoldoende, er is een corrigerende, emotionele, lijfelijke ervaring nodig voor herstel.’

‘Witte blik’

Behandelaars worden volgens Helberg opgeleid om een zo ‘neutraal’ mogelijke houding aan te nemen. ‘Een opleider zei eens tegen mij: hoe kunnen je behandelingen slagen als je zo extravert bent? Hoe kun je dan de aandacht opbrengen om serieus naar iemand te kijken?’

Toen hij een keer met tranen in zijn ogen aan een andere opleider vertelde hoe een patiënt er na jaren weer bovenop was gekomen, werd hij op het matje geroepen bij de leiding. Of hij niet in therapie moest om z’n emoties te beheersen.

Dat er een ‘witte blik’ over de behandeling van zwarte mensen gaat, leerde Helberg van de Surinaamse dokter Percy Werners. Hij noemt hem zijn ‘vader in de psychiatrie’. Werners en hij werkten samen op Curaçao toen Helberg net was afgestudeerd. Werners vertelde dat witte dokters op het eiland geen depressies diagnosticeerden bij zwarte mensen, omdat die niet de klassieke westerse symptomen vertoonden. Ze lachten en dansten nog, zagen er piekfijn uit.

Dat totaal verkeerd worden begrepen, zag Helberg ook in Nederland. In zijn studiemateriaal kwam voorbij dat niet-westerse mensen geen vermogen tot reflectie zouden hebben en daarom niet depressief zouden kunnen worden. ‘Migrantenpatiënten gaan op hun paasbest naar de keuringsarts, zetten hun beste beentje voor, en de arts concludeert: mevrouw is niet ziek, zieke mensen zien er niet zo goed uit.’

Een jongen met emotieregulatieproblemen kwam eens naar zijn praktijk omdat een vorige psychiater zijn agressieproblemen wijdde aan de zwarte huidskleur van z’n vader. In de diagnose stond: ‘Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.’ Helberg laat een nieuwsbericht zien waarin staat dat de 176 jaar oude American Psychiatric Association, een beroepsvereniging voor psychiaters in de VS, onlangs officieel excuses heeft aangeboden voor haar racistische verleden. ‘Het is begonnen.’

Wilt u ook zulke excuses in Nederland?

‘Ik zou het willen, maar zo ver zijn we nog niet. Eerst moet het voorwerk gedaan worden.’

Wat voor voorwerk?

‘Dat men de Amerikaanse excuses leest, erover gaat praten, nadenken. Dat men onderzoek doet. Op dit moment zijn er al kleine congressen over racisme in de psychiatrie, in onze behandelingen. Het komt.’

Helberg ziet nu dat veel gekleurde mensen hulp zoeken. ‘Ik kan zometeen op m’n telefoon kijken en dan weet ik zeker dat ik weer een berichtje heb: heeft u plek? En nu moet ik het helaas rustiger aan doen.’

Kunnen witte mensen ook zwarte mensen behandelen?

‘Je ziet dat het lukt,’ zegt Helberg, verwijzend naar een witte collega die in zijn praktijk, naast zijn appartement, zit te werken. Zij werd opgeleid bij het CTTO, Centrum voor Transculturele Therapieën en Opleidingen, waarmee Helberg samenwerkt. ‘Wij stellen hier altijd de vraag: heb je het idee dat ik jou niet goed snap als wit persoon?’

In De Groene Amsterdammer zei u vorig jaar: ‘Ik denk dat het heel moeilijk, zo niet onmogelijk is om als wit mens echt te begrijpen wat het betekent om zwart te zijn. (…) Witte mensen groeien op met vastgeroeste ideeën over hoe de zwarte mens in elkaar zit.’ Hoe ontworstel je dat als witte behandelaar?

‘Door je er erg van bewust te zijn dat wat jij denkt niet neutraal is. Dat je een gedegen opleiding moet hebben om je stereotypen over gekleurde mensen uit je denken te verwijderen. Stereotypen als “je zult wel geen vader hebben”, of dat agressie in je natuur ligt.’

In Nederland wordt de behandelaar opgeleid om een zo ‘neutraal’ mogelijke houding aan te nemen, zegt Helberg. ‘Maar is een wit overhemd neutraal, een vaas in de kamer?’ In zijn wachtkamer staan sjamanistische voorwerpen, Arabische waxinelichthouders, een orthodox gebedssnoer. Op tafel staat een christelijke tekst. Hij wil mensen laten zien dat zijn kennis niet vanuit één denkkader komt.

Opa van alle regenboogkinderen

Hoewel op zijn Wikipedia-pagina ‘psychiater en activist’ staat, zou Helberg zichzelf nooit activist noemen. Het zijn de ánderen die hem als activistisch beschouwen, zegt hij, vanwege zijn homoseksualiteit, zijn zwarte lichaam of zijn intellect.

‘Ik sta met mijn wezen als de ander in het leven. Alles wat ik doe, zal iets oproepen.’ Toen hij in 1986 als homo een kind kreeg met een vriendin − de zus van Boris Dittrich, de oud-D66-politicus die ondertussen bezig was met de openstelling van het huwelijk voor paren van gelijk geslacht – ‘riep dat reacties op’, zegt hij. Hij was nu eenmaal een van de eersten. ‘Ik noem mij gekscherend de opa van alle regenboogkinderen die daarna gekomen zijn.’

Nee, dan de échte activisten, de jongeren, die op een Kick Out Zwarte Piet-demonstratie worden geslagen door agenten. ‘Jullie praten alleen maar, zeiden ze tegen mij, wij gaan de straat op.’

Het moment dat Helberg een publiek figuur werd, koos hij bewust. Zijn jongste zoon was oud genoeg, zodat hij niet meer zo vaak thuis hoefde te zijn. ‘Ik zei: zoon, je vader gaat nu de samenleving in, want hij heeft het idee dat zijn kennis niet alleen in de spreekkamer thuishoort.’

Twintig jaar later staan in zijn boekenkast en op zijn tv-meubel de meest uiteenlopende onderscheidingen en bijbehorende beelden. Van het eiland Sint-Maarten (2015), de Nederlandse politie (2016), de Black Achievement Award (2019). In 2013 werd hij Ridder in de Orde van Oranje Nassau voor zijn inzet voor de positie van Antillianen en Arubanen in het Koninkrijk der Nederlanden. Dit jaar werd hij onderscheiden met de Jos Brink Oeuvre Prijs voor zijn werk voor de lhbti-gemeenschap. Hij werd door de jury de mental health father van de queer gemeenschap genoemd.

‘Ik wil met verschillende identiteiten in de wereld staan,’ zegt hij. Als belangenbehartiger voor de Caribische gemeenschap was psychiatrie ‘een van zijn speerpunten’. Als hij met de politie overlegt over een betere verbinding met de Antilliaanse gemeenschap, dan is hij eigenlijk bezig ‘voor de hele samenleving’.

Bij Zomergasten zei u dat u psychiater bent geworden door uw moeder.

Hij lacht en schraapt zijn keel. ‘Ja, dat klopt.’ Hij denkt na. ‘Ik ga even koffie zetten.’ Glenn Helberg noemt zich in zijn boek ‘een kostbaar kind’. Met, zo bleek achteraf, twee tumoren in de buik van zijn moeder deed de bevalling haar ondraaglijk veel pijn. ‘Alle liefde die ze in zich had, probeerde ze te geven aan mij.’

Hij was jaren onafscheidelijk van zijn moeder, tot ze overleed op zijn dertiende. ‘Dat ik arts ben geworden, is omdat mijn moeder is overleden,’ zegt Helberg als hij terug is uit de keuken. ‘Mijn moeder wilde altijd dat een van haar drie zoons arts zou worden. Als klein kind hoorde ik dat, die wens. Ik was toen een nog niet-geïndividualiseerd persoon − nog niet van mezelf. Daar is het begonnen. Als ik volledig mijn eigen gang was gegaan, was ik geen arts geworden. Dan was ik nu zanger of acteur geweest, of regisseur, zoiets.’

Dat was nogal een grote belofte aan uw moeder, een bepaalde carrière.

‘Ik deed heel veel voor die liefde. Ik wilde het ideale kind zijn. Ik heb tegen mezelf gezegd: niemand hoeft ooit meer zo veel van mij te houden dat ik niet mezelf kan zijn. Als er iemand is die zoveel van me houdt waardoor ik dit’ − zijn armen gaan over elkaar – ‘begin te krijgen, dan doe ik dit’ – hij strekt zijn armen naar voren.

En dan zingt hij ineens met verrassend goede stem een tekst van Annie M.G. Schmidt: Ik zou je het liefste in een doosje willen doen, en je bewaren, heeeel goed bewaren. ‘Maar iemand die mij in een doosje wil doen? Nee, dat gaat niet.’

U heeft nu geen relatie, toch?

‘Nee. Al een tijdje niet.’

Kan dat zijn omdat u bang bent dat u dan niet uzelf kan zijn?

‘Niet meer. Ik ben nu zo veel meer mezelf geworden. Dat is mijn levenswerk geweest.’

Heeft u die weg nu afgerond?

‘In elke levensfase zijn er nieuwe dingen waarmee je aan de slag kunt gaan. Nu bijvoorbeeld moet ik omgaan met de verwachtingen die ik schep naar de buitenwereld.’

Omdat u een publiek figuur bent geworden?

‘Ja, want ik ga mensen teleurstellen.’

Omdat u geen tijd heeft?

‘Geen tijd, en ik ben niet de Messias. Ik kan niet de wereld redden. Maar mensen gaan die ideaalbeelden wel creëren, en ik ben te oud om daaraan te voldoen.’

Hoe verhoudt u zich nu tot uzelf in deze levensfase?

‘Ik weet dat ik een wezen ben dat moet sterven. Langzaam neem ik bijvoorbeeld afscheid van iemand die kon dansen. Ik was iemand die op tournee ging en nu kan ik niet eens een rondje lopen. Dat is natuurlijk alleen maar verlies. Maar ik lach nog steeds!’

U schrijft in uw boek: ‘De mensen die het rustigst kunnen sterven, zijn degenen die hebben geleefd met keuzes waar ze achter stonden, zonder spijt te hebben.’ Kunt u rustig sterven?

‘Daar kan ik volmondig “ja” op zeggen.’