Met de meritocratie is op zich niets mis. Wie in een wielerwedstrijd het hardst fietst krijgt goud, de tweede krijgt zilver en de derde brons. De laatsten in het peloton krijgen een handdruk: volgende keer beter en dank voor je deelname.

Problematisch wordt het wanneer de meritocratie verpakt zit in een ideologie en de vormen van een geloofsbelijdenis aanneemt. Noem het de Dutch Dream, of het liberalisme van de 21ste eeuw: wie succes heeft, mag plaatsnemen op de maatschappelijke troon, diegenen zonder succes worden beschimpt. Omdat pech niet bestaat, hoeft een handdruk niet.

Binnen een dergelijk geloof zijn zowel eerste worden (‘hard gewerkt’) als laatste worden (‘luiwammes’) keuzes. De kracht van het collectief en de noodzaak van saamhorigheid zijn dan al snel het kind van de rekening. Want het is moeilijk in de meritocratie te geloven als je oog hebt voor geluk én de sociale omstandigheden die je de wind in de zeilen gaven. Het maakt van de doctrine van eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid een ideologisch handigheidje.

In werkelijkheid gaan gezinnen eerst kapot, voordat er – misschien – iets gefikst wordt. Enkel en alleen wanneer het echt niet anders kan. Kijk bijvoorbeeld naar de ‘historische koopkrachtreparatie’ die met Prinsjesdag werd aangekondigd en nu vorm begint te krijgen. Miljarden aan compensatie voor betonrot die al langer lelijk huishoudt.

Als iets ‘historisch’ gerepareerd moet worden, is het ook historisch kapot gegaan. En dat is niet alleen een samenloop van ongelukkige omstandigheden. Het is het gevolg van een ideologie die armoede en sociale uitsluiting als een individueel in plaats van een moreel probleem beschouwt. Pas als de gegoede middenklasse de klappen begint te vangen, moet er ingegrepen worden. Want zonder peloton geen wedstrijd.

sociale stijgers

Het ontkennen van het belang van sociale omstandigheden is een politieke keuze. Net zoals het negeren van de slechte startpositie van honderdduizenden kinderen. Allemaal ten behoeve van het imaginaire succes van het individu.

Wij, de schrijvers van dit stuk, worden geregeld gedefinieerd als zogenaamde ‘sociale stijgers’: ‘Zie je wel dat het kan’ en ‘Als je maar goed je best doet’.

Het begrip ‘sociale stijger’ is problematisch, want het individualistische karakter ervan impliceert dat maatschappelijke vooruitgang niet langer een collectieve opgave is. Je moet zelf klimmen op de ladder. Terwijl het nogal een verschil uitmaakt of die ladder enkele treden mist, of op stabiele ondergrond staat in plaats van in een moeras van onzekerheden. In dat laatste geval kun je klimmen tot je een ons weegt, stijgen zal je niet.

Wanneer je onderaan de ladder bungelt, is het vermogen tot outsourcen afwezig. Terwijl de zelfredzaamheidsdoctrine overal op de ladder dominant is.

Hoe hoger je komt, hoe beter het er vertoeven is. Arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden, pensioenregelingen, verzekeringen, schooladvies van de kinderen, ontwikkelingsmogelijkheden, gezondheidsuitkomsten: bovenaan de maatschappelijke ladder zijn de zaakjes op orde. Ook hier geldt: dat is niet het gevolg van natuurwetten, maar van keuzes met een ideologisch fundament.

Wat ook opvalt bovenaan die ladder, is dat zelfredzaamheid er een even grote illusie is als onderaan. Men beschikt er vooral over het vermogen om de complexiteit van het bestaan en het falen van de overheid te outsourcen. Komt men er niet uit met de belastingbrief of een juridische kwestie, dan is een adviseur zo ingehuurd. En als er geen juf voor de klas staat of de zorg niet levert, dan maar de private markt op. Wanneer je onderaan de ladder bungelt, is dat vermogen tot outsourcen afwezig. Terwijl de zelfredzaamheidsdoctrine overal op de ladder dominant is.

Eigen schuld dikke bult

‘Ben ik te min omdat je pa in een grotere kar rijdt dan de mijne?’ zong Armand. Nou, het is iets ernstiger dan dat. Voor degenen met toegang tot middelen, media en macht is het leven eenvoudiger, goedkoper én gezonder.

De oneerlijke werkelijkheid van de gezondheidsverschillen maakt dat duidelijk. De minst welvarenden gaan acht jaar eerder dood dan de meest welvarenden. En met een laagbetaalde baan als schoonmaker, thuiszorgmedewerker of pakketbezorger is de kans dat je de pensioenleeftijd in goede gezondheid behaalt niet zo groot. Dat rekende het Centraal Bureau voor de Statistiek eind vorig jaar nog haarfijn uit. De kankeratlas deed er nog een schepje bovenop: de aanwezigheid van kanker in een wijk kan niet los worden gezien van de sociaaleconomische positie van zijn inwoners. Ongetwijfeld allemaal eigen schuld dikke bult, toch?

Het is allesbehalve nieuwe kennis, die de laatste twintig jaar echter netjes in een liberale mist werd gehuld. Het gaat niet alleen om het gezonde willen doen, je moet het ook kúnnen doen. Het gaat niet over luiheid, maar over moeheid en mogelijkheden.

Niets voor niets concluderen Josse de Voogd en René Cuperus in hun Atlas van afgehaakt Nederland dat de gezondheidskloof samenvalt met de vertrouwenskloof: wijken waar de gezondheidsverschillen het meest voelbaar zijn, zijn de wijken met het minste vertrouwen in de overheid. Dat is niet zozeer omdat men ziek is. Wel omdat men als men ziek is of hulp behoeft een beroep moet doen op een overheid die niet levert. Je zou van minder moe worden.

geen oorzaak, maar een gevolg

Omdat we met zijn allen zijn gaan geloven dat gezondheid een keuze is en losstaat van toegang tot economie en macht, staan leefstijlcoaching en eigen gedrag al decennia voorop bij het tegengaan van gezondheidsverschillen. Verdien je te weinig om de rekeningen te betalen? Is een loonsverhoging voor jouw cruciale werk de oplossing? Nee hoor, hier is jouw eigen-schuld-dikke-bult-budgetcoach! Rook wat minder, sport wat meer en lang en gelukkig zult gij verder leven.

Het is ongetwijfeld allemaal goedbedoeld. Dat onder het leefstijloffensief een combinatie ligt van arrogantie (want wie moet gezonder worden dan wie?) en paternalisme, wordt echter haarfijn aangevoeld door de minder gefortuneerden. Alsof zij niet doorhebben dat werkomstandigheden, leefomgeving en individuele leefomstandigheden (bestaansonzekerheid) bijdragen aan hun ongezondheid. En alsof zij niet liever simpelweg gezond en gelukkig willen zijn.

Achterstandswijken zijn óók de wijken waar verreweg de meeste mensen met cruciale beroepen wonen: pakketbezorgers, schoonmakers en vuilnismannen.

Het individualiseren van problemen en het ontkennen van sociale omstandigheden zijn toeval noch neutraal. De participatie- en compensatiesamenleving zijn politieke uitvindingen bedoeld voor het peloton, niet voor de staart van de race. Achterstanden in wijken zijn meestal geen oorzaak, maar een gevolg.

Misdaadjournalisten Paul Vugts en Wauter Laumans van Het Parool zeggen het duidelijk: ‘Politici roepen vaak, als er jonge jongens betrokken zijn: waar zijn die ouders? Nou, die zijn vaak keihard aan het werk, om de gigantische huurprijzen en dure boodschappen te betalen. Wij spreken veel moeders uit arme wijken. Die vertellen: we willen wel thuis zijn, maar we hebben twee banen.’ En: ‘De ellende van jongens in Amsterdam-Zuidoost die elkaar doodschieten is niet los te koppelen van het politieke beleid van de afgelopen tien jaar. Je moet niet doen alsof je het aan het oplossen bent, je hebt het veroorzaakt.’

Gedurende diverse crises werd er luid geapplaudisseerd voor veel bewoners in achterstandswijken. Het zijn namelijk óók de wijken waar verreweg de meeste mensen met cruciale beroepen wonen: huishoudelijke hulpen, pakketbezorgers, schoonmakers, kinderopvangjuffen en vuilnismannen. Vaak onzichtbaar, altijd onmisbaar en nog steeds ondergewaardeerd. Niet door hun individuele gedrag, maar door politieke keuzes die de sociale omstandigheden zwaar hebben beïnvloed. Er is geen politiek zonder sociale klasse, het is overal en van invloed op alles. Wie dat blijft ontkennen, kiest evengoed kleur.

Tim ‘S Jongers is directeur van de Wiardi Beckman Stichting en schrijver van Beledigende broccoli. Ron Meyer is oud-voorzitter van de SP en schrijver van De onmisbaren. Ze schreven dit stuk op persoonlijke titel.