Liever luisteren dan lezen? Els leest haar verhaal zelf voor

De kok. De boerin. Haar advocaat. Dier verpleegster. Vier beroepen die de titel vormen van mijn vorige maand verschenen boek dat bestaat uit geschreven gesprekken met veertien bijzondere vakvrouwen boven de vijfenzestig. Ik heb geworsteld met die beroepsnamen.

Niet zozeer met het geheel; ik wist al voor ik begon aan de gesprekken dat ik de titel van de iconische Peter Greenaway-film The Cook, the Thief, his Wife and her Lover creatief wilde stelen. Toen ik puber was, ging mijn moeder hem in de bioscoop kijken met haar vriend. Ik zag ze vertrekken en dacht: een veelbelovender filmtitel bestaat niet. Het had waarschijnlijk iets te maken met dat lover; die had ik niet en wilde ik heel graag.

Had ik voor mijn boek Greenaway’s lover behouden, dan was daar geen worsteling over ontstaan. In het woordenboek staat ‘m/v’ achter ‘geliefde’. Dat moet in het tijdperk van beginnende gendergelijkheid een ‘o’ van onzijdig of een ‘n’ van neutraal zijn, lijkt me, maar in elk geval associëren mensen het woord niet automatisch met een man als ze het er in algemene zin over hebben.

Dat geldt niet voor, om te beginnen, de kok. Ik heb geen consult van een neuro-linguïstisch psycholoog nodig om te weten dat mijn brein mij (en velen met mij, waag ik te veronderstellen) een manfiguur opdringt bij het zien of horen van het woord kok, zeker in de eerste paar seconden dat mijn bewuste, up to date ratio nog niet meedoet. Zelfs nadat ik Jean Beddington, de kok in mijn boek, uren interviewde in haar keuken, terwijl ze schijnbaar moeiteloos de ene na de andere fabelachtige culinaire vakbekwaamheid tentoonspreidde, is dat zo.

Lees ook'Vrouwenhistorica' Els Kloek geeft vrouwen eindelijk hun plek in de geschiedenis23 september 2018

En als ik eerlijk ben, is het ook nog eens het type macho-man dat ik voor me zie: ferme kaaklijn, brede schouders en mooie, grote handen die soepeltjes een kabeljauw fileren met een Japans mes dat hij tevoorschijn trekt uit een leren gordel om zijn middel. Ik vind het ongemakkelijk om te erkennen, maar dat is een verschijnsel van mijn innerlijke seksist, een term die Renske de Greef regelmatig gebruikt in haar stripcolumn in NRC Handelsblad.

Dikke preisoep

Zo ver dacht ik nog niet toen ik bezig was met die titel. Jean was voor mij een kok. Punt. Het woord ‘kokkin’ kwam eerst niet eens in mijn hoofd op, ik was het ook al in geen honderd jaar tegengekomen. Ik dacht er pas aan toen ik alle mogelijke combinaties van de veertien beroepen in het boek had uitgeprobeerd en uitkwam bij dit kwartet, omdat het lekker bekt en meteen duidelijk maakt dat er gelukkig niet alleen ‘Bekende Vrouwen’ in staan.

Geen van de vrouwen die ik ken, noemt zich advocate, voor zover ik weet, maar je komt het nog wel tegen zonder dat het raar of gedateerd klinkt.

Ik keek ineens met verwarring naar het rijtje. Kok: een beroepsnaam waarvan de vrouwelijke vorm me belegen voorkomt. Boerin: kan juist niet zonder -in, want dan denkt iedereen dat ik er een man tussen heb gestopt. Advocaat: redelijk neutraal, althans in mijn beleving maar ja, ik ben zelf advocaat geweest en ik ken veel vrouwen die het zijn, dus over dat beroep sta ik niet androcentrisch afgesteld.

Geen van de vrouwen die ik ken, noemt zich advocate, voor zover ik weet, maar je komt het nog wel tegen zonder dat het raar of gedateerd klinkt. En dan verpleegster: een beroepsnaam die eigenlijk überhaupt niet meer kan. Het is verpleegkundige, wat voor mij een redelijk neutrale klank heeft, waarom snap ik niet want net als iedereen weet ik dat er veel meer vrouwen dan mannen in de verpleging werken.

Kortom: wat een beweeglijk rommeltje, zowel taalkundig als sociaal-cultureel. Als ik terugblader in mijn dagboek, staat er dat Engeltje Huckriede, de verpleegkundige in mijn boek, zich consequent ‘zuster’ noemt, een normale beroepstitel in de tijd dat zij – inmiddels 87 – aan ziekbedden stond. ‘Verpleegster’ zei ze tijdens de interviews misschien twee keer. Over ‘verpleegkundige’ had ze het nooit. Aan ‘kokkin’ wijd ik op 23 november 2017 ook zes woorden. ‘Kokkin: nee want kokkin: dikke preisoep.’ Oké. Niks fijne connotatie rond aantrekkelijke kaaklijnen en een fonkelende sexy messenset.

Een vak een vak

Ondertussen kon je de krant niet openslaan of er stond (en staat) iets in over genderneutraliteit en het gelijktrekken van onacceptabele ongelijkwaardigheden, niet alleen tussen vrouwen en mannen, ook tussen hetero’s en LGBTQIAP (lesbisch, gay, biseksueel, transgender, queer, intersekse, aseksueel en panseksueel). In mijn dagboek uit dezelfde periode staat dat ik op Twitter lees dat iemands ‘hele weekend is vergald’ omdat haar dochter het Gouden boek voor meisjes cadeau kreeg.

Woorden als jongenslego en meisjeskleren worden een mijnenveld. Alles wat neigt naar roze is verderfelijk, behalve als het voor een jongen is.

Voor de 143ste keer hoor ik op het schoolplein een vrouw verontschuldigend zeggen dat ze haar kinderen ‘echt alles aanbiedt’, maar dat het meisje toch het liefst met poppen speelt en haar zoon graag autootjes total loss rijdt tegen de keukendeur. Woorden als jongenslego en meisjeskleren worden een mijnenveld. Alles wat neigt naar roze is verderfelijk, behalve als het voor een jongen is. Een vroegere oppas van mijn dochter Kate vertelt dat ze nu op een meisje past dat Vriend heet. Grappig, in het laatste jaar van Kate’s crèchetijd had ze een schattig ventje in de groep dat Vriend heette. Jongens die Vriendin heten: anyone?

Vanaf eind 2017 spreekt de NS mensen in de trein niet langer aan met ‘dames en heren’ maar met ‘beste reizigers’, in de hoop behalve mannen en vrouwen ook iedereen daartussenin welkom te heten. We moeten alleen even onder de knie krijgen dat ‘reiziger’ een neutraal woord is geworden, ook al staat er een ‘m’ achter in het Groene Boekje en vinden we daarin ook nog steeds de ‘reizigster’.

Een jaar eerder, in 2016, deed de Volkskrant al alle vrouwelijke beroepsaanduidingen weg om de genderneutraliteit een dienst te bewijzen. Geen directrices, verslaggeefsters, journalistes of advocates meer in de krant. Wel zangeressen. NRC Handelsblad deed hetzelfde. Over ‘Beste reizigers’ schrijft een transvrouw in een ingezonden brief naar NRC dat ze er lang over heeft gedaan om vrouw te worden, en nu is ze in de trein een reiziger: dat is geen vrouw.

Lees ookDeze vrouwen maakten carrière toen men nog vond dat ze thuis hoorden10 maart 2019

Zelf koos ik al een tijdje voor journalist en schrijver. De vrouwelijke vorm vond ik koket klinken, ouderwets ook, een beetje aanstellerig. En omdat ik geen koket, ouderwets en aanstellerig boek wilde maken, besloot ik de veertien geïnterviewde vakvrouwen waar mogelijk ook niet aan te duiden met beroepsnamen eindigend op -in, -e, -es (-esse), -is (-isse) en -ster, in het Nederlands de vijf achtervoegsels om iets vrouwelijk te maken. Schrijver, huisarts, kunstenaar, cardioloog of charcutier: een vak een vak, een vrouw een vrouw, mét de nu neutrale benamingen. Althans, dat dacht ik.

Bakster

Een dag na mijn boekpresentatie zat ik met Kate (net acht) op een bankje. We hadden het over beroepen. Zij wil al een paar jaar vrij vastbesloten bakker worden.

We voetballen net zoveel als we knutselen met roze glitter, en toch heeft zich een stereotiep beeld van wat mannen doen en wat vrouwen doen in haar achtjarige hoofd genesteld.

Ik vroeg: ‘Kate, als jij aan een bakker denkt, zie je dan een man of een vrouw?’
Het was even stil. (Ik hoorde haar denken: ik zal wel vrouw moeten zeggen, mijn moeder kennende, maar dan lieg ik en dat vindt ze ook niet tof). ‘Toch aan een man.’ (Let op het woordje ‘toch’.)
‘Waarom?’
‘Dat doet mijn hoofd gewoon als ik denk aan een bakker. Ik zie dan een meneer in een wit T-shirt met meel op zijn armen. Ik vind dit wel een leuke vraag. Heb je nog meer van dit soort vragen?’
‘Bij welke beroepen denk jij nog meer aan een man?’
‘Uitvinder. Politieagent. Iemand die het vliegtuig vliegt. Hoe heet het ook alweer?’
‘Piloot.’
‘Ja, piloot.’
‘En bij welke nog meer?’
‘Fietsenmaker. Boer.’
‘Waar denk je aan bij het woord “baas?”’
Gniffelend: ‘Aan jou.’
‘Niet aan papa?’
Honend. ‘Nee!’ (Lijkt progressief, is het niet, betekent alleen dat ze doorheeft dat ik de lakens uitdeel in het huishouden en de opvoeding.)
‘En bij welke beroepen denk je aan een vrouw?’
‘Boerin. Juf. Iemand met een bloemenkraam (we zitten op de markt tegenover een bloemenkraam waar twee vrouwen achter staan), iemand die iets leuks voor kinderen maakt op televisie (Dieuwertje Blok).’ Na een tijdje: ‘Schrijfster natuurlijk.’
‘Geen schrijver?’
‘Nee, dat is een meneer.’
‘En als je nou in boeken die jij leuk vindt steeds vaker het woord bakster ziet staan, zou je hoofd dan na een tijdje eerder een vrouw voor zich zien, denk je?’ (Objection your honor, leading the witness.)
Twijfelend: ‘Misschien, maar ik denk eerder dat mijn hoofd daarin zou veranderen als in de Donald Duck of in filmpjes die ik kijk bakkers vaker mevrouwen zouden zijn.’
‘Wat vind je van het woord bakster?’
‘Gewoon, goed.’
‘Wat bedoel je dan precies?’
‘Dat het gewoon een goed woord is voor een mevrouw met een bakkerij.’
‘Ga jij jezelf later bakster noemen?’ (Leading the witness again.)
‘Als ik bakker word wel, ja.’
‘Bakster.’
Heel hard lachen. ‘O ja, dat bedoel ik.’

Kate heeft een fulltime werkende moeder, een vader die veel beter kan koken dan zijn vrouw en het ook vaker doet, tantes en buurvrouwen met goede banen, werkende grootmoeders, een opa die huisman is en is getrouwd met een vrouw die een medisch onderzoeksinstituut runt waar honderdtwintig mensen werken en een man met een baard als overblijfkracht.

De drie Barbies in ons huis zijn met de tondeuse bewerkt tot coupe Sinéad O’Connor in de nineties en hebben zwartgelakte nagels, als ik sprookjes voorlees draai ik de rollen van prinses en prins om of ik maak er twee prinsessen of prinsen van, we voetballen net zoveel als we knutselen met roze glitter, en toch heeft zich een stereotiep beeld van wat mannen doen en wat vrouwen doen in haar achtjarige hoofd genesteld. Hoe is het mogelijk, wat doe ik verkeerd?

Op weg naar gelijkwaardigheid

Als we thuis zijn, sjouw ik de doos bewijsexemplaren die de uitgeverij me heeft gestuurd naar boven. In mijn werkkamer pak ik de boeken uit. Ik staar naar de titel. De beroepsnamen staren terug. Ik betwijfel ineens of ik er wel goed aan heb gedaan zoveel mogelijk te kiezen voor de ‘neutrale’ vorm, die soms wel neutraal voelt en vaak niet, wat dan weer niet zo raar is want veel arbeidsdomeinen bestaan nog steeds uit hoofdzakelijk mannen dan wel vrouwen, en bovendien, de neutrale vorm is natuurlijk nog steeds gewoon de mannelijke, woordenboek-wise.

‘Er wordt gedacht dat we met schrijver, wetenschapper, acteur, journalist, advocaat, een gelijkwaardige en genderneutrale toekomst bereiken, maar dat is niet zo.’

Wat moeten we doen om de generaties van de toekomst te verlossen van stereotiepe genderrollen en van het effect dat die hebben op de indeling van de arbeidsmarkt? Welk gewicht leggen beroepsnamen – m, v, n – in de schaal op de weg naar volledige gelijkwaardigheid, in het brein en in onze dagelijkse handel en wandel?

Wanneer je ‘vrouwelijke beroepsnamen’ googelt, kom je binnen de kortste keren uit bij Ingrid van Alphen, taalwetenschapster aan de Universiteit van Amsterdam. Zij is fel tegen het laten uitsterven van de vrouwelijke vorm in beroepsnamen. Ik zoek haar op aan de faculteit Geesteswetenschappen in de Spuistraat, waar ze nog een werkplek heeft, ook al is ze formeel met pensioen. Ze heeft een PowerPointpresentatie bij zich die ze onlangs hield voor het Nederlands Genootschap van Tolken en Vertalers, dat ook niet meer zo goed wist wat het met de kwestie aan moest.

De krant is een meneer

Als we door de gang naar een vergaderruimte lopen, zegt Van Alphen dat ze op Internationale Vrouwendag (8 maart) op Radio 1 een ‘vrouwelijke coureur’, een ‘vrouwelijke wethouder’ en een ‘vrouwelijke hoofdredacteur’ aangekondigd hoorde worden. ‘Dan kan ik wel janken. Het is niet inclusief, niet genderneutraal en ook niet gender fair – mooie term vind ik dat. Er wordt gedacht dat we met schrijver, wetenschapper, acteur, journalist, advocaat, al die mannelijke beroepsnamen waar onder andere de Volkskrant en NRC vol mee staan, een gelijkwaardige en genderneutrale toekomst bereiken, maar dat is niet zo.’

‘Er is een bulk aan recent cognitie- en sociaalpsychologisch onderzoek waarin mensen op alle mogelijke manieren wordt gevraagd naar die zogenaamd neutrale vormen. Ze worden bijna allemaal met mannelijke beelden ingevuld. Dus ja, als de krant op de mat valt, denk ik nu: de krant was al een meneer en de inhoud is nu ook een meneer. Dat staat mij tegen. We hebben de vrouwelijke vorm nodig om vrouwen zichtbaar te maken.’

Hooglerares komt niet voor in het Groene Boekje. Rechtster ook niet. Kapster natuurlijk wel, en schoonheidsspecialiste en peuterleidster.

Ze verwijst met onverhulde tegenzin naar het oude raadsel over een vader en zoon die een ongeluk krijgen. Vader dood, jongen zwaargewond. Als hij in het ziekenhuis de operatiekamer wordt ingereden, reageert de chirurg ontzet: ‘Ik kan mijn eigen zoon niet opereren.’ Rara, hoe kan dat nou? Nog steeds bijten massa’s mensen zich stuk op de uitkomst, zegt van Alphen. Huh?, denken ze: maar die vader was toch dood?

Mijn redacteur, met wie ik mijn plan voor dit verhaal besprak, vertelde dat ze zelfs iemand van nog geen dertig kent die moeilijk kijkend zei: ‘Is het dan misschien de geest van de vader?’ Eureka! Nog eerder een geest dan de moeder, en dat in 2019.

Lees ookCardioloog Harriette Verwey: In gesprek met de vrouw achter de dokter10 maart 2019
Directrice van de NS

Een obstakel in de Nederlandse taal is dat ze niet consequent is over vrouwelijke beroepsnamen. In het Duits en Frans bijvoorbeeld hebben alle woorden en dus ook beroepen duidelijk zichtbaar, gesproken en geschreven, twee vormen. Het Engels heeft het juist weer nauwelijks. Gedifferentieerd zijn actor – actress, en vroeger had je steward – stewardess (dat is niet gepast meer, zo iemand heet een flight attendant). Dat is het wel zo ongeveer.

In het Nederlands daarentegen is het een rommeltje, en dan ook nog een rommeltje dat de archetypen bevestigt. Hooglerares komt niet voor in het Groene Boekje. Rechtster ook niet. Kapster natuurlijk wel, en schoonheidsspecialiste en peuterleidster. Schoonheidsspecialist ook trouwens. Peuterleider niet. De mannelijke vorm van kassière zou kassier moeten zijn, maar dat is niet zo want een kassier beheert de kas, daar komt, go figure, meer bij kijken dan alleen scannen en vragen of iemand zegels en dierenplaatjes wil. Kassamedewerker zal nu wel de naam zijn, maar iedereen zegt kassière, het zijn toch bijna altijd meisjes.

Terug naar het raadsel. Chirurge invoeren in het online Groene Boekje. ‘Spelling niet gevonden. Bedoelde u misschien chirurg?’ Nee, maar vooruit. Chirurg. Dat spel je zo. Met tussen haakjes een ‘m’ erachter, want taalkundig is zo iemand sowieso een meneer, dat ik het maar even weet. Kleuterjuf? Tuurlijk, gevonden. Kleutermeester? Helaas. ‘Spelling niet gevonden.’ (Bedoelde u misschien kleuterjuf?) Vroedman, hebben we zo iemand? Gelukkig, die hebben we. In de taal dan.

Van Alphen knikt: ‘Je hebt taal en je hebt de werkelijkheid. In 1981 kwam de Wet op de Gelijke Behandeling. Iemand bedacht: o help, mannen en vrouwen moeten ook in de taal gelijk worden behandeld.’

‘Er zijn mensen die zeggen zoons, anderen zeggen zonen. Wil ik van overheidswege horen wat het moet zijn?’

‘De regering wilde weten wat taalkundigen vonden van de beroepsnamen, want daar was het chaos. Mijn studenten en ik lazen alles wat erover te lezen viel en ik raadde aan te differentiëren: directeur en directrice, advocaat en advocate, enzovoort. Een andere groep was voor neutraliseren, zoals dat toen heette, dus alleen directeur en advocaat en dat uitroepen als de sekseneutrale vorm. Op 23 maart 1983 lag ter stemming in de Tweede Kamer de keuze voor differentiëren of neutraliseren.’

Het kwam er niet van. Gert Schutte van het Gereformeerd Politiek Verbond diende een motie in: er mocht niet worden gestemd, laat staan iets worden besloten, want de taal was van God. De PvdA – geen regeringspartij maar wel de grootste destijds – had beide opvattingen (neutraliseren en differentiëren) in de achterban en steunde de motie. Stemming van tafel. ‘Dat was een beslissing naar mijn linguïstisch-wetenschappelijke hart: de taal is van God, van Darwin, van jou, van mij. Die chaos is niet erg. Ken je taal, zou ik zeggen, inclusief chaos. Er zijn mensen die zeggen zoons, anderen zeggen zonen. Wil ik van overheidswege horen wat het moet zijn? Dat maakt mij echt boos. Maar als je dan toch zo nodig met je poten aan de taal moet zitten vanuit een streven naar gelijkwaardigheid, dan kun je vrouwen beter zo zichtbaar mogelijk maken door de vrouwelijke vorm te gebruiken.’

Van Alphen kan het niet aanzien dat vak- en topvrouwen zichzelf directeur of schrijver noemen. Ze vindt het zonde, zeker omdat wetenschappelijk bewezen is dat je het cliché ‘meisjespensionaat’ uit het woord directrice kunt halen als vrouwen zichzelf veel vaker directrice van het NIOD, de NS, het CPNB, een investeringsmaatschappij of een veevoederbedrijf noemen: je draait de male bias bij door heel veel directrices en niet nog meer directeuren te laten zien.

Inparkeren

De taal en de werkelijkheid. We gaan er even mee aan boord van een 747. Veel stewardessen. De noodzaak daar steward van te maken, lijkt niet groot gevoeld. Dat komt door de werkelijkheid: de chicken or beef-trolleys behoren tot het vrouwelijk domein. Het woord ‘purser’ voelt dan weer veel neutraler (mannelijker?), want nogal wiedes: dat is de baas van het cabinepersoneel.

In Nederland is maar 5,5 procent van de piloten vrouw. Zou dat percentage omhoog gaan als pilote een vaker gehoord woord wordt?

Maar als een vrouwenstem ons verwelkomt vanaf het flight deck – ‘Good morning ladies en gentlemen, I am your captain on this flight’ – kijken veel reizigers en reizigsters elkaar toch even aan. O? Een vrouw. Spannend. Grapjes klinken in de cabine: ‘Nou als deze maar wel kan inparkeren.’ Hallo, werkelijkheid. In Nederland is maar 5,5 procent van de piloten vrouw. Zou dat percentage omhoog gaan als pilote een vaker gehoord woord wordt?

De Belgische taalwetenschapper Dries Vervecken, ook geciteerd in een leuk artikel van journalist(e) Margreet Vermeulen over het onderwerp naar aanleiding van het vermijden van vrouwelijke beroepsnamen in de Volkskrant, heeft geweldig onderzoek gedaan dat neigt naar ja. Hij legde jongeren advertenties voor waarin een burgemeester werd gezocht, en advertenties waarin om een burgemeester/burgemeesteres werd gevraagd. Een ingenieur of ingenieur/ingenieure. Astronaut of astronaut/astronaute. Enzovoort.

De advertentie met twee vormen doet het veel beter, zo bleek. De interesse van meisjes voor een vak stijgt, zonder dat jongens hun belangstelling verliezen. Bij beide groepen groeit het vertrouwen dat ze dit beroep kunnen uitoefenen.

Dit sluit aan bij wat Ingrid van Alphen in 1996 ontdekte toen ze pubers vroeg wat ze wilden worden. Als meisjes een beroep voor ogen hadden dat in het mannelijk domein zat of waar geen bekende vrouwelijke vorm voor was, schreven ze eromheen door gebruik te maken van ‘iets’: ‘iets met dieren’ in plaats van dierenarts, ‘iets in de horeca’ in plaats van hotelier, ‘iets met zieke mensen’ in plaats van arts. De jongens deden dat natuurlijk niet.
De jonge meisjes in haar onderzoek voelden zich op hun gemak bij vrouwelijke beroepsnamen. Grappig genoeg zie je dat ook anno nu veel meisjestieners die succesvol vloggen zich vlogster noemen, terwijl dat een Engels woord is zonder differentiatie. De taal en de werkelijkheid.

Mensen lachen als ik hooglerares zeg omdat het zo zelden gebruikt wordt dat het raar klinkt. Maar lerares is toch ook niet raar?

Taal is niet neutraal

Dries Vervecken heeft ook gekeken naar advertenties die vroegen om loodgieters en loodgietsters, zegt Van Alphen. ‘Als beide namen vermeld stonden, solliciteerden er meer vrouwen – ook meer mannen trouwens – en er werden ook meer vrouwen aangenomen. Zijn onderzoek laat mooi zien hoe de niet-talige werkelijkheid verandert door het gebruik van vrouwelijke beroepsnamen. De connotaties gaan schuiven. Mensen lachen als ik hooglerares zeg omdat het zo zelden gebruikt wordt dat het raar klinkt. Maar het is niet raar. Lerares naast leraar is toch ook niet raar? Dat lachen ebt wel weg als een woord gangbaar wordt. Frequentie in gebruik doet ertoe.’

Van het mannelijke woord iets genderneutraals maken gaat niet, volgens Van Alphen. Dat is goed bedoeld maar contraproductief. ‘In een reeks wordt sowieso altijd de man eerst genoemd. Uit recent onderzoek blijkt dat zelfs het woord “persoon” en het woord “volwassene” in eerste instantie mannelijk wordt ingevuld. Met die innerlijke beeldvorming hebben we te maken. En dan denken wij dat we zonder directrice of bewindsvrouw kunnen en dat het vanzelf wel goed komt? Sterker nog, we denken dat we vrouwen daar een dienst mee bewijzen. Het tegendeel is waar: door als vrouwen een mannelijke beroepstitel aan te nemen, wordt het androcentrisme een grote dienst bewezen. Voor de zoveelste keer.’

Ze heeft een goede vriendin die kunstenaar en dichter is. Van Alphen kermt geregeld: waarom ben je nou geen kunstenares? Omdat mensen dan denken dat ik aan macramé doe, antwoordt die vriendin dan. ‘Als je die connotatie wilt veranderen, moet je jezelf met je grote kunstwerken juist niet verstoppen achter de mannelijke titel maar de betekenis van kunstenares veranderen: als je de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt wilt beklinken, moet je ze bij hun naam noemen. En daar is het Nederlandse grammaticale systeem totaal voor uitgerust. Hoogstens komen er een paar woorden bij waaraan we moeten wennen. Het Europees Parlement geeft ook als aanbeveling het gebruik van generiek masculiene woorden te vermijden. Daar hebben ze ook de onderzoeken gelezen over de kracht van taal, die niet neutraal is.’

Het is zelfhaat. Stiekem, of onbewust, vind ik het kennelijk toch ook een beetje cooler om de mannelijke vorm aan te nemen.

Het is zelfhaat

Als ik na afloop van het gesprek door de Spuistraat loop, denk ik: fuck, taalkundig ben ik goedbedoeld keihard met twee handen aan het stuur de mist in gereden. Ik ben in het pak genaaid door mijn innerlijke seksist. Dat macramégevoel van de kunstenares ken ik. Het is zelfhaat. Stiekem, of onbewust, vind ik het kennelijk toch ook een beetje cooler om de mannelijke vorm aan te nemen, onder het mom van: ja maar, dat is nu de neutrale vorm.

Dat is het maatschappelijke seksisme waarmee wij groot zijn geworden, een deel van het patriarchaat is geïnternaliseerd. Dat doen wij, niet de taal. En het gaat niet vanzelf weg, je moet het actief bestrijden. Als we vaker de vrouwelijke vorm gebruiken, krijgen we meer associaties en verdwijnt dat tuttige. Ik moet bij een tweede druk de beroepsnamen aanpassen. En dan niet denken dat het uitsloverig is om dat nadrukkelijk zo te doen. Het is handelen naar voortschrijdend inzicht.

Maar ja, mijn ideale wereld is niet de vrouwen hier en de mannen daar. Ik wil een situatie waarin mannen niet meer allesbepalend zijn maar er gewoon bij horen, net als vrouwen en iedereen ertussenin. Van Alphen zegt dat genderneutraliteit een illusie is als er niet eerst twee gelijkwaardige polen waren die allebei voet aan de grond hebben in de samenleving. Zoals het de lerares en de leraar is vergaan. Leerkracht is echt neutraal.

Alleen, wat betekent dat in de tussentijd voor de mensen die niet uitgesproken man of vrouw zijn of zich dat niet voelen/niet wensen te voelen? Hebben zij meer aan die zogenaamd neutraal maar eigenlijk niet zo neutrale vorm of aan differentiatie waarbij ze kunnen kiezen, zij het uit maar twee opties?

Ik bel Brand Berghouwer, voorzitter van Transgender Netwerk Nederland. Vier procent van de Nederlandse bevolking identificeert zich niet eenduidig met het label ‘vrouw’ of ‘man’, zegt hij, al wil dat niet zeggen dat ze zich allemaal non-binair voelen en ook niet dat ze allemaal de taal veranderd willen zien. Transvrouwen hechten vaak nadrukkelijk aan de vrouwelijke namen, maar er is ook een grote groep transpersonen die jeuk krijgt van welk hokje dan ook.

Je kunt mensen iets laten willen door het op een bepaalde manier te verwoorden of te verbeelden, en ook daar geldt de kracht van de herhaling.

Berghouwer vraagt of ik denk dat onze taal reflecteert hoe we met elkaar omgaan en tegen elkaar aan kijken. Ik denk van wel. Hij vindt het ook. Een e’tje, -ster of -esse eraan vast of juist niet; wat de beste weg naar voren is voor gelijkwaardigheid weet hij niet. Ik ook niet, ondanks het verhelderende gesprek met Ingrid van Alphen.

Hamer er maar flink op

We hangen op. Ik loop naar Kate’s kamer. Naast haar bed liggen de Nederlandse vertalingen van de internationale megabestsellers Good Night Stories for Rebel Girls deel I en II, fantastische boeken met een paar honderd verhalen over vrouwelijke rolmodellen, bekend en onbekend, van een 36-jarige bokser uit India tot Marie Curie. Cadeautje van mama. Er staan geen vrouwelijke beroepsnamen tussen. Dat viel me niet op toen ik ze kocht, voor mij was dat normaal.

En als ik eerlijk ben, voelt dat toch goed en natuurlijk, ongetwijfeld geholpen door de prachtige getekende portretten bij elk verhaal en de naam van de desbetreffende vrouw in grote letters boven het beroep. Dus ja, speelt mijn innerlijke seksist weer op of is er toch iets van neutraliteit doorgesijpeld nu ik al zo lang de theoretisch mannelijke vorm gebruik vanuit de wens neutraal te zijn? Dat zal toch ook wel enige uitwerking hebben op het brein?

Op naar het Max Planck Instituut in Nijmegen om te spreken met twee psycholinguïsten, Theresa Redl en Julia Misersky. Ze zijn respectievelijk Oostenrijks en Duits, millennial, doen onderzoek in Nederland en zijn minder uitgesproken dan Van Alphen. Dat levert een meer enerzijds/anderzijds beeld op.

Misersky begint met te zeggen dat we het over classic stuff hebben, bekend uit advertenties: je kunt mensen iets laten willen door het op een bepaalde manier te verwoorden of te verbeelden, en ook daar geldt de kracht van de herhaling. Wasmachines leven langer met Calgon. Niet per se een schoonheid van een zin, maar als je hem honderdduizend keer hebt gehoord en je wilt iets hebben waardoor je wasmachine het langer blijft doen, dan wil je Calgon. Zo is het misschien ook met vrouwelijke beroepsnamen. Hamer er maar flink op. Als mensen constant worden geconfronteerd met differentiatie heeft dat ongetwijfeld een effect, dat blijkt ook uit recent Zwitsers onderzoek.

De man is status quo

Aan de andere kant, in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten hebben ze nooit vrouwelijke titels gekend en ook daar denken mensen bij een doctor in eerste instantie aan een man en bij een nurse aan een vrouw. Het zit meer in de cultuur. De man is status quo, de vrouwelijke vorm is ‘the effect to be explained’, zoals staat in een artikel in de European Journal of Social Psychology over gender framing uit 2011. Taal is belangrijk in dat proces, maar het kan slechts een bijdrage leveren aan de oplossing van het ongelijkheidsprobleem, het is niet dé oplossing.

We moeten stereotypen en grammaticale vormen niet door elkaar halen. Stereotypen zijn culturele ideeën over bijvoorbeeld genderrollen: dat sommige beroepen heel erg bij mannen horen en andere heel erg bij vrouwen. Grammaticale vormen kunnen daar een schepje bovenop doen, of er een schepje afhalen: loodgieters/loodgietsters gevraagd.

Mannen hebben ook nooit iets extra’s hoeven aan te leren om zich bedoeld te voelen: zij horen er altijd bij.

Redl, die een onderzoek doet naar vrouwelijke en mannelijke persoonlijke voornaamwoorden in Nederland – De mens en zijn taal, heet het – zegt dat als we het goed willen aanpakken, die voornaamwoorden ook aangepast moeten worden. Van de daken schreeuwen dat ‘minister’ een neutrale aanduiding is, heeft geen zin als we in de krant zinnen als ‘elke minister moet zijn lot dragen’ blijven tegenkomen. Dat de taal omslachtig en verhalen onleesbaar worden als overal ‘hij of zij’, ‘zij of hij’, ‘zijn of haar’ of ‘haar of zijn’ moet staan, valt volgens haar vaak op te lossen door vaker en handiger gebruik te maken van het meervoud.

Gelijkwaardigheid voor iedereen

Wat die omslachtigheid betreft, hebben mannelijke vormen altijd een voorsprong, zegt ze, puur en alleen al omdat die woorden korter zijn, soepeler de mond uitrollen. Mannen hebben ook nooit iets extra’s hoeven aan te leren om zich bedoeld te voelen: zij horen er altijd bij. Het zijn de vrouwen die van kinds af aan moeten leren dat ‘jongens’ soms ook ‘meisjes’ betekent. Een klas basisschoolkinderen zal nooit bij elkaar worden geroepen met ‘Meisjes!’ Nooit. Daar houd je een male bias aan over, en een geest als chirurg.

Redl stuurt me een Noors taalonderzoek uit 2008 na, dat me weer aan het twijfelen brengt. In Noorwegen hebben ze veertig jaar geleden besloten geen vrouwelijke beroepstitels meer te gebruiken. De onderzoekers concluderen dat dit vooralsnog weinig afbreuk heeft gedaan aan de mannelijke default mode bij het lezen van de nu neutrale vormen. Maar, voegen ze eraan toe, er zijn aanwijzingen dat dit een nasmaak is van de historische differentiatie in beroepsnamen. Herhaling van het onderzoek na twintig jaar zou kunnen aantonen dat de reflex om neutraal als mannelijk te blijven zien is afgenomen of grotendeels verdwenen.

Ik denk aan de miljoenen exemplaren van Good Night Stories for Rebel Girls die wereldwijd op de nachtkastjes liggen van meisjes tussen de acht en twaalf, om ze ervan te overtuigen dat ze alles kunnen en mogen worden, om ze geen innerlijke seksist mee te geven.

Helemaal consequent zal het nooit worden, en dat hoeft ook niet.

Als gelijkwaardigheid voor iedereen het doel is, moeten we dan niet toch door een paar zure appels heen bijten en één woord als neutraal bestempelen, hoe onverteerbaar het ook is dat (trans)vrouwen zich dan waarschijnlijk weer moeten aanpassen omdat Peter Buwalda zichzelf natuurlijk nooit schrijfster gaat noemen? (Ja, lach maar, maar zo oneerlijk is het wel).

Helemaal consequent zal het nooit worden, en dat hoeft ook niet. Een vrouw die zingt, is geen zanger omdat het er bij muziek toe doet of iemand een mannen- of een vrouwenstem heeft. Het is een smaakkwestie, daar mag verschil tussen zitten. Als je zin hebt in de stem van Bob Dylan, dan heb je geen zin in de stem van Alicia Keys.

De Nederlandse Taalunie en het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse Taal moeten dan wel veel en veel beter hun best gaan doen. Hup, aan de slag met die ‘n’ van neutraal. Ik zie het ze alleen niet meteen doen. Een paar weken geleden stond in de krant dat ‘Juffrouw Jannie’ van Jiskefet wordt opgenomen in de Dikke van Dale, als synoniem voor ‘het prototype koffiejuffrouw bij bedrijven’. De taal en de werkelijkheid, we hebben nog een lange weg te gaan.

Je snapt er niks van

In mijn werkkamer zet ik tien exemplaren van De kok, de boerin, haar advocaat en dier verpleegster op de onderste plank in de boekenkast. Ik denk aan juffrouw Jannie, vlogster Laura, de bokser uit India en Belgische loodgietsters, aan macramé en aan Noorwegen. Waar zit het voortschrijdend inzicht? Moet ik Mensje van Keulen in een tweede druk een schrijfster noemen, Ties Prakken een advocate en Roefke Carmiggelt een relatietherapeute? Maar Fransje van der Waals dan? Een huisartse? En moet ik voor Jean Beddington kokkin gebruiken? Nee. Dat klinkt als iemand uit een sprookje met een enge stiefmoeder. Het treurige beeldschone prinsesje vindt troost in de stevige armen van de kokkin. De innerlijke seksiste is niet zomaar buiten spel gezet.

Kate kijkt om de hoek. Ik houd mijn boek omhoog. ‘Kijk.’
Ze knikt vriendelijk, alsof zij de moeder is en ik een tekening van een regenboog heb gemaakt. ‘Mm. Mooi.’
‘Wat zegt je hoofd bij het woord kok? Man of vrouw?’
‘Man.’
‘Waarom?’
Tikje ongeduldig nu. ‘Omdat ik aan Tos en Hansie denk.’ (Tos is de kok in Otje, van Annie M.G. Schmidt. Hans is mijn broertje, en kok.)
‘Boerin?’
‘Vrouw, dat zei ik al.’
‘Neem me niet kwalijk. Advocaat?’
Verveeld. ‘Wat is dat?’
‘Wat papa is.’
‘O ja.’
‘Dus?’
‘Weet niet, ik denk nu gewoon aan papa.’
‘Verpleegster?’
Ze rolt met haar ogen en draait zich om. ‘Gekke mama. Je snapt er niks van, hè?’