Geert Lovink is misschien wel Nederlands bekendste internetcriticus – behalve in Nederland zelf.

Zelf snapt hij zijn relatieve onbekendheid wel. In een interview met journalist Peter Olsthoorn ter ere van 25 jaar internet in Nederland weet hij het aan zijn manier van schrijven: ‘Ik draag steeds bij aan het “feuilleton”, zoals dat in Duitsland wordt genoemd, een steeds voortgaand debat. In Nederland bestaat zo’n cultuur niet. Hier wordt vooral verwacht dat je je zo dom mogelijk uitdrukt.’

Lovink draait dus ook al ruim 25 jaar mee in de geschiedenis van het Nederlandse internet, dat hier voor het eerst publiek toegankelijk werd in 1993. De 63-jarige Amsterdammer speelde een sleutelrol in een aantal onlineprojecten die (onder nerds) wereldwijd bekend zijn, waarbij hij vaak de rol van ‘huisideoloog’ kreeg toebedeeld – voornamelijk vanwege zijn interesse in en kennis van zeer doorwrochte theorieën over media.

In 2004 richtte hij aan de Hogeschool van Amsterdam (HvA) het Institute of Network Cultures (INC) op, dat ‘de interactie tussen nieuwe vormen van media en de gebruikers van die media’ onderzoekt. Hij doceerde eerder ook Nieuwe media aan de Universiteit van Amsterdam en had verscheidene universiteitsposten in onder meer Berlijn en Malta. Ook was hij een van de oprichters van de Stichting tot Bevordering van Illegale Wetenschap, oftewel Bilwet, een collectief van kunstenaars en schrijvers dat eind jaren tachtig furore maakte – vooral in Duitsland en Oostenrijk – met korte geschreven manifesto’s.

Lovinks bijdrage aan de internetcultuur werd vorig jaar bekroond door zijn benoeming tot hoogleraar Kunst en netwerkcultuur aan de Universiteit van Amsterdam.

Hij publiceerde negen boeken die (vanuit het Engels) vertaald werden in het Duits, Italiaans, Spaans en zelfs Russisch. Het bekendste, Dark Fiber (MIT Press, 2002) verkent hoe het internet werd overgenomen door het grootkapitaal en hoe kunstenaars, hackers en activisten daar weerstand aan bieden.

Dark Fiber is niet alleen een cool klinkende titel, maar ook een metafoor. ‘Het alvast klaarleggen van zulk “zwart glas” kán gezien worden als uiting van de nog altijd hysterische verwachtingen omtrent de toekomst van communicatieverbindingen en bandbreedtes, als een soort zwart speculatiekapitaal dat op het juiste moment kan worden gewit en geëxploiteerd,’ schreef internetpionier en journalist Marianne van den Boomen in januari 2003 in Trouw over Dark Fiber.

Of het nou is in de context van de oude economie van aan nationale staten gebonden, monopolistische telecombedrijven of in de nieuwe van geprivatiseerde telco’s, schrijft Van den Boomen, ‘dark fiber kan gelden als een instrument in kapitalisme van het harde soort. Een bewijs te meer dat het marktmechanisme het ooit zo anarchistische do it yourself-internet heeft opgeslokt.’

Maar, stelt ze, ‘wie wil, kan de ongebruikte kabels ook zien als een subversief potentieel, als een bijna autonome verbinding, als mazen in het monopolienet.’ Want met de juiste kennis, techniek en organisatie zijn ze te gebruiken voor heel andere dingen dan waarvoor ze bedoeld waren, ‘als een ietwat duister ondergronds netwerk. “Dark fiber” is kabelleegstand, en bijgevolg te kraken, als een leegstaand speculatiepand.’ Een volgens Van den Boomen niet toevallige analogie, omdat de persoonlijke en intellectuele biografie van Geert Lovink loopt van de Amsterdamse kraakbeweging naar net-activisme en de speurtocht naar een politieke hacker-ethiek.

Bijzonder invloedrijk

In zijn boek beschrijft Lovink ook de opkomst en ondergang van twee projecten die hij in de vroege jaren negentig mede initieerde. De eerste, De Digitale Stad, was een experiment in het creëren van een online community. De tweede, de mailinglist nettime, was een van de eerste sociale netwerken van Europa, de eerste plek op het internet waar mensen doelgericht samenkwamen om kritiek te geven op het vroege internet. En hoewel nettime bijna veertig jaar geleden werd opgericht, kunnen we er nog steeds veel van leren.

‘Op nettime wilden we de principes opstellen van internetkritiek,’ vertelt Lovink in zijn kantoor op de HvA aan de Amsterdamse Wibautstraat, waar hij nog altijd het INC leidt. ‘Een van de basale premisses van het internet was dat de communicatie in real time zou verlopen. Maar nadenken over wat er gecommuniceerd wordt, verloopt asynchroon.’ Waarmee hij bedoelt dat gebruikers van nettime moesten nadenken voordat ze reageerden – anders dan op moderne sociale netwerken, waar elke vorm van reflectie wordt ontmoedigd door knoppen als like en share.

Het idee was om een soort eindeloos gesprek op gang te brengen, dat zichzelf zou modereren door de mensen die ervoor kozen om mee te doen en hun interesses.

Ondanks de vergeleken met de huidige sociale netwerken geringe omvang – op het hoogtepunt waren er een paar duizend actieve gebruikers – werd nettime bijzonder invloedrijk. Lovink zette de lijst in 1995 op, samen met de Duitse kunstenaar Pit Schultz, om een ruimte te creëren voor kritisch discours over en op het internet. De nadruk lag op langere, maar non-academische teksten en debatten. Het idee was om een soort eindeloos gesprek op gang te brengen, dat zichzelf zou modereren door de mensen die ervoor kozen om mee te doen en hun interesses.

Voor wie niet bekend is met het fenomeen mailinglist: het is het best te vergelijken met een forum dat via e-mail werkt. E-mails die verstuurd werden aan een bepaald mailadres werden vervolgens uitgestuurd naar alle e-mailadressen in een lijst. Door simpele commando’s die in de e-mail zelf geschreven werden, konden ontvangers reageren op inkomende mails in een thread of nieuwe threads starten.

‘Het is groepssoftware,’ zegt Lovink. ‘Grappig genoeg ging het toen ook al over social software. Dat begrip werd begin jaren tachtig voor het eerst gebruikt, en het concept “sociale media” is eruit voortgevloeid. Die communities waren echt een jaren-negentigding. Het ging toen niet om individuen. In die tijd probeerden mensen elke poging om individuele profielen aan te maken te vermijden. Het was een anti-profielenbeweging, dus dat betekende dat je het recht had om anoniem te communiceren. De uitdaging en de uitnodiging was om een soort avatars te creëren om te communiceren zonder dat je gevraagd werd naar je identiteit.’ Bijdragen worden op die manier beoordeeld op inhoudelijke waarde, niet op bijvoorbeeld de academische achtergrond van de gebruiker. Online encyclopedie Wikipedia is helemaal gebaseerd op dit idee.

Anti-Wired

Nettime ontstond deels als een soort tegenreactie op het libertarische tech-utopisme dat vanuit Silicon Valley werd uitgedragen in publicaties als Wired, dat in 1993 werd opgericht. De artikelen in dat blad waren doordrenkt van de ‘Californische Ideologie’, zoals de Britse mediatheoretici Richard Barbrook en Andy Cameron het noemden, doelend op de combinatie van hippie-achtig anarchisme en een heilig geloof in de vrije markt.

De mailinglijst werkte als een soort platform voor kunstenaars, activisten en hackers om theorieën over digitale cultuur te ontwikkelen en kritiek op het ontluikende commerciële internet te delen. Ideeën over dingen als de attention economy, het idee dat internetbedrijven meer azen op je tijd dan op je geld, werden daar al in 1996 besproken, maar ook andere thema’s die veel later populair zouden worden, zoals open alternatieven voor copyright en de toenemende macht die ontstaat uit het verzamelen van data.

Nettime organiseerde regelmatig bijeenkomsten waar de leden elkaar ontmoetten en buiten de e-mails om met elkaar konden discussiëren. ‘Dat was een belangrijk onderdeel van nettime,’ zegt Lovink. ‘Juist omdat we zoveel online waren, daar zoveel mee deden en dat verder wilden ontwikkelen, geloofden we heel sterk in het bijeenkomen in de fysieke ruimte. Als je écht iets voor elkaar wilt krijgen en een speler wilt zijn in dit veld, moet je bijeenkomen. En dat is wat we deden.’

Mensen die op nettime zaten, een mengelmoes van hackers, activisten, academici en kunstenaars, zagen zichzelf minder als deelnemers dan als scheppers van de mailinglijst – bijna profetisch analoog aan hoe de huidige sociale netwerken functioneren. Ze bespraken ook hoe het internet toen al bezig was met het veranderen van het concept arbeid, of zoals Lovink het toen formuleerde: het kolonialiseren van platforms en het vervolgens omzetten in geld van de tijd die je daarin stopt.

Online ommekeer

Als je met Lovink praat, is het alsof je een levende encyclopedie van internethistorie raadpleegt. Niet omdat hij dik en saai is, maar omdat hij bij elke vraag precies weet wanneer het gebeurde en welke boeken daar toen bij hoorden.

Zo vertelt hij over het moment dat hij inzag dat het internet de verkeerde – kapitalistische – kant op ging. ‘Tot aan 1995 hadden heel weinig mensen, ook in Amerika, door wat een start-up was, wat de rol van venture capital daarbij is, en welke stappen er allemaal gezet werden door die specifieke scene om tot een beursgang te komen. En toen, in augustus 1995, kwam ik in aanraking met deze bijbel,’ zegt hij en pakt doelgericht een boek uit de twee plafondhoge boekenkasten (iets wat meermalen tijdens ons gesprek gebeurt. Niet alleen weet Lovink precies waar elk boek staat, hij weet ook waar in welk boek datgene staat wat hij graag wil laten zien). ‘Dit is New Venture Creation, de bijbel van de eerste generatie venture capital. Dit boek vatte als het ware de kennis samen om die hele machine – die we nu heel erg goed kennen en die al 25 jaar draait – te laten werken. Die kennis bestond al wel, maar niet in Silicon Valley zelf. Venture capitalist Andreessen Horowitz en al die andere bedrijven bestonden toen nog niet. Het moment dat dit publiek werd, was de beursgang van Netscape in oktober 1995.’

Wired en anderen in die hoek altijd hebben gezegd dat het om de ideologische waarde ging, om vrijheid. Ze hebben nooit naar het economische plaatje willen kijken

Die beursgang, of Initial Public Offering (IPO), van de toen zeer revolutionaire en populaire internetbrowser Netscape, was een van de momenten die de dotcombubbel van eind jaren negentig in gang zette. Het bedrijf, dat opgericht werd door onder anderen Marc Andreessen (die later het durfkapitaal inging met Ben Horowitz), verviervoudigde hun aandelenprijs in één dag. Zo’n gigabeursgang wordt nu nog steeds een ‘Netscape moment’ genoemd. ‘We moesten toen heel veel huiswerk doen om te begrijpen wat daar gebeurde,’ vertelt Lovink, ‘en toen werd ons heel erg duidelijk wat de toekomst van het internet zou zijn.’

De werking van geld

De kritiek op de macht van kapitaal op het internet werd op nettime verder uitgewerkt. Waar de Amerikaanse techmedia zich toen nog afzijdig hielden van de snel uitdijende groep investeerders die grof geld verdiende – en verloor in de dotcomcrash van de vroege jaren 2000 – verdiepten Lovink en andere academici zich juist in de werking van geld op het internet. Zo werd uitvoerig geschreven over internetbedrijven die afhankelijk zijn van gebruikers die content genereren. Zouden die gebruikers niet gecompenseerd moeten worden voor het bouwen van de waarde van zo’n platform? Ook verkenden ze eind jaren negentig de trend die in gang was gezet door de gigantische hoeveelheden kapitaal die invloeiden om dingen ‘gratis’ weg te geven – in ruil voor gebruikersdata.

‘Wij hebben van begin af aan gezegd dat die publieke maar ook politiek-economische problematiek van de instroom van kapitaal naar het internet op de voorgrond zou moeten staan. Terwijl Wired en anderen in die hoek altijd hebben gezegd dat het om de ideologische waarde ging, om vrijheid. Ze hebben nooit naar het economische plaatje willen kijken. Ze zeiden: het gaat over technologie, niet over economie, we willen het niet hebben over de business. En natuurlijk zagen ze vier, vijf jaar geleden wel in dat er overal monopolies zijn, en vragen ze zich nu af hoe dat nou kan. Ze hebben het niet willen zien.’

Dan klopt een collega van Lovink op de deur met de vraag of hij nog punten heeft om te bespreken bij een vergadering van de Hogeschool van Amsterdam. Lovink vraagt of ‘de prullenbakken’ hoog op de agenda mogen. ‘Ja, dat is heel grappig. De HvA heeft alle prullenbakken weggegooid. Er is gewoon geen afval meer, want dat hebben ze nu besloten. En hoe doe je dat? Door alle prullenbakken weg te halen. Juist!’

Waar Silicon Valley de rol van kapitaal wegmoffelde om later verbaasd te zijn over de macht van monopolies, probeert de HvA minder afval te produceren door het bestaan ervan fysiek te ontkennen door prullenbakken weg te halen.

Nadenken, dan reageren

Naast een platform voor vaak bijna onleesbare internetkritiek was nettime ook een poging om ‘de tijd te heroveren’. Lovink: ‘Ik denk dat het reflecteren op digitale technologie waarbij communicatie in real-time gebeurt, per definitie een bespiegeling vergt die niet in real-time kan worden gedaan.’

De huidige sociale media sturen aan op zo min mogelijk reflectie: like, retweet, share et cetera. ‘En het is vanaf het begin duidelijk geweest,’ Lovink pakt weer wat boeken van een plank, en ik parafraseer even want hij gebruikte woorden als ‘subliminale tijdseenheden’, dat techbedrijven proberen om je onderbewustzijn te infiltreren. Door het zo makkelijk te maken om te reageren op een foto of post, word je aangemoedigd om je eerste reflexieve reactie in te zetten – terwijl je soms misschien beter af bent met wat langer nadenken.

Lovink legt uit dat sociale-mediaplatforms aansturen op een soort automatisering van de zintuigen, waarbij het onderbewuste het overneemt en er weinig ruimte overblijft voor reflectie. Nettime was – bewust of onbewust – door het ontbreken van functies als like en share een vroege poging om juist meer tijd voor bespiegeling te vragen.

‘Sociale media zijn nu gebaseerd op dingen bijhouden, en niet op dingen doen. En dat idee moeten we laten varen.’

 

Maar als ik hem vraag of we nu meer tijd voor reflectie zouden kunnen gebruiken om sociale media te verbeteren, ontkent hij dat. ‘Ja, nadenken en delibereren kan een doel op zich zijn, maar het wordt pas echt interessant als we de technische mogelijkheden om na te denken kunnen verbinden aan actie in de echte wereld. Wanneer er een element aan vastzit van consequentie en organisatie. Van dingen tot stand brengen.’

Communities die nadenken en ook handelen, dat is de gouden combinatie, zegt Lovink – wat weer aansluit bij de ideeën in veel van de boeken die het afgelopen jaar gepubliceerd zijn over het terugwinnen van het internet voor het publieke belang, zoals Internet for the People van Ben Tarnoff en Platform Socialism van James Muldoon. ‘Ik denk dat wat wij de stack of crisis noemen, van klimaat naar economische ongelijkheid naar covid, daar ook alle aanleiding toe geeft. Die crises komen allemaal samen en zijn steeds meer één geheel aan het vormen. En steeds meer mensen snappen dat die dingen niet meer geïsoleerd bekeken kunnen worden. Dan zou dat nadenken plus handelingsperspectief ineens heel erg veel verschil gaan maken in het dagelijks leven.’

Lovink heeft het dan over de inzet van technologie om platforms te bouwen waarbij je met mensen in je nabije omgeving – uit je straat, van je sportschool of de bibliotheek – kunt communiceren en beslissingen kan nemen die verandering teweegbrengen. ‘Sociale media zijn nu gebaseerd op dingen bijhouden, en niet op dingen doen. En dat idee moeten we laten varen. Ik denk dat als meer mensen dat doorhebben, en we daarover tot een bepaalde consensus komen, het makkelijk wordt om over te stappen op een ander communicatieparadigma.’

Dat paradigma heeft minder te maken met communicatie dan met de consequenties van communicatie. ‘Het gaat erom dat er gereedschap wordt ontwikkeld dat dicht bij mensen staat om ze te helpen met zelforganisatie en besluitvorming,’ legt Lovink uit. Wat we nodig hebben, is technologie die ons kan helpen om consensus te creëren – over dingen zo banaal als gemeentelijke investeringen in plantsoenen tot het met een wijk samenkomen om duurzame energievoorzieningen te financieren.

‘Deze technologie gaat niet komen van de techreuzen, omdat met het vergroten van meningsverschillen veel meer geld te verdienen valt.’

Verandering binnen een halfjaar

Lovink, toch een doorwinterde internetcriticus, is positief over het vooruitzicht op verandering. ‘Die verandering kunnen we binnen een half jaar bereiken. Dat is iets waar ik erg vrolijk van word. Natuurlijk kun je zeggen dat we steeds verder vast komen te zitten in het moeras van platforms die steeds machtiger worden, maar dat geloof ik niet. Ik denk dat we snel en effectief een overstap kunnen maken.’

Maar als ik hem vraag of er dan al veelbelovende projecten op touw staan, is het antwoord een stellig ‘nee’. ‘Ik had heel graag ja gezegd, maar het eerlijke antwoord is nee. Maar als de juiste mensen bij elkaar komen en de urgentie duidelijk wordt, dan kan het heel snel gaan.’

Wat is die urgentie dan?

Lovink wordt bedachtzaam. ‘Die urgentie, en dat is raar, zal uit een heel andere hoek komen. Die zal niet intern uit de internetproblematiek zelf komen, jammer genoeg. Maar als we kijken naar de opeenstapeling van crises, dan weten we ook dat er heel andere dingen spelen in de wereld dan technologie en internet. De problemen zijn nu zo met elkaar verweven dat we ze bijna niet meer uit elkaar kunnen houden. En dat is een kans.’

Crises als covid en de oorlog in Oekraïne zijn voorbeelden van gebeurtenissen buiten de technologie die veranderingen in ons gedrag teweegbrengen.

En Lovink ziet nog een andere mogelijke toekomstige gebeurtenis die de grote verandering in gang kan gaan zetten: ‘Van het conflict in Taiwan kun je verwachten dat het een wereldwijde technologiecrisis zal veroorzaken. Dat wordt verschrikkelijk en dat kunnen we nu al zien aankomen. Zelfs een bombardement op Veldhoven (waar chips worden gemaakt, red.) zou dan een van de scenario’s zijn. Als een wereldoorlog om chips gaat, ja, dan is Nederland doelwit nummer één. Niemand praat nu over een bombardement op Veldhoven. Maar het verbaast mij wel dat dat nog niet gebeurt. Al denk ik dat er in Den Haag en zeker bij Defensie wel degelijk mensen zijn die daar al wel mee bezig zijn.

Ik heb het dan trouwens niet over letterlijke bommen, maar over een cyberaanval of zo. Maar dat kunnen dingen zijn die een volgende crisis inluiden, en waardoor de urgentie om communicatie te gaan organiseren rondom besluitvorming ineens glashelder wordt.’

Tot die tijd zitten we opgescheept met wat we nu hebben online. En als die platforms íéts niet zijn, dan is het een manier om gezamenlijk tot beslissingen te komen en actie te ondernemen. Dat zou namelijk betekenen dat je je scherm weg moet leggen, en dat betekent weer dat je minder advertenties te zien krijgt en minder koopt. En dat is natuurlijk niet de bedoeling.

‘Ik zie heel veel mogelijkheden,’ zegt Lovink. ‘We kunnen eindeloos doorgaan met het bekritiseren van de grote techbedrijven, maar daar moeten we op een gegeven moment een punt achter zetten. We moeten zelf alternatieven gaan bouwen.’